Vakantie in Finland

VAKANTIE IN FINLAND 2021

Ondanks corona mochten we ons toch deze zomer binnen Finland bewegen, voorzichtig wel, met soms een mondkapje voor (in bus en trein bijvoorbeeld) en altijd op afstand (anderhalf tot twee meter, moeilijk hoor, dat altijd in de gaten te houden), maar toch …

We zijn slechts twee dagen bij vrienden in Asikkala geweest. Kort maar krachtig laten we maar zeggen, zeer de moeite waard. Heerlijk zo aan het water van het meer Vesijärvi, op korte afstand van het Vääksy-kanaal, dat dit genoemde meer met het meer Päijänne verbindt. Het eerste water met Lahti aan de kust, het andere met Jyväskylä.

We zijn voorts een weekje bij een nicht van Kaisa in Kesälahti geweest, gelegen tussen het meer Pyhäjärvi, waaraan ons zomerhuisje gelegen was, en het meer Puruvesi. De week was mooi, niet te heet, zoals deze zomer wel grotendeels was, maar zonnig en fijn. Het zwemwater was op goede temperatuur, niet te warm niet te koud, rond de 20 graad!

Op beide plekken hebben we in korte tijd het een en ander beleefd, verrassend veel wel, maar ook indrukwekkend. Echt! Want vakantie is voor ons niet alleen rust, maar ook cultuur. In Finland kun je (zelfs in het zomerseizoen van corona) allerhand interessants beleven, naast uiteraard rust, sauna, wandelen, bessenplukken in de zomer en paddestoelenplukken in de herfst of gewoon lekker zwemmen.

En vooral viel nu het verschil met een Nederlandse vakantie op (op de waddeneilanden of in Drentre bijvoorbeeld, heerlijk!). In Nederland is vakantie vieren mooi, in Finland ook, maar zo anders!

 

ASIKKALA

Opvallend is uiteraard de rust overdags en 's nachts de stilte. Er zijn wat toeristen, maar niet teveel, geen massa's. Er zijn ontmoetingsplaatsen, restaurants of café's, maar ook die zijn niet overbevolkt, je kunt er smakelijk met elkaar eten en ongestoord converseren, zonder dat je je stem moet verheffen om de buren of het lawaai om je heen te overstemmen. Dat doet alleen al goed.

 

VÄÄKSY

Het Vääksy-kanaal werd een 150 jaar geleden geopend voor het waterverkeer. Met één sluis wordt het hoogteverschil (een meter of drie) tussen de twee grote wateren overbrugd. En deze waterbrug is niet eens erg lang, een paar kilometer slechts.

Dit kanaal was een tijdlang voor Finland economisch erg belangrijk, voor de houtindustrie vooral, want nu kon gekapt hout van Midden-Finland uit de omgeving van Jyväskylä probleemloos en stukken goedkoper via het water naar Lahti vervoerd en vandaar verspreid worden over de papierfabrieken en houtzagerijen in Zuid-Finland of geëxporteerd worden via Helsinki of Kotka naar het buitenland. Het economisch belang voor Finland is in dit opzicht uiteraard vanzelfsprekend.

Tijden geleden was het houtvlotten de goedkoopste en ook effectiefste manier, om gehakte bomen naar de industriecentra in het zuiden van het land te brengen, via Lahti uiteraard, dat toen een centrale functie had in het ruwhoutvervoer over water. Nu is het houtvlotten uiteraard verleden tijd, sinds de wegen voor vrachtvervoer per auto en ook de spoorwegen gemoderniseerd en ontwikkeld zijn en dus steeds belangrijker worden, omdat ze sneller zijn.

Een andere betekenis van het idyllische kanaal is er voor de toeristen per boot. Voor zeil- en motorboten, maar ook voor grote of kleine passagiersboten, want die kunnen nu zonder problemen een veel groter gebied bestrijken dan vroeger, toen het zuiden voor dit soort vrijetijdsbesteding kleiner, dus beperkter was. Dus toeristen waren er vele die van deze nieuwe mogelijke verbinding tussen uitgestrekte en schone wateren gebruik maakten.

De derde functie van Asikkala/Vääksy is haar betekenis als mooie ontmoetingsplaats. Vroeger waren het twee gemeentes, maar nu is Vääksy (dat een heel mooi dorp rond een meanderend riviertje vormt) opgenomen in de grotere gemeente Asikkala. Het kanaal is handig voor toeristen om verder te kunnen komen, maar is ook op zich heel mooi en interessant. Maar bovenal is de omgeving ervan is erg afwisselend, een zijtak van de Salpausselkä loopt er doorheen, als heuvelrug hoog, fraai bebost, ideaal voor loop- of wandelsport, met fraaie uitzichten en verrassende natuur, met veel bessen en paddestoelen in zomer en herfst.

Om een voorbeeld van de ontmoetingsplaats Vääksy/Asikkala te geven: de beter gesitueerden van Helsinki waren gedurende de zomer graag in deze streken, het was er mooi en rustig, je kon er genieten van de prachtige natuur en vooral: het was vanuit het zuiden gemakkelijk te bereiken. Vooral rijkere cultuurmensen voelden zich aangetrokken tot deze ontspannende streek, waar ze elkaar 'natuurlijk' konden ontvangen gedurende de zomer en waar ze ook in rust met elkaar konden discussiëren of overleggen. Bekende families zoals de Järnefelt's (jaja, Aino was de dochter en zij was getrouwd met Jean Sibelius!), zij hadden hier hun zomerverblijf. En het nu bekendste punt van ontmoeting was dat van Johan Richard Danielson-Kalmari, een alom bekend Fins historicus van de UvH, voorts een bekend Fins politicus en staatsraad van eind negentiende begin twintigste eeuw, toen Finland naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid streefde. Hij nodigde regelmatig in de zomer zijn collega's naar zijn zomervilla  uit, er zal dus daar in Vääksy zeer zeker geschiedenis gemaakt zijn, bij de maaltijd of in de sauna! Het huis is nu museum, toen wij er waren waren er een fraaie tentoonstelling van streekgenote Nanna Susi. Heel mooie schilderijen, waarvan een paar foto's.

 

KESÄLAHTI

In augustus waren we ook in een zomerhuis in Karelie. In het oudere plaatsje Kesälahti, idyllisch tussen het Puruvesi-meer (met zijn bekende muikut=kleine marene, heerlijk!) en het meer Pyhäjärvi gelegen. Wij woonden voor een weekje aan de Sinikivenlahti-bocht van het Pyhäjärvi, waar je heerlijk kunt saunen en daarna zwemmen in het frisse en o zo zachte Saimaawater.

CULTUUR

Kesälahti, weliswaar een vrij kleine dorpsgemeente, maar wel met een ruim cultuuraanbod.
We luisterden daar bijvoorbeeld op zaterdagmiddag naar een fantastisch pelimanni-concert en op dezelfde avond naar een wervelend vioolconcert door de bekende Finse vioolvirtuoos Pekka Kuusisto. Om stil van te worden. En de regen ruiste zachtjes op het hoge dak, heel passend!
Voorts was er een interessante tentoonstelling met werken van Kuutti Lavonen en zijn kunstenaarsvriend Pentti Hakala.
Die concerten beluisterden we in een niet meer gebruikte, enorme hooischuur van een kartano, mooi en origineel aangekleed en tot mijn verrassing met een voortreffelijke akoestiek.
De muziek was zowel volks ('s middags) als ook klassiek en modern ('s avonds), beide gebracht als een soort potpourrie. Heerlijk om mee te beleven!
De kleine tentoontelling van Kuutti Lavonen en Pentti Hakala was ook meer dan de moeite waard.
De een met prachtige, gevoelige, meditatieve beelden, de ander met abstracte schilderijen en originele, kleine hout-installaties.
Wonderlijk, dat zoiets in een klein maar actief Fins stadje wordt opgevoerd of tentoongesteld, en er waren ook nog genoeg bezoekers heb ik begrepen, fijn zo.
En … wat was het toch heerlijk zwemmen in een schoon Fins natuurmeer. Het water was al wat kouder, maar uitermate verfrissend en verkwikkend. Je zag vanaf het terras van ons zomerhuis een grote glinsterende waterplas, verlokkend in een natuurlijke, rustgevende omgeving. En stil dat het om je heen is, weldadig, echt waar. Overdags en 's nachts!

SAUNA

's Avonds zaten we heerlijk bij ondergaande zon in een savusauna bij vrienden. Wat is die hitte toch mild en strelend voor de huid, perfect vervolgd door een duik in het reine Saimaawater met een flesje bier erna! Een aanrader dus voor iedere saunafan.
Inderdaad is een electrisch verwarmde sauna ook wel ok, daar niet van, maar een met hout gestookte sauna is toch wel stukken beter en ... een rooksauna spant zonder meer de kroon, ook al moet je je handen wel tussendoor goed afspoelen vanwege het roet, dat op de leuning van het saunatrapje is blijven hangen en dus zonder meer op de handen of de armen van de bader of baadster terechtkomt.
Nog iets over de sauna. Wat is het geheim ervan?
Sauna maakt rustig en schoon.
Schoon uiteraard en dat zal wel de oorspronkelijke idee ervan zijn. Maar toch vooral ook schoon van binnenuit, en niet alleen oppervlakkig zoals bij een snelle douche.
En rustig maakt een sauna tevens. Overigens, die rust of dat vredige gevoel tijdens en na de sauna, daar wist president Kekkonen alles van. Hij ging welgemoed met moeilijke gasten, bijvoorbeeld uit Moskou, uitgebreid naar de sauna en in hun gesprekken daar, ontspannen en eerlijk (zonder kleren, dus zonder poespas, van man tot man, dus zonder eretekens) bereikte hij vaak wat hij wilde.        Een goede illustratie van Finse zakelijkheid. Van man tot man, of voor mijn part van vrouw tot vrouw, ok, maar niet mengen, dan gaan andere zaken een te grote rol spelen en dat is tegen de principes van de sauna. Er is uiteraard een uitzondering: het gezin en de familie. Maar liever niet zoals in Nederland vaak: allemaal gezellig bij elkaar in ons blootje. Dat kan uiteraard wel, maar is niet in overeenstemming met het echte wezen van de sauna.

WATER

Nog iets anders: het water van een groot Fins meer. Wat heeft dat toch vele gezichten.
Vlak en stil water, vooral 's avonds, als de zon aan het ondergaan is. Maar ook bij storm of harde wind, wat uiteraard grotere of kleinere golven veroorzaakt, soms vooral ook heerlijk om tegenin te zwemmen in dit vaak schone en zoete meerwater.
Dan weer rustig voortkabbelend water, wat meditatief aandoet en rust geeft, individueel misschien, maar vooral ook in gezellig samenzijn.
Ook mooi zijn wolken, in het water weerspiegeld, bij zonlicht of bij dreigende grauwzwarte wolkenmassa's bij een naderend onweer. Geweldig!
Nou ja, er zou zeker nog veel meer over te vertellen zijn!

Laten we hierbij maar nu laten. Het was ons overigens deze zomer weer eens te meer duidelijk, dat Finland niet alleen een uitgestrekt land is met bossen en meren, maar ook een land met sauna en zwemwater en tevens ook een land met cultuur, oude en moderne. Dat is fijn, nietwaar?

Met groet,

Peter Starmans

 

 

 

 


Nederlandse en Finse cultuur

Die cultuur (breed verstaan) blijft de laatste jaren wat mager bedeeld. Vroeger had je nog wel lezingen over Nederlands-Finse onderwerpen of Nederlandse filmvoorstellingen. Dat heeft echter in de moderne mediawereld weinig zin meer, zoals ook laten we zeggen het organiseren van goedkopere reizen naar Nederland. De wereld is zo veranderd. Prima, maar wat dan?

Zou het (naast het organiseren van een kerstviering, een tentoonstelling- of museumbezoek) ook niet nuttig kunnen zijn, wat meer aandacht via de site bijvoorbeeld te besteden aan boeken, aan Nederlands-Finse actualiteit in de media, aan historische relaties tussen Nederland en Finland?

