Op 4 april waren wij door onze ambassadeur Govert Jan Bijl de Vroe uitgenodigd om een lezing bij te wonen van Jan Tom Schneider over het werk van zijn vader, de schrijver F. Springer. De bijeenkomst liep onder de titel van ‘Tweegesprek’. Het bleek een gesprek te zijn tussen een groep belangstellenden van een man/vrouw of twintig met Jan Tom Schneider, schrijverszoon en een studiegenoot en vriend van onze ambassadeur Govert Jan. En het was echt een interessant gesprek na een korte inleiding van Jan Tom Schneider en wat door hem voorgelezen citaten uit het werk van de bekende Nederlandse schrijver F.Springer, zijn vader. Onder de schuilnaam F. Springer schreef Carel Jan Schneider, 1932-2011, diplomaat en schrijver van veel, maar ook veel gelezen boeken. Carel Jan is geboren in Nederlands-Indië, op Java wel, en na de oorlog met zijn gezin naar Nederland verhuisd. Dit is nu genoeg voor zijn biografie, zie verder op het internet onder Wikipedia.
Twee van zijn romans zijn kort geleden in het Fins vertaald door Titia Schuurman, en wel zijn bekendste roman ‘Bougainville’ uit 1981 en ‘Quissama’ uit 1985. Misschien kom ik op deze romans later nog eens terug, maar hier wilde ik eerst iets zeggen over de novelle ‘Sterremeer’ uit 1990, en verder over het meer autobiografische Bandoeng-Bandung en tenslotte (als er nog plaats over is) over het bijzonder spannende ‘De gladde paal van de macht. Een politieke legende’ uit 1969. De middag van de vierde april, samen met Jan Tom Schneider, de zoon van de schrijver Springer dus, in de Nederlandse residentie was overigens zonder meer de moeite waard. Met dank aan ambassadeur Govert Jan. Dit lijkt me genoeg als inleiding.
In de novelle ‘Sterremeer’ worden we eerst bij de militaire dienstkeuring met Felix Sterremeer, een jonge maar nogal dromerige dichter, bekendgemaakt. Hij is nog maar een achttienjarige, enthousiaste jongeman, verliefd, vol van spontane, maar nog onaffe liefdesgedichten. De voorletter F., uitdrukkelijk voor de schuilnaam van de alom bekende auteur F. Springer geplaatst, wijst misschien op de F. van Felix, de gelukkige of naar geluk strevende (Felix is bovendien een hoofdpersoon in de novelle ‘Sterremeer’), maar zeker weet ik dit niet. Het leven van de familie Schneider, eerst in Semarang op Java, dan in Bandoeng, vervolgens in Den Haag, dan in Leiden etc., lijkt me wel problematisch, maar niet zonder geluk en vreugde geweest te zijn. Wie weet? Een karakteristieke zin wil ik de lezer niet onthouden: ”Sterremeer kon dan wel op dansen afgeven, het hoorde toch bij het leven, zeiden ze bij mij thuis.” Dus Felix is een beetje eenzelvig geremd en wat stijf , misschien zelfs schuw. Dat lijkt bij Carel Jan Schneider, alias Felix, toch wel te passen.
Overigens doet de ik-persoon (Nikko) in deze novelle me sterk denken aan het tweede (wellicht eerste) ‘ik’ van de fijne schrijver Springer, de ‘diplomaat’ bedoel ik. Deze diplomaat vertelt nuchter en beheerst zijn verhaal, de andere personen ( in ‘Sterremeer’ vooral Felix Sterremeer en meer nog zijn vrouw Robie) zijn levendiger en ook levender dan de vertellende ik-persoon. Dus de auteur splitst zich in tweeën, de dichter en de diplomaat. Deze combinatie zal wel moeilijk zijn, denk ik, maar goed … het werkt bij Springer wel doeltreffend, temeer omdat hij de inleiding van zijn boeken ruim neemt, dan de spanning en het verhaal opvoert en op het hoogtepunt zijn werk afrondt, zonder dat het onaf werkt. Dat is geweldig en origineel. Dat geldt zelfs voor zijn autobiografische roman ‘Bandoeng Bandung’.