Wat jaartjes geleden heb ik een blog onderhouden (Petrus, Hollantilainen ja Suomalainen), die zou ik weer in het leven kunnen roepen, zodat mensen die via de site of facebook of ook direct kunnen lezen en er eventueel op kunnen reageren.

Ik denk bij het bovengenoemde voorstel meer aan een soort ‘boekenplank’ met boeken die voor anderen misschien interessant kunnen zijn; of met vertaalde boeken, uit het Fins naar het Nederlands en uiteraard uit het Nederlands naar het Fins. Ik denk dan ook aan opvallende actualiteit, die met Nederland te maken heeft en in de Finse pers verschijnt. Er zijn zeker nog wel andere ideeën over, maar dit is slechts een voorstel om een begin te maken.

De echte, wat langere historische verhalen zou ik dan meer voor het Noorderlicht willen bewaren, zoals in het verleden ook al vaak het geval was. Aan een nieuw boek over de relaties tussen Finland en Nederland kunnen we nu vermoedelijk niet meer denken, maar ja, wie weet? We zijn al blij dat we er een stuk of wat (om precies te zijn vijf) hebben. Op deze manier zouden we samen met Dave (en Michel wellicht) en uiteraard het bestuur kunnen helpen, de site ook inhoudelijk wat aan te vullen. Hopelijk is er dan via dit medium dan ook meer interesse voor. Wie weet?

Met groet,

Peter Starmans


Hutspotavond + Herfst-ALV

Op zondag zes oktober waren we welkom in restaurant Rupla, waar eerst de herfst-ALV gehouden werd – waarover direct meer – en het daarna de beurt was aan de heerlijke haringen met ui en de hutspot in twee versies: een schaal met en een schaal zonder vlees, dus … zoals u wel begrijpt; al of niet een vega- of vege- of vegetarische maaltijd.

De avond was goed bezocht, er waren wel een man/vrouw of vijftig aanwezig, de haringen (ons door de Nederlandse ambassade aangeboden; ook dit keer door onze ‘hoffotograaf’ Arie besteld en verzorgd) die Hollandse haringen met uitjes waren vet en voortreffelijk, de hutspot zelf was heel smakelijk, de koffie of thee erna waren fijn. Dat alles heeft de prettige sfeer zeer zeker positief beïnvloed.

Het was dus gewoon als vanouds gezellig, en het voelde heerlijk aan, weer eens met allerhand Nederlanders of aangetrouwden bij te kletsen, fijn zo. En de afdeling drankjes (bier, sap, water, limonade etc.) was welverzorgd, en Guido had zelfs via Schiphol ervoor gezorgd, dat er na lange tijd weer eens een voortreffelijk borreltje heel oude jenever aanwezig was. Zalig en tot de laatste druppel leeggedronken (maar niet alleen door mij hoor).

Omdat de ALV vóór het hutspotfestijn plaatsvond, heb ik begrepen, dat er ook in de regio gevierd werd, in Jyväskylä, in Oulu, in Turku en in Tampere. Ook daar zal het wel gezellig geweest zijn. Voorts was het min of meer nieuw (tenminste voor mij), dat de ALV via skype op vijf plaatsen tegelijk gehouden werd, zonder al te veel technische problemen. De reacties van elders naar Rupla waren eventueel wat traag, maar wel duidelijk en meelevend. Een pluim voor Guido en zijn bestuur, dat het zover is gekomen. De regio hoort er meer en meer bij, goed zo!

De ALV verliep verder rustig en goed. Daarom wil ik er graag nog even op terugkomen.

Mirjan en Sanne hebben er de afgelopen tijd effectief voor gezorgd, dat de ledenlijst eindelijk eens bijgewerkt is. En verder dat slechts 7% de contributie voor 2019 nog niet betaald heeft. Dat is zonder meer verheugend. Sanne legde voor ons op een heldere manier de baten en kosten tegenover elkaar, ook via de duidelijke beelden met de nieuwe en voortreffelijke beamer van de NViF ondersteund.

De evenementen in 2019 waren ruim bezocht en er waren vooral ook meer bijeenkomsten, in Uusimaa, de kernregio, maar klaarblijkelijk ook in de regio. Sinterklaas overal, de ontvangst bij Nieuwjaar overal, het Koningsfeest overal, het Leidens Ontzet overal; tevens waren er nieuwe initiatieven zoals het (jammer genoeg wat minder goed bezochte) bezoek aan de museumfabriek Werla, en verder de mosselmaaltijd en regelmatige borrelavonden. Heel fijn zo, en vrijwel allemaal dus ruim bezocht door leden en geïnteresseerden, zodat we echt kunnen zien, dat de NViF weer volop levend is en een gezonde toekomst tegemoet gaat.

De digitalisering van onze vereniging is veelbelovend op gang gekomen, Dave en Michel zorgen er goed voor, maar hopen wel op meer bijstand, zowel technische als inhoudelijke hulp. Bij dat laatste wil ondergetekende wel graag zoals tot nu toe een rol spelen, bij dat eerste laat ik echter het initiatief graag aan jongere leden over, die de elektronica met de paplepel ingegoten gekregen hebben. De digitalisering heeft uiteraard alles te maken met de site, die er overigens nu al prompt uitziet, maar ook wel met de facebookpresentatie, met het Noorderlicht en andere publicaties. Bij die laatste twee zouden zonder meer leden hun steentje kunnen bijdragen, want een goede inhoud van de site en Noorderlicht is belangrijk voor een vereniging als de NViF. De afdeling foto’s is al goed verzorgd en zal zeer zeker verder ontwikkeld en gestroomlijnd worden door Arie, Dave en anderen.

Bas pleitte voor een deelname van het mkb (midden- en kleinbedrijf), in zoverre het Nederlanders in Finland betreft, aan de site, aan het Noorderlicht en wellicht ook aan de evenementen. Dat lijkt me fijn en effectief ook, want zo kunnen beginnende of al lopende kleinere firma’s (door Nederlanders gerund) tevens onder Nederlanders bekend worden en zorgen voor eventueel contact met hen of wederzijdse diensten. Dat zou ik een nieuw initiatief willen noemen en is zeker iets anders dan het zoeken van sponsors voor de vereniging. Die zijn goed verder, ook voor ons, maar dit is iets anders.

Sanna bracht naar voren dat het goed zou zijn wat meer voor de jeugd binnen het kader van de NViF te organiseren. Sinterklaas is al zoiets, maar zij dacht hierbij bijvoorbeeld aan filmmiddagen of -avonden. Uit het publiek kwam meteen de reactie (ook vanuit de Nederlandse school) dat de zaterdagschool al het een en ander doet. Dus toen werd het meteen duidelijk dat hechte samenwerking tussen de NViF en de Nederlandse school niet alleen te wensen is, maar ook gestimuleerd moet worden. Is de zaterdagschool toch ooit eind jaren tachtig uit de NViF ontstaan, nog wel onder mijn voorzitterschap! Een probleempje ontstond wel, omdat het begrip ‘jeugd’ (door Sanna geopperd) wat onduidelijk is: de jeugd van de zaterdagschool bijvoorbeeld of ook de jonge mensen, die daar al niet meer op zitten, de jongeren dus? Bovendien zitten niet alle Nederlandse kinderen in Finland op deze school. Daar zou de NViF een rol kunnen spelen. De discussie bleef wat vaag, maar dit idee is zeker voor ontwikkeling vatbaar.

Opvallend was ook de wens uit het publiek, meer aan gezamenlijke sport te doen. De NViF heeft al meerdere malen ijsloopwedstrijden mede georganiseerd, bijvoorbeeld door het meedoen met de Finse ‘Elfstedentocht’ in Kuopio of op het meer van Tuusula. Ik ben benieuwd wat hieruit voortkomt, sporten is uiteraard gezond en bindt samen, dus waarom niet ook binnen de NViF?

Met groet,

Peter Starmans


Leidens Ontzet

Een (ingekort) verhaal uit ‘Altijd roomboter’ (2005) van Nelleke Noordervliet, een levensverhaal over haar overgrootmoeder Engelbertha, die geboren was in 1856. Ze had als dienstmeisje gewoond in Arnhem, maar was verhuisd naar Leiden. ”Aanvankelijk had Engelbertha het niet makkelijk gehad in de vreemde stad … De volkrijke buurt bij het Galgewater keek niet op van een Arnhems meisje met een onwettig kind.”

”Leidens Ontzet. Een feest voor het volk. Voor mijn moeder was het elk jaar de aanleiding het eerste maaltje hutspot met klapstuk van het seizoen te koken. Mijn oudtante Toos … ging op 3 oktober steevast naar de feestelijke uitdeling van haring en wittebrood op het stadhuis.

In 1878 maakt Engelbertha haar eerste 3-oktoberfeest mee. Ze is dan tweeëntwintig, haar dochtertje is bijna vier maanden oud. Er is kermis. Niemand werkt. Al vroeg verzamelt het volk zich bij het stadhuis. Er wordt een aubade (= een ochtendhulde met muziek) gegeven door dankbare schoolkinderen aan wie het verhaal is verteld over de honger die het door de Spanjool omsingelde Leiden trof, zo erg dat er geen hond of kat meer te vinden was en burgemeester Van der Werff zijn eigen arm ter consumptie aanbood. Jonge meiden gaan gearmd over straat, gevolgd door kerels met hun handen in hun zakken, hun pet zwierig op één oor. Er wordt al vroeg gedronken, maar de ware dronkenschap wordt uitgesteld tot de avond. Eerst moet er nog volop worden genoten en geflirt en gevreeën en gevochten. (…)

Ze (Engelbertha) had zich net als haar vriendinnen aangemeld voor de uitdeling van haring en wittebrood door de studenten en ze mocht komen. Ze was kennelijk armlastig genoeg bevonden. ‘Het is maar één sneetje en een halve haring, hoor,’ waarschuwden ze haar. ‘Rijkelui zijn vrekkig, hoe denk je anders dat ze zo rijk zijn geworden.’ (…)

De notabelen en heren studenten stonden achter een tafel en controleerden de namen. Het tafellaken klapperde in de wind. Engelbertha rook de haring. Ze haalden allemaal een bord of een kom uit hun schort en vingen daarin hun portie op zodra ze aan de beurt waren. Er werd goedmoedig gekankerd op de hoeveelheden. Er werd geroepen om meer. De burgemeester had zijn zilveren ambtsketen om en stond te blinken in de zon. Zijn haar woei van de kale plek op zijn hoofd af. Het was een bespottelijk gezicht. Af en toe schudde hij iemand de hand en maakte een praatje. Achter hem stonden gewichtige lieden. Aan de gevende kant van de tafel: in het gelid, buikig, ernstig, plechtig. De armen aan de ontvangende kant: een roerige menigte met uitschieters van vloeken en lachen. Engelbertha nam haar stuk brood en haar vis in ontvangst.

‘Was Jezus maar een Leienaar,’ zei een man, ‘die zou dat ene broodje en die halve vis wonderbaar weten te vermenigvuldigen.’ Iedereen in zijn buurt lachte. Onder het afdak van de Vismarkt aten ze. Haar vingers roken naar haring. Ze veegde ze af aan haar schort. Leiden was anders dan Arnhem. Drukker. Levendiger.. Armer. (…)”


Peter Minuit

Fins-Nederlandse relaties

Peter Minuit

Zoals de meeste lezers wel weten, houd ik me veel bezig met de relaties tussen Nederland en Finland. Nu wilden ik hier drie relaties kort behandelen, die me dit jaar opvielen en die wellicht naar een verdere uitwerking verlangen.

Russell Shorto heeft een interessant boek geschreven over de geschiedenis van Amsterdam en ook een over de historie van Nieuw-Amsterdam. Dat laatste gaat dan uitvoerig over de beginjaren van de wereldstad New-York; de jaren vanaf 1609 (toen Hudson deze ideale handelsplek met een ideale natuurlijke haven aan de oostkust van Amerika vond) en 1664 (toen de Engelsen onder de beschermheerschap van James, de hertog van York, de Nederlandse kolonie overnam).

En nu zal ik het hier niet hebben over de laatste gouverneur Peter Stuyvesant, ofschoon er over hem veel geschreven is en het nog steeds niet helemaal duidelijk is, hoe we deze gouverneur van Nieuw-Amsterdam moeten plaatsen. Zelfs ook niet over hem, hoewel zijn sigarettenmerk ook in Finland overbekend geworden is en daarom een rokende relatie tussen Nederland en Finland zou kunnen illustreren. Maar toch niet echt, omdat dit wereldbekende sigarettenmerk helemaal niet Nederlands is, maar Duits; de firma Reemtsma is in Hamburg gevestigd en niet in Amsterdam, jammer maar waar.

Over wie zal ik het dan wel hebben? Over een eerdere leider in Nieuw-Amsterdam uit de jaren 1620 van de nog piepjonge Nederlandse kolonie in Amerika; en wel over Peter Minuit, die ook wel Peter Minnewit wordt genoemd. Een ras Hollander? Ja en nee! Wel een ras Nederlander, uit Wallonië namelijk! En ook een uitermate boeiende figuur, internationaal ingesteld, die via Samuel Blommaert ook met Finland te maken heeft gehad (Blommaert, vanaf 1636 consul van het Zweedse koninkrijk in de Nederlandse republiek) en Axel Oxenstierna (de machtige kanselier van Zweden onder Koning Gustaaf II Adolf en Koningin Christina). Deze relatie via de kolonisten namelijk, die uit Midden-Zweden kwamen en afstammelingen waren van Finnen uit Savo en omgeving, die genoemd werden: ‘Metsäsuomalaiset’, Bosfinnen dus.

Peter Minuit, foto: Wikipedia

Peter Minuit, begin jaren 1580 geboren in Wesel aan de Rijn, stammend uit Waalse ouders van Tournai oftewel Doornik. Peter kwam al jong naar Utrecht om diamantsnijder te worden, trouwde en ging in Kleef vlak over de grens in Duitsland wonen. Vandaar trok hij (zoals zovelen) naar Amsterdam, waar hij als vrije handelsman dienst nam bij de WIC. Die compagnie was officieel ontstaan na het twaalfjarige bestand (1609-1621), om o.a. de kolonie Nieuw-Amsterdam te gaan beheren en bevolken. Peter was een daadkrachtig zakenman, die wel wat zag in de handel tussen Nieuw-Amsterdam in Amerika en Amsterdam in Holland. Handel in beverpelzen bijvoorbeeld en misschien nog andere producten als goud of zilver of andere waardevolle ertsen. Dat wilde hij ter plekke gaan uitzoeken. Meerdere malen ging hij op en neer tussen de beide havenplaatsen en slaagde goed in zijn eigen werk. Een ondernemend zakenman was Peter Minuit, tevens een geboren leidersfiguur met natuurlijke autoriteit, moedig en doortastend (denk alleen maar aan de regelmatige zware zeereizen op en neer van Europa naar Amerika en terug).

Minuit was van nature communicatief begaafd en als vanzelf in staat goede relaties te onderhouden met de kolonisten, maar ook met zijn Amsterdamse bazen; voorts kon hij goed met de indianen omgaan, wat de gouverneur van toen (Willem Verhulst) juist niet kon. Onder andere daarom werd Verhulst na slechts een jaar in dienst te zijn geweest al in 1626 afgezet en naar zijn thuishaven Amsterdam teruggestuurd, om zich te verantwoorden bij de Heren van de WIC. De kolonialisten kozen toen tot hun nieuwe leider Peter Minuit. Hij werd vanaf 1626 met toestemming van de WIC de derde gouverneur van de Nieuw-Nederlandse kolonie.

Minuit vervulde deze functie goed en doortastend vanaf 1626 (toen Manhattan via hem ‘gekocht’ werd van de indianen) tot 1632, toen hij ter verantwoording bij de bazen teruggeroepen werd naar Amsterdam. Misschien omdat hij de vrije handel meer diende dan de wensen van de WIC? Hij was per slot zakenman en geen stroman van de WIC!

Kortom: Peter Minuit, overtuigd calvinist, was een sterke persoonlijkheid, die via zijn ouders Waals/Frans sprak, die Duits werd opgevoed, die Nederlands leerde en al snel ook talig goed kon communiceren met de internationale (!) groep kolonisten (Walen, Duitsers, Engelsen, Fransen, Hollanders), die via Amsterdam voor de WIC naar Amerika waren getrokken, als avonturiers of als vluchtelingen, vooral toentertijd vanwege de religie. Een allround man dus.

Toen hij terugvoer eind 1632 kwam zijn schip door een fout van de kapitein in het Zuid-Engelse Plymouth terecht. Het schip werd in beslag genomen en Minuit werd als schuldig aan bedrog gevangen gezet vanwege de toen nogal verwarrende en tegenstrijdige politiek tussen Engeland en de Noordelijke Nederlanden. Peter ontsnapte en belandde uiteindelijk in Amsterdam, werd toen na verhoor (ten onrechte wel) ontslagen door de WIC, zodat hij zich verbitterd afvroeg hoe het verder moest.

De Bosfinnen (‘Metsäsuomalaiset)

Via de consul van het koninkrijk Zweden in Amsterdam, de al genoemde Samuel Blommaert, kreeg Peter Minuit de kans, zich als ervaren en ook militaire leider van een eventuele expeditie van Zweedse oorlogsschepen met Zweedse onderdanen (en andere kolonisten) naar Amerika, in Amsterdam in te schepen. Dat gebeurde voorjaar 1638. Het koninkrijk Zweden wilde zich toen profileren als de nieuwe Europese grootmacht en wilde dus ook een eigen kolonie stichten. Minuit wist daar wel raad mee en stelde voor, het zuidelijke gedeelte van de Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland (of Nova Belgia) aan de kust van Oost-Amerika (rond de grote rivier de Delaware, toen de Zuid-rivier van Nieuw Nederland) te kapen, om daar een Zweedse kolonie te stichten. Dat deed hij graag, uit wraakgevoelens, maar ook omdat hij uit zijn ervaring ter plaatse wist, dat die streken rond fort Nassau zwak verdedigd werden door de WIC. En verder wist hij toen al donders goed, dat er daar veel te halen was! Niet alleen voor de Zeven Provinciën, maar ook voor de jonge grootmacht Zweden. Zo gezegd, zo gedaan dus.

De kolonie Nieuw-Zweden werd dus door Minuit via overrompeling gesticht en kon het zeventien jaar militair tegen de Hollanders volhouden tot 1655, toen Peter Stuyvesant uiteindelijk de Zweedse kolonie terugveroverde voor Nieuw-Nederland, waar Nieuw-Amsterdam de hoofdstad van was. Tussen 1638 en 1655 zijn er onder andere talloze Finstalige kolonisten vanuit Zweden en ook uit het toen nog Zweedse Finland naar het Delaware-gebied geëmigreerd en hebben daar in de loop van die bijna twintig jaren een bloeiende kolonie opgebouwd.

Schilderij: Eero Järnefelt

Een groot gedeelte van die genoemde Finnen noemt men nu Metsäsuomalaiset, Bosfinnen, omdat juist zij (veel beter dan andere, bijvoorbeeld Zweedse kolonisten) boservaren konden leven en alom bekend waren vanwege hun deskundige bosbouw, blokhuisbouw en het voor landbouw klaarmaken van afgebrande en gerooide bosstreken, de zogenaamde kaski-veldwinning. Zij waren dus voornamelijk houtarbeiders. Doordat deze Finse kolonisten graag in de bossen wilden wonen (de anderen vaak liever niet, die voelden zich veiliger aan het water), hadden zij ook een veel gemakkelijker en natuurlijker contact met de indianen van die streken. Dus indirect waren zijn voor de Zweedse handel goud waard!

Over deze Metsäsuomalaiset zou ik in de komende tijd aan de hand van goede studies erover nog wat willen nadenken, om dan later mijn bevindingen op papier te zetten.

Fins-Nederlandse relaties (1)

De relatie tussen Nederland en Finland moeten we hier zo zien:

Peter Minuit kwam uit de vroegere Nederlanden (Wallonië) en via Wesel aan de Rijn naar Amsterdam in Holland aan het IJ en heeft de Delaware-streek in dienst van de koning van Zweden (in 1638 Koningin Christina, vertegenwoordigd door rijkskanselier Axel Oxenstierna) veroverd. Minuit heeft de Zweedse kolonie gesticht en als efficiënt leider van het begin af aan met straffe hand opgebouwd. Dat hij al herfst 1638 meteen op de eerste reis terug naar Amsterdam (om nieuwe kolonisten aan te werven) bij een zware storm om het leven is gekomen, dat was weliswaar pijnlijk, maar zijn werk is effectief voortgezet, zowel wat de aanwerving van kolonisten voor als wat de opbouw en uitbreiding van de kolonie zelf betreft.

Meer en meer Metsäsuomalaiset kwamen daar in het Delaware-gebied in de loop der jaren aan. Zweden wilde deze Finnen ook wel kwijt, omdat Zweedse onderdanen (boeren vooral) vaak jaloers waren op deze effectieve, zo geslaagde Finnen. De Bosfinnen werden een belangrijke groep van de Zweedse en andere kolonisten. De Bosfinnen konden en wilden daarenboven ook de binnenlanden van de Delaware-streek koloniseren en zo het contact met de binnenlandse indianen met de daarbij behorende wederzijdse handel bevorderden.

De Metsäsuomalaiset werden dus belangrijke leden van de Zweedse kolonie Nieuw-Zweden, die onder leiding van de Nederlander Peter Minuit in 1638 gesticht was en op gang was gezet. Maar … zoals gezegd, daarover later!

Daniel Cajanus en Vincent van Gogh

Over twee andere thema’s zou ik een andere keer hier of elders wat uitvoeriger willen ingaan. Maar belangrijke thema’s in Finland waren ze wel in 2019.

Daniel Cajanus

Allereerst zou ingegaan kunnen worden op Kajaani en de opvoering aldaar in juli 2019 van de opera Daniel Cajanus. Dat is een groot succes geworden, maar heeft (naar mijn smaak jammer genoeg) te weinig aandacht gekregen van de pers en de media, wel enigszins maar niet erg uitbundig en algemeen. Terwijl het hier toch een uitgebreide en langdurige samenwerking betrof tussen Kajaani en Haarlem en er vele mensen aan beide kanten bij betrokken waren. Ik kan wel zeggen honderden.

Waarom deze gebeurtenis zo weinig aandacht getrokken heeft, weet ik eigenlijk niet. Het kan het feit zijn, dat Kajaani nu niet bepaald (vanuit het zuiden van Finland bekeken) in de buurt ligt, dus op grote afstand. Een andere reden kan geweest zijn, dat deze opera een keer of zes opgevoerd werd in de buitenlucht, tijdens de vakantie in Finland, en wel in het kader van het zomerse ‘kesäteatteri’, het zomertheater van Kajaani, wat uiteraard meer regionaal gericht is en niet zonder meer landelijk.

Nou ja, het verhaal van de reus Daniel Cajanus is niet nieuw, noch in Finland noch in Nederland. Arnold Pieterse heeft bijvoorbeeld in een Aviisi van 2017 een uitvoerig artikel over hem geschreven en de opera, die nu in Kajaani opgevoerd is, tegelijk met een kleine tentoonstelling in het plaatselijk museum, is een jaar of twee geleden met groot succes en sterke mediale aandacht in Haarlem voor het eerst opgevoerd (en tentoongesteld).

Het andere punt, waar we het zeker ook nog wel eens over zullen hebben, is de door het Didrichsen Museum van Helsinki aangekondigde Vincent van Gogh-tentoonstelling in de herfst van het volgend jaar (van september 2020 tot januari 2021). Daarover kan de lezer al wat lezen in mijn blog ‘Petrus, Hollantilainen ja Suomalainen’.