Een opmerking van Jan Tom Schneider (de zoon van de schrijver dus en die de bespreking in de residentie leidde) zit nog steeds in mijn hoofd: ”Ik heb mijn vader vooral leren kennen via zijn boeken”. Dat getuigt ervan, dat Springer (via verscheidene romanpersonen) wel persoonlijk en autobiografisch schrijft over zijn eigen belevenissen of gedachten van weleer. Dat is overigens een algemene waarheid, dat kinderen pas later (bijvoorbeeld door een boek of wat/wie dan ook) hun ouders leert kennen, in het normale geval in ieder geval. Een voordeel voor de lezer is wel, dat de auteur de eigen gedachten in één hoofd, zijn eigen, meestal in zijn werk projecteert op meerdere personen. Volgens het oude principe: verdeel en heers. Dat heersen is natuurlijk hier, een goed schrijver zijn. In ‘Sterremeer’ staan Nikko en zijn vrouw Dorien aan de nuchtere kant, Felix en zijn Amerikaanse vrouw Robie daarentegen aan de andere kant, aan de meer romantische en gevoelige kant. Terwijl de eigenlijk hoofdpersoon van de novelle niet Felix, maar Robie is, de vrouw van Sterremeer, waar het uiteindelijk om draait. En dit uiteindelijk bedoel ik letterlijk: tegen het einde van het verhaal. Daardoor zijn Springers verhalen of romans gemakkelijk te lezen en te begrijpen en zonder meer boeiend, omdat geprojecteerde personen met elkaar pratend discussiëren en er dus in het verhaal leven zit, wat gebeurt en niet alleen maar, wat gedacht wordt in weinige personen. Maar dit ter zijde.
Nu verder over de novelle ‘Sterremeer’. Boeiend is het centrale verhaal op de ‘Westerdam’, een van de beroemde oceaanstomers van weleer van Rotterdam naar Noord-Amerika. We zijn dan al jaren later, er zijn in de twee families al kindertjes geboren, twee meisjes en een jongen. De vaders, Nikko en Felix, die elkaar op het grote schip bij de uitgebreide maaltijden tijdens de lange vaart naar New York telkens weer ontmoeten, zien en spreken. Vooral aan tafel uiteraard, ze zitten uren smakelijk te eten en converseren dan druk met elkaar.
Na de zeereis maken we in het grote New Yorkse luxe en ruime woning van de ouders van de Amerikaanse Robie, tijdens een rijke en vooral drankrijke ontvangst, ter gelegenheid van de boekpresentatie van de gedichten van Felix Sterremeer in het Engels, kennis met de culturele elite van New York, waar Sterremeer (via Robie wel) zich wil of moet bewijzen als geslaagde dichter. Dat maakt hij echter niet waar, jammer genoeg. Want dat lukt tijdens de boekpresentatie en uiteraard ook later niet zonder meer goed of (direct gezegd) zonder meer slecht. Felix wordt in Amerika en elders nauwelijks verkocht, gelezen of gewaardeerd en Robie, zijn vrouw, en anderen ook krijgen als ze genoeg gedronken hebben daardoor boze buiën.
Dat wordt nog erger aan het einde van de novelle, ‘op het uiterste punt van Long Island’, tijdens het idyllische verblijf in het prachtig aan de oceaan gelegen, luxe zomerhuis van de ouders van Robie, waar zij uiteindelijk de waarheid achter het Amerikaanse avontuur van Sterremeer vertelt, namelijk dat alles rond de dichter Felix gemanipuleerd en betaald is door haar en haar vader, om de veelbelovende Felix een schok bij te brengen, zodat hij echt onsterfelijke en niet alleen maar spontane en mooie gedichten schrijft, maar toch wel gedichten die als zodanig een moment de lezer boeien en daarna niet meer. Dan loopt Robie vertwijfeld de zee in, overleeft dat weliswaar, maar blijft haar hele verdere leven sprakeloos en stom en zegt en verlangt niets meer. Er is geen communicatie meer. Ze heeft aan of voor haar man en de wereld niets meer te zeggen. Robie zwijgt, stom uit vertwijfeling. De dichter is met al zijn veelbelovende gedichten gezakt. Felix Sterremeer leert en weet ermee te leven, maar een beroemde dichter wordt hij nooit en te nimmer. Jammer, want Robie heeft zich zo tevergeefs opgeofferd voor haar man, Felix Sterremeer. Zo eindigt deze novelle, op haar hoogtepunt, maar toch doeltreffend.