Het thema is, als ik het goed begrepen heb, de wording van Vincent tot de grote kunstenaar die we nu allemaal kennen. De tentoonstelling concentreert zich rond een veertigtal tekeningen van Vincent, twee schilderijen uit zijn latere periode en een ets, vermoedelijk de enige ets van hem, die hij in Auvers gemaakt heeft, van Gachet, de dokter en vriend van Vincent in zijn allerlaatste maanden. Ik zie met verwachting uit naar deze komende tentoonstelling. Zoals gezegd, ik was van plan ook daar wat uitvoeriger op terug te komen.

 

Met groet,

Petrus


Hoe nostalgisch zijn Nederlanders?

Rond 27 april, de verjaardag van koning Willem-Alexander, werd hier in Finland op meerdere plaatsen de koningsdag gevierd. Uitbundig en met velen tesamen. Fijn zo! Dat koningsfeest is inderdaad een mooie gelegenheid, om onze landgenoten weer eens te zien en te spreken. Waarom dus niet? In het Aleksis-Kivi-huis (Villa Kivi) in Helsinki waren een vijftigtal Nederlanders bij elkaar (of meer? Ik heb ze niet geteld), zittend of staand, met een glas wijn of een Heinekenbiertje in de hand. En … het was er gewoon gezellig.

Bij het om me heen kijken viel me vooral de kleur oranje op: oranje overhemden, oranje T-shirts, oranje bloezen, oranje stropdassen, oranje strikjes. Oranje lintjes heb ik eerlijk gezegd niet gezien, maar dat is geen verrassing in het buitenland. De wolken van de oranje lintjesregen hangen altijd boven Nederland, niet boven Finland, jammer maar waar. Ook de kleuren blauw-wit-rood waren overigens wel aanwezig, maar niet zo dominerend als oranje.

De hapjes van Camilla waren stuk voor stuk overheerlijk, maar vooral de brokjes oude kaas (Old Amsterdam?) werden opvallend gretig opgeprikt en graag opgepeuzeld, heerlijk! En toen er gefluisterd werd, dat er bitterballen werden opgediend, toen was het op sommige plaatsen ineens dringen geblazen. Een gloeiend hete bitterbal met heerlijke mosterd (het liefst toch wel Doetinchemse mosterd; maar ja, die heb je in Finland nu eenmaal niet), super, daar pleeg je toch een moord voor?
Na een speechje van de Nederlandse ambassadeur en de voorzitter van de vereniging werd het Wilhelmus uit volle borst meegezongen, door allemaal; vreemd toch, want we voelen ons immers niet erg Duits (maar wel Nederlands = diets!) en de koning van Spanje eren we toch ook allang niet meer, we weten vaak niet eens meer, hoe die heet.

De vraag die hier naar boven komt, luidt: zijn wij, Nederlanders in het buitenland, toch niet enigermate geneigd tot Nederlandse nostalgie, als we er de kans voor krijgen? Zo ja, waarom eigenlijk ook niet? Zo nee, waarom komen we dan hier bijeen?
Ik houd me voorlopig maar bij het ‘zo ja’! Want nostalgie is toch ook een beetje gezond heimwee naar ons eigen thuis, naar onze geboortegrond die we (hopelijk vrijwillig) verlaten hebben en die we ongemerkt zelfs enigszins idealiseren en personaliseren. Alsof het succes van het jonge Ajax (met de populaire veteraan Jari Litmanen in het achterhoofd) of het onverwachte succes van de zanger Duncan Laurence bij het Eurovisie songfestival een verdienste van onszelf is.

Hier voor me ligt nummer 2/2019 van het populaire tijdschrift ‘HOLLANDS Glorie‘, een fraai uitgegeven blad met interessante inhoud en veel foto’s. Ons wordt daarin een selectie goed geschreven artikelen en berichten gepresenteerd, die toch wel tot nadenken stemmen. Het tijdschrift opent met een fraaie foto van Deventer met het beroemde gedicht van Hendrik Marsman uit 1936 erop geplakt: ”Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan …” Overigens … Deventer ligt niet eens in Holland maar in Overijssel; en voorts is de rivier de Ijssel daar veel en veel minder breed dan de Rijn, de Waal of de Maas. Maar goed. Maar toch is het daarom op de keper beschouwd wel goed, dat het blad als ondertitel heeft: ‘Het mooiste van Nederland’. Anders zouden we denken, dat het altijd maar over Holland, Amsterdam of Rotterdam zou moeten gaan. Nee dus.

Onze geschiedenis komt in Hollands Glorie ruim aan bod, met bijvoorbeeld het ”landgoed Matanze. Gesticht met geld uit de door Piet Hein veroverde Zilvervloot, in de baai van Matanzas.”
Dat was overigens wel al lang geleden: in 1628 om precies te zijn!
Verderop in het magazine staat een vraag: ”Wie was Johan Maurits?” Natuurlijk was hij ook de bouwheer van het Mauritshuis in Den Haag, dat wel, maar verder? Het ‘beeldverhaal’ rondom hem was tot nu toe vrijwel positief, maar de laatste tijd vraagt met zich steeds meer met terechte zorg af, of hij ook niet een belangrijke rol in de internationale slavenhandel heeft gespeeld. En dat klinkt toch niet meer zo positief! In de tekst staat nu als aankondiging van een tentoonstelling over hem, notabene in zijn eigen Mauritshuis in Den Haag: ”Bewogen beeld. Op zoek naar Johan Maurits”. Het beeld van het beeldverhaal beweegt zich dus, we zijn opnieuw op zoek naar de waarheid van dit leven. En ook naar de waarheid van onze misschien wat al te nostalgisch positief beleefde geschiedenis.
Want dat bewegen van een beeld betekent nieuwe beeldvorming. Wij beroemen ons wel altijd op onze Gouden Eeuw, was het echter inderdaad alles wel goud wat daar blonk? Zeker niet! Denken we bijvoorbeeld maar aan gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen, of aan prins Maurits van Oranje, of aan de tragedie van de Molukken?
Onschuldig is echter wel de in Hollands Glorie vermelde historische aandacht voor een sympathieke, 19de-eeuwse jonkheer en tekenaar Pieter van Loon, wiens huis in Amsterdam niet voor niets een klein, maar interessant museum is.
Kort wordt ook het schip van de Engelsman (!) Henri Hudson, de Halve Maen, genoemd, dat in Hoorn als replica voor anker ligt. Diens ontdekking van Manhattan, van Nieuw Amsterdam, van New York heeft ons (Hollanders) toch wel goud opgeleverd. In vele opzichten. Maar daarvan wilden de Engelsen lange tijd niets weten.

Als stad wordt dit keer ruimschoots Amersfoort belicht; terecht toch, want op de verjaardag van Willem-Alexander waren hij, Maxima en de drie prinsesjes daar op bezoek, en hebben daar misschien gekoekhapt (Deventer koek wellicht?) en leuk gespeeld en gehost met Amersfoortenaars en hun kinderen. Ook wel enigszins nostalgisch toegejuichd door velen ter plaatse, en door anderen via teveebeelden of geïllustreerde bladen à la magazine Panorama. OK dan maar weer, want waarom ook niet? Amersfoort is heus wel de moeite van een bezoek waard; het is een oude, maar ook een moderne en goedverzorgde stad, met ”Muurhuizen, musea & moderne architectuur” en uiteraard met Piet Mondriaan, die er geboren is. Bij die architectuur denken we dan aan Rietveld. En wat onze geschiedenis betreft denken we aan de in 1619 vermoorde landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, in Amersfoort geboren.

In de (ook als boek uitgegeven) serie ‘Ons Dorp‘ komt dit keer een ”Drents dorp aan de brink” ter sprake: Zeijen. De tekst begint zo: ”Veel Nederlandse dorpen hebben hun karakter helaas verloren.
Zeijen gelukkig niet.” Vergane glorie dus, maar toch … de bewoners van nu hebben er een modern en functionerend geheel van weten te maken. En juist door dit nostalgisch en toch verantwoord streven is het een modern, attractief en ook toeristisch veelbezocht woondorp geworden, want ”Zeijen ligt perfect, niet te ver van Assen en Groningen”. Een oud dorp met een interessant verleden, dat bezoekers kan boeien, omdat het de bewoners zelf ook interesseert en ze inspireert, hun tradities in leven te houden. Ondanks de hoge, maar door brand en storm jammergenoeg meerdere malen geteisterde korenmolen, die nu volledig verdwenen is en niet meer opgebouwd wordt.

Nostalgie klinkt ook door bij ”Een stille parel tussen Maas en Waal”, een bijna verloren gegaan natuurgebied bij Heerewaarden in de Bommelerwaard, vlak aan de Duitse grens. Daar is het Fort de Voorn gelegen, een strategisch punt van waaruit prins Maurits van Oranje zich verdedigde tegen de Spanjaarden. Dat fort uit het begin van de zeventiende eeuw lag en ligt nog op een eiland tussen Maas en Waal, die daar toen letterlijk contact met elkaar hadden, in elkaar overvloeiden. Dat eiland was strategisch van groot belang ter verdediging van de dubbele invalshoek vanuit Duitsland naar de Nederlandse republiek. Fort de Voorn ligt nu in een gebied, dat opnieuw de aandacht krijgt van boswachters en fruitboeren. Het samenstromen van twee rivieren met volledig anders samengestelde watermassa’s heeft in vroeger tijden de flora en fauna van het gebied diepgaand beinvloed en verrijkt. Dit dreigt nu helemaal verloren te gaan. Maar door zorgvuldig wikken en wegen en ook uitproberen wordt er verstandig naar gestreefd, deze oude natuur zo veel mogelijk te
herstellen. Dat is dan een positieve invloed van oprecht gevoelde nostalgie.

Dat Nederland wat kookkunst betreft over het algemeen geen grote naam heeft, weten we heus wel. Een nostalgische herinnering daaraan is daarom de ‘stamppotbijbel’, die recepten verkondigt (want de bijbel en de bijbelse verkondiging behoort ook tot de nostalgische realiteiten van toen en nu): het gaat hierin over hutspot en boerenkool en uiteraard moderne varianten erop.
Maar toch … op het gebied van kokerellen kunnen moderne koks met hun heerlijk aanbod zich internationaal inderdaad laten zien en proeven. Dat lijdt momenteel verder geen enkele twijfel, dus uitgekozen worden hier in Hollands Glorie tien bijzondere restaurants door het hele land. Een daarvan, ’t Nonnetje, heeft mijn hart gestolen, omdat je daar voor een aardig prijsje ”met ziel en zaligheid” (hoe dat precies moet, weet ik eigenlijk niet zo goed) heerlijk kunt eten van wat de pot schaft in de vier seizoenen. Dus telkens wat anders, verfijnd en vakkundig klaargemaakt. Het betreft hier een klein, maar internationaal gewaardeerd ‘tweesterrenrestaurant’ in het oude Hanzestadje Harderwijk aan de noordkant van de Veluwe, in Gelderland dus.
Frappant was wel, dat in dit nummer van Hollands Glorie niet de Haagse hopjes, of de Delftse Calvé-pindakaas of de Goudse stroopwafels naar voren gehaald worden, maar vier andere ”Klassiekers. Prachtige producten van eigen bodem”. Dat zijn 1) de cacao van C.J. Van Houten & zoon, 2) het Flipje van Tiel, 3) de Piet Pelle-kinderfiets van Gazelle en 4) het volkoren graanontbijt Brinta.
De Gazelle kinderfiets is mij niet meer zo bekend.
Brinta heb ik veel moeten eten en was vlak na de oorlog een gezond volksvoedsel uit Groningen: ”Niemand de deur uit zonder een Brinta-ontbijt!”. Reinier Paping, die de Elfstedentocht 1963 won, werd na afloop van die barre tocht gevraagd, wat hij die ochtend had gegeten. ”Och, wat lichte kost” antwoordde Paping laconiek, ”een bord Brinta”.
Met Flipje van Tiel met zijn kersenjam van ‘De Betuwe’ ben ik opgevoed, vooral geliefd bij de kinderen vanwege het spaarprentenboek met ”De Avonturen van Flipje”. De jam smaakte ook wel, maar het ging hen vooral om de plaatjes van Flipje.
De cacao van Van Houten was zelfs nog lang in Finland populair. In het begin van de jaren zeventig stond er nog steeds een blik (nou ja, toen was het een kartonnen doosje geworden) van ‘Kaakao Van Houten’ in de keukenkast van mijn schoonmoeder en dat werd bij het bakken bijvoorbeeld nog volop gebruikt. Zo zie je maar.

Er zijn nog zoveel andere zaken, die onze nostalgie wakker kunnen roepen: Toon Hermans, Wim Sonneveld, Delfts blauw, kinderliedjes, sinterklaasliedjes en ga zo maar verder. Een voorbeeld van nostalgische hernieuwing is misschien: ”Koninklijk blauw Royal Delft komt met een nieuwe verzamelcollectie genaamd Proud Mary. Vernoemd naar Mary II, echtgenote van stadhouder Willem III en groot liefhebster van Delfts blauw.” Hieruit blijkt wel, hoe internationaal deze producten toen al waren en nu nog steeds zijn. Maar goed, je kunt er nu ook nog heel wat geld mee verdienen, en niet alleen met tulpen, amaryllissen of de kartiotuija (gepunte conifeer) Brabant!

Niet Toon Hermans dus, maar Rudi Carell wordt in Hollands Glorie naar voren gehaald. ”Hoe Rudi Carell de Duitsers gevoel voor humor gaf.” Tja, het buurvolk, dat menig Nederlander een diep trauma heeft bezorgd. De populaire tevee-showman Carell was er de man naar, die buren wat meer humor bij te brengen, door ze aan het lachen te brengen, ook hem maar ook over zichzelf. Hopelijk is hij daarin ook geslaagd, maar of Rudi een twaalftal jaren na zijn dood in Nederland nog veel nostalgie oproept, daar ben ik eerlijk gezegd niet meer zo heel zeker van.
Dan denk ik, dat Toon Hermans hier eerder op zijn plaats zou kunnen zijn, bijvoorbeeld door zijn invloed nu nog via You Tube! Denk maar aan zijn beroemde gehaktbal (geen bitterbal) of de pruimen van Jantje. ‘Jantje zag eens pruimen hangen, o als eieren zo groot.’ Wat leuk was dat!

Afsluiten kan ik nu alleen nog maar met een kinderliedje. Overigens … Nederlandse kinderboeken kom ik vaak tegen ter verkoop op onze eigen facebooksites. Daar bieden nog jonge moeders (of nog jonge vaders) met kleine kinderen die al groter geworden zijn, de boekjes van hun kinderen aan andere collega’s, die nog jonge kinderen hebben, aan. Helemaal mee eens overigens!
Het gaat in Hollands Glorie nu om een bericht rond een hotelletje met de mooie naam ‘Kort Jakje’, gelegen aan de ‘Kromme Jak’ in Zwolle. ”Altijd is Kortjakje … ziek! Dat krijg je ervan als je veel jenever drinkt en werkt bij de publieke toiletten. Zo lezen we in ieder geval in de 18de-eeuwse voorloper van het huidige kinderliedje.” Dit lijkt me met dit leuke liedje een goede afsluiting van deze wat stoute bespreking van een recent nummer van Hollands Glorie, waarin Holland toch wel moet staan voor Nederland. Want Zwolle, Deventer en Harderwijk liggen echt niet in Holland, maar in Overijssel of Gelderland. En ze zijn er trots op ook. Een beetje nostalgisch misschien, maar toch …

Mijn vader komt per slot uit Eys in Zuid-Limburg en mijn moeder stamt uit de stad Groningen (en een anderhalve eeuw eerder uit het westen van Duitsland). Dus niks Holland. En ikzelf ben geboren in de oer-katholieke stad Nijmegen, de stad van Petrus Canisius, dus ik heb niks met het ‘calvinistische’ Holland. Nou ja, zo sterk? Jaja, zo was het toen! De ‘stamppotbijbel’ zou ik eventueel als kind nog wel hebben mogen lezen, maar die was er toen nog niet. De bijbel zelf? Nee dat mocht in mijn omgeving eigenlijk niet. De bijbelse verhalen kwamen uit het kerkmissaal, ok, die waren dan voor kinderen (en volwassenen) wel genoeg, met de uitleg van de pastoor erbij uiteraard. Ook wel een beetje negatief (fragwürdig!), deze nostalgie, maar zoiets moet je en mag je en kan je tegenwoordig niet meer al te letterlijk nemen. En … eerlijk toegegeven: gelukkig dat die strenge tijd nu voorbij is. Ja gelukkig maar, want die verzuilde tijd was niet zonder meer: ”HOLLANDS Glorie.
Het mooiste van Nederland.” Nee, echt niet …

Met groet,
Peter Starmans


Prins Bernhard en Finland, 1952

”Heb je al gehoord van de zilveren vloot …?”

Jaja, in 1952 hebben de Nederlandse sportmannen en sportvrouwen bij de olympische winterspelen in Oslo in februari en bij de zomerspelen in Helsinki in juli en augustus alles bij elkaar wel acht zilveren medailles gewonnen. Is dat echter veel, als andere landen zoals Rusland, Amerika, Duitsland, Noorwegen, Zweden en zelfs Finland stukken meer punten en medailles verdiend hebben met hun prestaties? Prins Bernhard zei op 4 augustus na terugkeer op vliegveld Soesterberg in Nederland: ”Uit alles is gebleken, dat in Nederland op de scholen van begin af aan veel te weinig aan sport wordt gedaan.”  Jong geleerd, is oud gedaan, dat steekt achter deze opmerking. En dat was toen in Nederland volgens de prins niet zo. Wat de port betreft uiteraard! Met de organisatie van deze olympiade in Helsinki overigens was prins Bernhard meer dan tevreden: ”Nou, ik heb al heel wat Olympische Spelen in mijn leven gezien, maar ditmaal was het boven alle verwachting. Ik heb de grootste bewondering voor de geweldige organisatie.” (Volkskrant, 05-08-1952)

Rusland was in Helsinki ruim aanwezig (en dat zegt wat, nog in de Stalintijd!). Weliswaar wat apart gehuisvest in Otaniemi, in Helsinki dus wel, maar toch … een grote deelnemersgroep was het, met veel spontane, sportieve en culturele contacten (dans en muziek vooral) her en der, die hen verbonden met vele anderen uit de internationale sportwereld. Het Tsjechische echtpaar Emil en Dana Zatopek uit het enorme sovjetrijk van weleer werd toen al in oost en west op handen gedragen. Duitsland was er ook, maar jammergenoeg zonder sportmensen uit Oost-Duitsland. Toch waren ze in 1952 (in ieder geval wat sport betreft) in staat gebleken, enigszins samen te werken, dus: sport verbindt en scheidt niet!

Piet Hein! Piet Hein! Piet Hein, zijn naam is klein, zijn daden bennen groot (2x), hij heeft gewonnen de zilveren vloot (2x).

Acht maal zilver dus, maar een vloot, veel schepen dus medailles bij elkaar? Nee toch … Het koninklijke privéjacht van Juliana en Bernhard echter droeg in 1952 nog steeds trots, zoals we dat nog wel weten, de naam ‘Piet Hein’. Dit prachtige schip, dat ze bij hun huwelijk in 1937 van het Nederlandse volk hadden gekregen, is relatief groot (meer dan dertig meter lang) en vooral ook van binnen en van buiten erg mooi en representatief. Dit jacht werd  nu in juli 1952 naar een van de mooie eilanden voor Helsinki gevaren en diende daar, in de stad van de Olympiade, voor een dag of tien als aangenaam verblijf voor prins Bernhard en zijn twee oudste dochters, Beatrix en Irene. Een aangenaam oponthoud was verzekerd, afgeschermd van de pers, privé en toch duidelijk opvallend; en precies zo was het bedoeld. De officiële aankondiging in de Tijd van 11 juli luidde: ”(PIET HEIN naar HELSINKI): Het koninklijk jacht ‘Piet Hein’ is gisteren uit Amsterdam vertrokken met bestemming Helsinki. De tocht zal omstreeks tien dagen duren. Er wordt alleeen overdag gevaren. Het jacht zal in Finland als tijdelijke woonplaats dienen voor Prins Bernhard en zijn oudste twee dochters, die zich kort voor het begin der Olympische Spelen per vliegtuig naar Helsinki zullen begeven.” (De Tijd, 11.07.1952). Overigens kloppen de genoemde feiten uit dit berichtje niet helemaal!

De prins vloog zelf op zaterdag 25 juli de regeringsdakota van Soesterberg naar Malmi (en terug), werd daar persoonlijk ontvangen door de overal aanwezige hoofdorganisator van het Finse olympia-comité, Erik von Frenckell, en uiteraard door de Nederlandse gezant in Finland, minister Jan van der Vlugt (zo stond het in de Finse kranten!). Deze gezant is ons echter beter bekend als Theo van der Vlugt en hij was de tweede zoon van professor Willem van der Vlugt, die met zijn collega’s in 1899 het manifest ‘ProFinlandia’ aan de tsaar van Rusland wilde overhandigen. Wat toen niet lukte, jammergenoeg. Prins Bernhard en zijn dochters werden rechtstreeks van het vliegveld naar de ‘Piet Hein’ gebracht.

’s Avonds werd prins Bernhard dan (zonder de dochters) ten paleize door de president van Finland, Juho Kusti Paasikivi, samen met de Nederlandse gezant van der Vlugt ontvangen. Dus zo strikt persoonlijk of privé (zoals officieel aangegeven) bleek hun komst toch niet, althans zeker niet wat de prins betreft. Voor de prinsessen echter grotendeels wel; en zo was het ook gepland; en zo was het waarschijnlijk ook goed en verstandig van de ouders uit gezien. (vgl. HS van 3 augustus 1952). De twee jonge prinsessen (14 en 12 jaar oud) werden (soms met, soms zonder hun vader) begeleid door hun hofdame en/of de echtgenote van de secretaris van het gezantschap, Carolina Verdonck Huffnagel, en met hen in Helsinki beziggehouden. Caroline van der Vlugt was de oudste dochter van de gezant Theo van der Vlugt.

Van 26 juli tot 4 augustus waren prins Bernhard en zijn twee oudste dochters dus aanwezig bij de internationale olympische spelen van Helsinki, die echter reeds op 19 juli door president Paasikivi geopend waren. Ofschoon (zoals al gezegd) de reis van de prins en zijn dochters strikt privé was, zoals ook later uitdrukkelijk door de gezant werd uitgelegd tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse vereniging, waar ook prins Bernhard, maar tot verbazing van het publiek niet zijn dochters aanwezig waren, is het toch wel geoorloofd, hier wat kritische opmerkingen bij te plaatsen.

De officiële titel van prins Bernhard voor zijn aanwezigheid bij de olympische zomerspelen in Helsinki was: ‘chef d’équipe’, de officiële teamleider van de Nederlandse deelnemers aan de wedstrijden paardrijden. De resultaten van de Nederlandse ruiterij waren in Helsinki echter nogal bedroevend, al was de prins in hun midden. Maar dat ter zijde. Voorts heeft prins Bernhard in gesprekken met Erik von Frenckell het een en ander kunnen regelen bij de spannende maar ook nogal uit de hand gelopen waterpolowedstrijden, waar inderdaad niet alles naar de regels van het IOC verliep en waar de Nederlandse ploeg tot de kanshebbers behoorde. Maar goed, grotendeels was de prins toch ‘slechts’ een welkome en gezellige gast en toeschouwer bij allerhand wedstrijden die hem en zijn dochters interesseerden. Met name noem ik hier dan de ruiter- en waterpolowedstrijden en verder de zwemwedstrijden, die zowel de vader als de dochters enorm boeiden.