Dit alles wordt in de novelle heel knap gesymboliseerd door Robies jarenlange studie over de Duitse literatuur, waarbij zij zich vooral beperkt tot de stroming ‘Junges Deutschland’, bovenal geïnspireerd door de nu al lang terecht vergeten dichter Heinrich Stieglitz en zijn vrouw Charlotte, die ook zelfmoord heeft gepleegd om haar man een schok te bezorgen, zodat hij een beroemd dichter wordt. Maar dat werd hij dus niet. Ook toen in de negentiende eeuw lukte het niet en was die opoffering door zelfdoding van de geliefde zinloos. Dit klinkt allemaal heel tragisch, maar is op een overtuigende en vlotte manier geschreven, zodat deze novelle prettig te lezen is en de lezer/es niet bedrukt en treurig, maar tevreden zo niet bevredigd achterlaat.
Boeiend is het de novelle ‘Bandoeng-Bandung’ hiermee te vergelijken. De oudere politicus Chris Regensberg gaat met een handelscommissie naar Java mee, als spreker en goeroe (leermeester) mee. Na het officiële deel van de reis blijven hij en zijn vrouw nog een paar dagen in Bandoeng, waar hij grotendeels zijn jeugd en ook de vreselijke Japanse bezettingstijd van Nederlands-Indië meegemaakt heeft. Hij heeft in een Jappenkamp met zijn moeder en zusje en toen hij groter werd in een mannenkamp jarenlang vastgezeten. Maar de herinnering daaraan is volledig weggezonken of beter weggedrukt. Maar langzaamaan komt die tijd terug en overvalt hem, maar gelukkig is zijn vrouw Vera erbij en vangt veel op, of beter zij begeleid haar man, de zoete maar ook bittere herinneringen toe te laten en zelfs te koesteren. Dat lukt met tegenstribbelingen heel goed en effectief. Vooral het slotdeel met de taxichauffeur, die hen door Bandoeng begeleid, is scherp getekend. Hij blijkt een klasgenoot uit het Japanse mannenkamp te zijn, Otje, die de herinneringen steeds meer bij Chrissie van toen naar boven haalt, de positieve, maar ook de droevige feiten en vooral het feit dat hij, Chris Regensberg, als politicus zijn zwarte vriend in de steek heeft gelaten om na de oorlog naar Nederland te gaan en zijn vriend dan helemaal te vergeten.
Nu met de taxichauffeur en de kennismaking met het familieleven van zijn vriend Otje in Bandoeng wordt Chrissie met zijn neus op de realiteit van toen gewezen en komt er gelouterd en gezonder, ook beter uit te voorschijn. Het knappe van dit boek is, dat F. Springer het boek steeds spannender en boeiender geschreven heeft, zodat Chris Regensberg er inderdaad (meegeleefd door de lezer/es) hernieuwd uit naar boven komt. Dit is uitermate indringend door F. Springer in ‘Bandoeng-Bandung’ beschreven. Een citaat als slot van mijn verhaal.
Vera zegt tegen de taxichaufeur, die hen rondrijdt door het oude Bandoeng: ” ‘Rijdt u alstublieft heel langzaam,’ zei Vera. ‘Ik wil alles goed bekijken, en mijn man ook.’ ‘Stapvoets sadja, mevrouw.’ ‘Bent u van Bandung?’ vroeg ze. ‘Ja mevrouw, geboren en getogen Bandoengse jongen, van toen ze die naam nog met een Hollandse oe schreven. Nooit verder geweest dan mijn Bandoengse neus lang is, hèhèhè!’ ” Daarmee is alles gezegd, en Chris Regensberg trekt er zijn voordeel uit en wordt een beter mens. F. Springer is een goede Nederlandse schrijver, en dat staat vast!
Peter Starmans