Verder was Bernhards aanwezigheid toch wel opvallend (ook in de Finse kranten) bij vele ‘aparte’ bijeenkomsten, zoals bij de gesprekken met Erik von Frenckell en andere organisatoren over de onregelmatigheden bij het waterpolo, of bij vriendschappelijk ontmoetingen met prins Philip, Hertog  van Edinburg, op de eretribune, of bij allerhand ontvangsten. ‘Aparte’ bijeenkomsten dus, zoals cocktails, diners en anderssoortige ontvangsten bij ambassades, bij de president van de Finse republiek, bij de stad Helsinki, bij het eigen Nederlandse gezantschap of bij de Nederlandse vereniging in Finland. Voorts wil ik ‘apart’ de kranslegging bij het graf van maarschalk Mannerheim vermelden, die een anderhalf jaar tevoren in Zwitserland  gestorven was en op Hietaniemi begraven lag/ligt. Maarschalk Gustav Mannerheim had uiteraard in vele landen door zijn levenswerk in Finland de internationale aandacht getrokken. En werd zo officieel in Hietaniemi door velen, ieder op zijn beurt, met een kranbs van dank en bewondering geëerd.

Opvallend was overigens daarbij vooral de uitvoerige aandacht van de Finse pers voor de Britse prins Philip (met vaak de jonge hertog van Kent in zijn kielzog); maar opvallend voor een Nederlander (zoals ik) was de ruime aandacht voor onze eigen prins Bernhard, die prins Philip uit de oorlogstijd en van de olympiade in Londen 1948 al kende en die duidelijk bevriend met hem geraakt was. Waarom dan die opvallende aandacht van de Finse pers voor hen beiden? Ook al waren er meerdere prinsen en prinsessen in Helsinki aanwezig, uit Scandinavië en Luxemburg bijvoorbeeld? Ik denk vanwege hun opvallende sportiviteit en masculiene populariteit. En ook wel vanwege het algemene en vaak deskundige meeleven met het olympisch sportgebeuren van de beide prinsen. In HS van 27 juli werd prins Bernhard betiteld als ‘ryhdikäs prinssi Bernhard saapui’, een vastberaden prins Bernhard kwam dus (in Helsinki) aan. Prins Bernhard vloog bijvoorbeeld zelf het vliegtuig naar Helsinki, prins Bernhard was enthousiast en actief (meestal met zijn dochters) aanwezig bij vele ruiterwedstrijden, bij het waterpolo, bij de zwemwedstrijden en hij had zonder meer aandacht voor de individuele sporter, vooral dan de Nederlandse, met of zonder succes. Jammer overigens, dat prins Bernhard de geslaagde ‘veld’-hockeyers (een zilveren medaille achter het welverdiende goud van de alom geprezen Indiase ploeg) en vooral dan de jammergenoeg in Helsinki 2x mislukte Fanny Blankers Koen in Helsinki niet meer ontmoet heeft; want die waren al rond of voor de aankomst van prins Bernhard met Beatrix en Irene terug naar Nederland gegaan.

Overigens wat het paardrijden betreft: prins Bernhard was dus uitdrukkelijk met de titel van ‘chef d’équipe’ (teamleider) van de Nederlandse ruitergroep naar Helsinki gegaan, wat toch geen verrassing was. Paardrijden was al bij koningin Wilhelmina (en prins Hendrik), maar ook bij prins Bernhard (en koningin Juliana) en zeker ook bij prinses Beatrix een van de meest beoefende sportsoorten, en dat succesvol.

Prins Bernhard was daarom en daarbij geëngageerd in het sportgebeuren zelf, maar was uiteraard door zijn unieke positie en zijn rijke ervaring als prins der Nederlanden tevens in het organisatorische en politieke en ook wel het zakelijke circuit thuis. Daaruit is ook toen zijn nadere bekendheid met Urho Kekkonen ontstaan, Urho Kekkonen, die in 1952 zowel lid was van het organiserende Finse olympische comité als minister-president van de Finse regering was. Urho Kekkonen heeft prins Bernhard meerdere keren bij allerhand gelegenheden getroffen en gesproken tijdens de vrij lange periode dat hij in Helsinki was: in het stadion, bij ontvangstevenementen, in gezantschappen en dergelijke.

Prins Bernhard kwam uiteraard ook naar Helsinki, om nader kennis te maken met de president van Finland, Juho Kusti Paasikivi, of met de premier van Finland en tevens lid van het Finse Olympisch comité, Urho Kekkonen, zelf van jongsbeen af een fervente sportsman. Het waren in de jaren vijftig politiek spannende tijden en Finland probeerde toen al ontspanning in het politieke gebeuren te brengen, door zowel sportlieden uit Duitsland als Rusland tot de spelen toe te laten. Dat zou een belangrijk teken aan de wand kunnen zijn. Voorts had Bernhard (zoals gemeld) contact met de burgemeester van Helsinki en de voorzitter van het Finse Olympisch Comité, Erik von Frencell; inderdaad de man, die de centrale figuur van deze olympische organisatie was en die ook (pas een paar jaar ervoor) met Petronella had kennis gemaakt; maar of over dat laatste met prins Bernhard gesproken is, daar ben ik (bij mijn kennis van de negatieve afloop van de hele affaire Petronella) niet zo heel zeker van.

Dat alles, de ontvangst en het verblijf van de prins en zijn dochters in 1952 in Helsinki stond uiteraard onder de bekwame regie van de toenmalige gezant van Nederland in Finland, de ons al bekende Theo van der Vlugt. In Finse kringen dus minister Jan van der Vlugt, aldaar en alom welbekend.

In ‘De Waarheid’ van 2 augustus 1952 staat een jammergenoeg niet ondertekend artikel onder de titel: ‘Zij die geen medailles krijgen’. Het gaat over de VIP-deelnemers aan met goed eten en sterke drank overgoten officiële ontvangsten van ministers, hun dames, generaals, ambassadeurs, directeuren etc. Zij werden weliswaar zeer goed ontvangen, maar deden eigenlijk niet mee, stonden buitenspel zogezegd, suggereerde de Waarheid. De sportieve deelnemers zelf hadden hierbij wat het materiële betreft het nakijken. Enerzijds wel enigszins waar, anderzijds toch ook weer niet. Is dit dus wel helemaal reëel? Wat zou er van zo’n olympiade terechtgekomen zijn, als die niet goed georganiseerd en internationaal geregeld zou zijn? Communicatie en samenspraak, samenwerking dus op allerhand niveaus. Verder is mijn vraag, of er in het Oost-Europa van toen niet een vergelijkbare elite bestond, terwijl het arme boerenvolk het nakijken had en de beroemde middenmoot vaak letterlijk een kopje kleiner gemaakt werd, als ze niet spoorden met de lijn van de baas en zijn elite. In 1952 leefde Stalin immers nog! Maar goed.

Twee opmerkingen bij dit artikel zijn lijkt me wel op z’n plaats:

Als de auteur (een zeer goed ontvangen journalist in Helsinki!) schrijft: ”… om vijf uur zaten zij (die elite dus, pst) al weer op de tea party van een zekere heer Rangell. Wie het is, weet ik niet. Hij kwam niet voor op het lijstje van deelnemers – de sportieve wel te verstaan.”  Ironie? Sarcasme? Domheid van de journalist? Sorry hoor, maar hier gaat het over een Finse minister, Jukka Rangell, die een belangrijke (uiteraard een negatieve en niet naar de zin van de sovjets gespeelde)  rol gespeeld had tijdens de vervolgoorlog en daarna door de sovjets ter verantwoording geroepen was. Getuigt het dan niet van domheid of opzettelijke onoprechtheid, om zo beledigend te schrijven? Zoiets noem ik niet meer geslaagde spot! Foei toch, meneer de communistische journalist!

Iets verderop maakt hij het nog bonter: ”Maar begrijpt u nou, wat Risto Ryto (zo geschreven! pst) in dat voorname gezelschap doet? Koning is hij niet en evenmin generaal. Neen, aan sport doet hij ook al niet. Kent u hem niet? Ryto, die van 1944? Ja, ’t is waar, hij is een paar jaar uit de circulatie geweest. Geinterneerd. Maar dat is voorbij. Gaat u nu een licht op? Ja! Precies! Hij sloot in 1941 (?,pst) dat pact af met Von Ribbentrop. Enfin, hij doet dus nu weer mee.” Zonder meer onsmakelijke prietpraat. En zoiets geschreven in Finland, in 1952, over president Risto Ryti, dat lijkt me wel erg ver gaan en niet helemaal in overeenstemming met de journalistieke regels van toen, zelfs niet van een communistisch denkende journalist.

Toen de prins en zijn dochters na het slotfeest van de Olympische Spelen Helsinki 1952 in Soesterberg geland waren op 4 augustus, werden ze hartelijk begroet door koningin Juliana. De Volkskrant van 5 augustus schrijft: ”Twee stralende meisjes in grijze jasjes en met witte mutsjes op sprongen van het kleine vliegtuigtrapje regelrecht in de armen van hun moeder. ‘Jongens, wat zien jullie er goed uit’, riep koningin Juliana, ‘hoe was ‘t?’. ‘Ongelofelijk fijn’, zuchtten Beatrix en Irene hartgrondig en meteen kwamen de verhalen los, kinderlijke verslagen over waterpolo, voetballen, zwemmen en hardlopen. Intussen was ook prins Bernhard uit de cockpit gekomen, gebruind en wel.” Beatrix en Irene waren dus gelukkig na deze vacantie en vooral ook gelukkig, dat ze in Helsinki, door de pers met name met rust gelaten waren. Ze  hadden meegeleefd met de sport en waren uitermate tevreden. En wat hun vader verder tussendoor had gedaan, dat interesseerde ze op dat moment waarschijnlijk nauwelijks, en dat terecht!

Om de prins nu ook even aan het woord te laten, gaat de tekst iets verderop zo verder: ”Vol trots toonde de Prins aan het kleine gezelschap dat ter begroeting aanwezig was, een mooi versierde oorkonde, waarmee hij in Finland tot ‘ridder’ was benoemd van de sauna. ‘O mam, die sauna was verrukkelijk!‘ riep Irene.” De dochters waren kennelijk dus ook in een sauna geweest en hadden ervan genoten. De prins uiteraard ook, misschien was hij wel af en toe met de Engelse prins Philip in de sauna geweest, want ook die was, als ik de Finse krantenberichten mag geloven, er ongelofelijk enthousiast over, telkens weer.

Ter afsluiting nog iets over de jubileumsportdag in het Amsterdamse stadion van de Olympische Spelen 1928. Deze grootse herdenkings-sportdag werd  op 10 augustus 1952 gehouden en uitvoerig beschreven in meerdere kranten, bijvoorbeeld in het Parool, in de Waarheid, in de Tijd etc.

Het Parool begint zo: ”Olympische revanches. Amsterdam, zondag. Het grote sportfeest in een vrijwel uitverkocht Olympisch stadion met in de ereloge koningin Juliana, prins Bernhard  en de drie oudste prinsessen is met een kleurrijk en goed geregisseerd schouwspel geopend.” Het ging hierbij om het bejubelen van de olympische deelnemers van de spelen in Oslo en Helsinki en verder om vriendschappelijke wedstrijden tussen Nederlandse sportmensen met buitenlandse deelnemers aan de olympiade Helsinki.

Een apart nummer van deze manifestatie wil ik even naar voren halen. Het ging over de afzonderlijke viering van een van de grootste sportvrouwen van Nederland en de Olympiade in Londen van 1948 en eigenlijk was het een heel roerend afscheid van haar. ”De Olympische fanfare van de cérémonie protocolaire weerklonk. Een sfeer van de Spelen, die door de deelnemers zeer werd geapprecieerd. … Daarna volgde het grote ogenblik voor Fanny Blankers-Koen, die naar het podium werd geleid om het officiële bewijs van de Taher Pasja-beker in ontvangst te nemen. Begeleid door de voorzitter van het N.O.C. … trad Prins Bernhard naar voren. De beker, aan Fanny Blankers-Koen door het Internationaal Olympisch Comité toegekend als erkenning voor haar grote verdiensten voor de sport, zowel wat haar prestaties als haar sportieve gedrag betreft, kon echter niet worden uitgereikt, daar deze nog in Lausanne stond. De athlete ontving daarom van Prins Bernhard een enveloppe met de mededeling dat zij voor een jaar in het bezit van deze onderscheiding was gesteld.” Fanny was diep ontroerd, maar haar hordenloop mislukte ook dit keer. Ze bracht het echter op, na haar val tijdens de race, de winnares van Helsinki, Shirley Strickland, ook dit keer oprecht en van harte te feliciteren met haar verdiende overwinning. Toen pas trad Fanny terug, en werd daarbij begeleid door een enorm applaus als dank. Dit was inderdaad het einde van de grootse sportcarrièrre van Fanny Blankers-Koen! Of ze op deze manier afscheid had moeten nemen van het grote publiek? Dat blijft uiteraard een vraag, die nooit beantwoord kan worden. Fanny had in 1952 haar tijd gehad en had misschien niet meer moeten deelnemen aan de wedstrijden in Helsinki of Amsterdam. Wie zal het zeggen? Maar toch: haar afscheid was indrukwekkend en warm.

Prins Bernhard heeft later nog regelmatig contact gehad met Urho Kekkonen, vooral nadat deze in 1956 president van Finland geworden was. Hen verbond de jacht (ofschoon die natuurlijk van president Kekkonen uit gezien meer sovjetwaarts gericht was) en uiteraard de economische belangen van beide landen; ik denk hierbij vooral aan scheepsbouw, hout- en papierproductie bijvoorbeeld.

Verder waren zij beiden later geinteresseerd en geëngageerd in het WWF, het World Wildlife Fund. Van dit WWF was prins Bernhard van 1962 tot 1976 de eerste voorzitter, een actieve voorzitter, die in de jaren zeventig ook president Kekkonen, rond de officiële staatsbezoeken van 1972 en 1974 over en weer, voor dit WWF engageerde.

Enige zakelijke correspondentie tussen Kekkonen en Bernhard direct heb ik in het persoonlijke archief van Urho Kekkonen in Orimattila gevonden. Dat zou verder te onderzoeken zijn. Maar algemeen geformuleerd: prins Bernhard was niet bezig of aanwezig als business-man voor eigen zaken, maar meer als bemiddelaar tussen de zakenwereld en de landen onderling, omdat hij een officiële vertegenwoordiger van een van beide partners was. Of Bernhard zich hier altijd aan gehouden heeft, is een goede vraag, waar later veel problemen in Nederland door ontstaan zijn. Maar in Helsinki denk ik, dat de formule nog wel klopte.

Overigens was prins Bernhard (en koningin Juliana) in 1952 vooral ook geinteresseerd in het politieke spel tussen oost en west, waarvan toen Finland al een belangrijke centrum was en (zoals we weten) steeds meer werd.

Kerava, februari 2019.

Peter Starmans


Marketta Hoogesteger, levend tussen Nederland en Finland

De regelmatige lezer/es van dit Noorderlicht zal zich zeker wel de leuke rubriek van Marketta Hoogesteger herinneren, waarin zij ons jarenlang in ieder nummer verraste met korte verhaaltjes over het verschil en de overeenkomsten tussen Nederland en Finland. Dat werd dan vooral gezien vanuit gewone gezinstradities en via rake opmerkingen van vergelijking tussen de beide landen. Dat vormde haar bijdrage aan het onderzoek van de relaties tussen Nederland en Finland, waarmee we al sedert 2007 (en eigenlijk al veel eerder!) volop bezig zijn geweest. En die verhalen van Marketta vormden een zeer waardevolle bijdrage daarvoor. Marketta is nu in april van dit jaar na een laatste fatale aanval van epilepsie gestorven. Ze is gelukkig gestorven, na een welbesteed leven naast de Nederlander Jan Hoogesteger, samen met hun drie kinderen, met hun kleinkinderen en adoptiedochter, die nog in Nederland woont.
In de jaren tachtig hebben de Hoogestegers in Lelystad gewoond, want Jan had zijn werk in de Oostvaardersplassen, het grote natuurreservaat op Flevoland tussen Almere en Lelystad. Daar in Lelystad zijn de drie kinderen geboren en naar school gegaan; daar heeft Marketta tijdens haar studie natuurgeneeskunde haar goede Nederlands geleerd; daar hebben ze naast hun kinderen hun adoptiedochter grootgebracht. Toen Jan uiteindelijk eind jaren tachtig zijn werk kon afronden en hij dus niet zonder meer aan werk in Nederland gebonden was, heeft hij, toen Marketta met haar studie klaar was en de kinderen al wat groter waren, zijn vrouw Marketta de kans gegeven, haar eigen werk in Finland te zoeken. Dat was eerst in Helsinki, in de reformwinkelbranche; later was dat in Iitti bij Kausala, waar ze deskundig lesgaf aan de volkshogeschool op haar eigen vakterrein, waarover direct meer. Jan heeft van toen af ook meer voor het gezin gezorgd, de tuin rond het huis in eigen rust laten groeien. Ze hebben dus geen fijn gazon aangelegd, maar meer een natuurlijke tuin, met allerhand wilde planten, struiken en uiteraard een appelboom en een groenteveldje. Jan heeft toen met collega’s van de universiteit Uppsala in Zweden meegewerkt aan natuurprojecten in Lapland.
Jan en Marketta waren dus gelijkgezinde en samen optrekkende partners in hun huwelijk, ze zorgden samen voor de opvoeding van de kinderen, ze zorgden en planden samen de tuin. Een tuin met de nodige kruiden, een veeltal aan wilde bloemen, maar ook verse groente; een tuin ook met speelgelegenheid voor de opgroeiende kinderen. Dat alles in en om een ruim en gezellig houten huis, waar ze woonden. Daar konden ze gasten en de vele broers en zussen van Jan met hun gezinnen telkens ontvangen, jaar in jaar uit, zodat het Nederlands van de kinderen redelijk op peil bleef. Het Fins was uiteraard geen probleem, dat hadden ze letterlijk al als moedertaal in hun Nederlandse jaren geleerd. Dus tweetalig waren de kinderen wel. Alleen de adoptiedochter (met haar gezin later) bleef in Nederland.
Ze vervreemde echter niet van hen, want ze kwam ook en dat graag regelmatig naar Finland. Fijn zo.
Marketta was altijd gelukkig Nederlandse gasten te ontvangen, omdat zij dan haar goede Nederlands nog eens kon aanslijpen, maar vooral ook, omdat zij zich als enigst kind zo thuis voelde in de grote Hoogestegerfamilie, die zo regelmatig (vooral in de zomer uiteraard) naar hen toekwam. En Marketta was een warme vrouw en ze bezat in zich de beste kanten van de Finse gastvrijheid. Ze was dat samen met Jan, met hun sauna, met hun bakken en koken, met hun activiteiten in de tuin, in de mooie omgeving van Iitti, Kausala en Jaala. Zo anders en zo veel natuurlijker dan Flevoland. Dat is overigens heus wel mooi. Met zijn op z’n Hollands ‘gemaakte’ polderland met hoge luchten, veel vogels en dieren, die het gras gratis maaiden voor de gemeente Lelystad. Hollands, de Nederlander maakt al eeuwen lang zijn eigen milieu.
Via de kerstviering en hun tuin hebben wij de laatste jaren Marketta en Jan ook beter leren kennen. Tijdens een kerstviering een paar jaar geleden kwamen we met hen aan de praat. Over de Finse en Nederlandse kerstviering uiteraard, maar ook over een wilde orchis (waarover Jan en Marketta in het Noorderlicht geschreven hebben), die ze ons zo graag in natura wilden laten zien. Die wilde orchidee (drie kleine exemplaren, maar prachtig geel van kleur) hebben wij voor het eerst gezien in 2017, op een zonnige dag, toen we bij de Hoogestegers graag te gast waren. Onvergetelijk! De hele dag hebben we gepraat over de Finse en de Nederlandse natuur, over het verschil en de overeenkomsten tussen de twee landen. Onder de machtige berken en naaldbomen, die in Lapland, Finland of in Nederland allemaal wel voorkomen, maar toch telkens in een andere vorm. Wat wisten de gastvrouw en gastheer veel van deze zaken af, daar heeft een stadsjongen en talenleraar als ik heel veel van geleerd, dank ervoor. Vooral voor de liefde voor de natuur die eruit sprak. En tevens de hartelijke Finse gezelligheid bij een Finse taart en koffie, na een gezonde Finse maaltijd, met heerlijke aardappelen en apart vlees, waarvan ik de naam weer vergeten ben. Het was in ieder geval smakelijk vlees van aparte Finse koeien.
Marketta was dus een geëmancipeerde Finse vrouw, ze runde samen met haar man het gezin, ze gaf graag en geëngageerd les, sprak en discussieerde in twee talen. Kortom, Marketta leefde in haar gezin als een moderne en gelijkberechtigde vrouw. Zelfs toen ze een aantal jaren voor haar dood gehandicapt werd en zich moeizamer en langzamer kon bewegen, bleef ze de hartelijke en open mens, die het centrum van het gezin vormde. Ze leerde meer aanwijzingen geven en goed delegeren. Mijn pet af ervoor! De kracht hiervoor haalde ze waarschijnlijk niet alleen uit haar aanleg en haar studievak, maar ook uit haar diepe geloofsovertuiging, waardoor ze bijvoorbeeld samen met Jan jarenlang trouw en actief naar de Nederlandse kerstviering in Helsinki kwam.
Marketta studeerde in Nederland het vak natuurgeneeskunde. Een vak, waarbij de dokter op een gezonde manier zoveel mogelijk geweerd wordt. Door de nadruk te leggen op gezonde voeding en gezond zorgen voor het menselijke lichaam, als tegenhanger van de noodzakelijke spirituele kant van het menselijke leven. Maar hierbij hoort dan ook de kunst van het gezond ziek zijn, dus het zo goed mogelijk en zo mogelijk op tijd weten, waar de oorzaak van een ziekte ligt, en dan te weten, wat je doen of laten moet. Hulp in de natuur om ons heen is er altijd wel. Hierbij hoort tevens de aandacht voor preventie van ziekte, dus gewoon het gezonde leven in de natuur, binnen en buiten, en in de jaargetijden. Iitti was voor zo’n leven waarschijnlijk een min of meer ideaal oord. Dat vonden Jan en Marketta in ieder geval.
Misschien ligt in dit ‘aardse’ (en moederlijke) zorgen voor het eigen lichaam en die van haar gezin ook het geheim van het (ver)dragen van de ernstige handicap, die ongevraagd kwam en geaccepteerd moest worden. Wie weet. De vruchten van haar studies en haar ervaringen gaf ze zeker door aan de vele leerlingen van de volkshogeschool in Iitti, en die dankbare leerlingen hebben het graag in zich opgenomen en naar omstandigheden weer verdergedragen.
Toen we Jan deze zomer opzochten om hem te condoleren en sterkte toe te wensen, wilde hij ons beslist iets laten zien: het arboretum Mustila in Elimäki. Dat is een groot park met rododendrons en azalea’s, groot en zelfs in deze droge en hete zomer overweldigend. De rododendrons waren jammergenoeg al vrijwel uitgebloeid, maar vele azalea’s stonden nog in volle bloei, in allerhand kleuren en soorten. Dat alles bijeengebracht door een man, die voor zichzelf en voor de Finse mensen om hem heen dit park wilde planten en ontwikkelen. Het was een genot om erin rond te lopen, zonder dat het geheel een gekunstelde indruk achterliet, want het park is mooi en weliswaar ‘gemaakt’, maar toch nu een natuurlijk geheel. Jan zei, dat het bezoeken van dit natuurpark jaar in jaar uit de wens was van Marketta. Men kan hier uitgebreid in rondwandelen en tegelijk genieten van de schoonheid en de effectiviteit van de natuur. Nou, indrukwekkend was het wel, heel mooi en stilmakend. Of er in dit natuurpark ook veel was, wat geneest, weet ik zo niet en dat heb ik Jan ook niet gevraagd. Het was al een belevenis, er gewoon te zijn en rond te dwalen.
Als afsluiting wilde ik een foto laten zien, die ik nam in Assen, vlak bij het stadsmuseum, waar Iran zijn best deed, de bezoekers van de fraaie en drukbezochte tentoonstelling IRAN te overtuigen van de oude culturen, die daar in Klein-Azië ontstaan zijn en die zo’n grote invloed gehad hebben op onze eigen Europese cultuur van vroeger en nu. Het is een foto van een rododendron daar vlakbij, maar dan als randbloeier, voor mij niet alledaags! Ook wel heel gaaf en zo anders dan die azalea’s in Elimäki.
Een ander verschil tussen Nederland en Finland voelde ik in het stadsgezicht vanaf het dak van het museum op de stad Assen, zo oerhollands en zo anders dan steden of natuur in Finland. We hoeven dan alleen maar te kijken naar het bomenlandschap en het uitgestrekte meer tegenover het huis van Jan en Marketta. Daarmee zou ik dan dit artikel willen afsluiten.

Met groet,
Peter Starmans


Een voorjaarsreisje door drie landen

Saint Malo bloemenpracht

Wat is dat toch wonderlijk. Al maak je via Nederland voor slechts een dikke week met vrouw en zus een busreis naar Frankrijk (naar Normandië en Bretagne), zelfs dan merk je duidelijke verschillen tussen Finland, Nederland en Frankrijk. Daar gaat het mij dit keer om.
En dat verschil zie of merk je heus niet alleen aan de wat hogere temperatuur: in Nederland was het wat sombertjes en druilerig, maar toch warmer dan in Finland; in Frankrijk was het al gemiddeld boven de 20 graad en vrij zonnig. Dat alles kan ook toeval zijn, zeker in deze tijd van klimaatverandering, maar toch… het zegt iets.
Opvallend was het wel, dat in Finland, toen we in de tweede helft van april weggingen, de winter met wekenlang veel sneeuw en kou nauwelijks voorbij was en de lente zich wel ergens al bescheiden liet zien, maar zeker niet uitbundig. In Nederland was het toen al aan alle kanten grasgroen, met tulpen en andere voorjaarsbloemen in overvloed en allerhand bomen al ver in knop. Loofbomen meestal en niet altijd telkens maar weer sombere naaldbomen. In Frankrijk was de natuur al echt zomers aan het worden, de bloemenpracht was daar in vele stadjes, in parken en op de balkons op zijn minst even overtuigend, zo niet overtuigender dan in Nederland. Veel meer kleuren, veel meer variatie in fris boomgroen en kleurige bloemenperken, het heuvelachtige boerenlandschap vaak geel gevlekt door bloeiend koolzaad op grote akkers of fris donkerbruin, waar dat zaad niet gestrooid was en ander gewas nog op zich liet wachten.

Wat tulpen en zo betreft dit keer ook een duidelijke verrassing: in Frankrijk wordt veel meer met fantasie gecombineerd met andere bloemen en andere kleuren, in Nederland is dat allemaal veel strakker, door brede en lange kleurstrepen wat monotoon, zelfs wat saai. In Nederland en België verder inderdaad veel keurige gazons rond dure huizen, dat wel, maar zo zonder fantasie. Dat alles uiteraard vanwege de business, de toeristen of de buren. Natuurlijk was de Keukenhof al open, een wereldberoemd, maar wat kunstmatig groot bloemenpark, waarop we zo trots zijn en dat (eerlijk hoor) een bezoek zeer zeker waard zou zijn. Dat wel, zonder twijfel, maar toch: toen we op Schiphol aankwamen en we naar buiten liepen, stond er daar een enorme rij mensen te wachten en te dringen, vooral mensen uit oosterse landen, die langzaam maar zeker naar voren, ergensnaartoe schoven. Uiteindelijk zagen we, waarnaartoe: naar bussen, die hen rechtstreeks naar de Keukenhof bracht. Toen zeiden mijn vrouw en ik tegen elkaar: nou, dat hoeft voor ons nu ook weer niet, al had ik graag de tulp Suomi-100 in levende lijve gezien. Niet dus, we gingen in alle rust maar naar elders, via Amsterdam en Den Haag.
O ja, Den Haag. Toen ik nog jong was, werd me altijd verteld, dat Den Haag eigenlijk een uit de kluiten gewassen en tegen elkaar aangegroeide groep min of meer grote dorpen is. Nou, dat klopt tegenwoordig in ieder geval echt niet meer! Als je via het geslaagde, nieuwe en enorm grote station, aan alle kanten en op allerhand manieren druk en vol mensen en hun gedoe, maar ook effectief, mooi en vol licht gepland en gebouwd, modern eigentijds, ok, als je dus aan de achterkant ervan naar je hotel loopt, moet je langs rijen enorm grote en hoge KPN-gebouwen, waar je echt U tegen zegt. Maar dat is met die ertussendoor slingerende tram op verhoogde railweg toch niet zonder meer typisch voor een groot dorpscentrum? Integendeel, Den Haag is een grote, bedrijvige bestuursstad, zoals Schiphol een groot en druk internationaal vliegveld is, beide zijn veel groter en imponerender dan Helsinki of Seutula, grootsteedser en europeser. Misschien gelukkig maar zo, ik weet het niet, maar een feit is het wel. Het verschil qua stadsontwerp en stadsleven met Finland is groot. In Helsinki of op Seutula zijn we echt in Finland, kleinschalig en overzichtelijk, in Den Haag of op Schiphol zijn we in Europa.
En als je dan via Brabant, door Vlaanderen naar Noord-Frankrijk rijdt, aangenaam in een nieuwe bus met een vakkundig chaufferende, ervaren reisleider, dan kom je in het noordwesten van dat lastige EU-land Frankrijk in een heerlijk rustige streek terecht, met kleine stadjes en dorpjes, heel aangenaam. Gelukkig maar, dat we een grote miljoenenstad als Parijs ver naar het oosten en steden als Rouen of het Vlaamse (sorry Brabantse) Antwerpen links laten liggen (in feite uiteraard rechts!), dat alles deed me echt goed.

Seine brug

Via Nederland, België en Frankrijk belanden we dan in de provincie, in een land van dorpjes, typische huizen, brede akkers en veel ruimte, dit maal een voornamelijk rustiek boerenland, waar de tijd nog normaal en rustig voortschrijdt en geen haast heeft, of vergis ik me nu toch? En dat alles via de Hollandse IJssel (ja ja of nee nee, de Gelderse IJssel is een andere rivier!) via Zeeland (een dorp bij Den Bosch, niet te verwisselen met de provincie), via Zaltbommel (met die beroemde brug over de Rijn) en Schoonhoven (wat een mooie naam eigenlijk), langs Lille (hé, dat heette vroeger toch Rijssel?) en Arras (was dat niet ooit eens het beroemde of beruchte Atrecht?) naar het zuidwesten, via Frans-Vlaanderen, Frankrijk in.

In dat Frankrijk reden we regelmatig over tolwegen, en zelfs over een prachtige tolbrug over de Seine, vlakbij de monding ervan in de Atlantische Oceaan. Die dure autowegen en kostbare bruggen moeten toch op de een of andere manier betaald worden? Misschien wel een goed voorbeeld voor Nederland en Finland! Die tolinkomsten van de rijkskas moeten vrij hoog zijn, want het verkeer is druk, van ‘s morgens tot ‘s avonds, en files hebben we meerdere keren meegemaakt, files van meerdere kilometers. In Finland heb je daarentegen nauwelijks files.

Mont Saint-Michel

Om dan uiteindelijk na een aangename dag reizen aan te komen in Pontorson, een stadje voor toeristen, die het vlakbij gelegen eilandklooster in de oceaanbocht tussen Bretagne en Normandië, de Mont Saint-Michel, willen bezoeken. Een prachtklooster, dat wel, maar qua inhoud nu niet meer te vergelijken met Valamo, waar nog echte monniken wonen, of Egmont aan de Noordzee, dat ook nog actief als klooster functioneert en als geestelijk centrum een belangrijke rol speelt. Hier in Mont Saint-Michel is er nauwelijks nog sprake van, maar toch… historisch is het een uiteraard hooginteressant en wereldberoemd bouwgeheel, een kloosterdorp, dat nu een veelbezocht toeristenoord geworden is met vooral in de zomer alle nadelen van dien. Vroeger had het klooster met het stadje aan zijn voeten veel meer betekenis, het was een politiek en geestelijk centrum en eeuwenlang een drukbezocht doel en een belangrijke pleisterplaats voor pelgrims uit heel West-Europa. Naar elders vaak pelgrimerend, bijvoorbeeld naar Santiago in de noordhoek van Spanje.

Van Nederland uit en misschien zelfs vanuit de Noordse landen van toen waren er zeker ook deelnemers aan zulke jarenlang durende pelgrimages.
Fougères is een oud stadje met een grandioos vesting-kasteel aan de voet ervan. Het kasteel zelf stamt uit de elfde eeuw en was relatief klein, meer een verblijfplaats voor de voogd en zijn mannen, maar de enorme groene binnenplaats bood in noodgevallen plaats aan de hele stadsbevolking en dat plein was omgeven door een dikke muur met wel dertien torens. Een sterke, vrijwel onneembare vesting! Het leek wel een combinatie van het groene Suomenlinna en het echte massieve kasteel Olavinlinna; in Nederland zou je kunnen denken aan het vestingstadje Naarden of aan de militaire vesting in Groningen, Bourtange. Imponerend wel, die enorme vesting Fougères, en in tijden van nood waarschijnlijk zelfs effectief, zo heb ik begrepen van de guide. In het stadje zelf kon je ook heerlijke Bretonse pannekoeken (galettes) en smakelijke plaatselijke koeken (crèpes) eten, zo populair als de stroopwafels van Nederland en wellicht de Karjalanpiirakat van Finland.

Het meest tot nadenken bracht mij de reisdag in de voetsporen van operatie ‘Overlord’, het invasieprogramma van de Amerikanen, de Engelsen en Canadezen (met hun helpers uit Polen of waar dan ook), via de Normandische kust Europa bevrijden van het Duitse juk. Operatie D-Day dus, vanaf 6 juni 1944, de operatie, die na zware tegenslagen het uiteindelijk geslaagde geboorte-uur van het nieuwe Europa na het Hitlerrijk betekende, het Duizendjarige Rijk, dat toen in de loop van minder dan één jaar moeizaam op de knieën werd gedwongen.

Pointe du Hoc

Die prachtig brede Normandische stranden, die vaak steil opstijgende rotswanden, nu zo vredig, maar in 1944 vol gevaar en dreiging, dat alles en de hele kust van noord naar zuid door de Duitse Atlantikwall verdedigd. Wat moet daar verschrikkelijk gevochten zijn, bijvoorbeeld op een van de uitspringende rotspunten van de kust, de Pointe du Hoc. Dat vielen de Amerikanen meteen aan en veroverden het uiteindelijk met grote verliezen aan manschappen en materiaal, om daarna door te kunnen stoten naar het binnenland en verder.
Het slagen van deze met zoveel precisie en weergaloos voorbereide invasie was zeker niet vanzelfsprekend en heeft enorm veel levens (van jonge mannen vooral) gekost. Daarom was het bezoek aan het Amerikaanse oorlogskerkhof ook zo indrukwekkend en stilmakend, al scheen de zon fel en verwarmend. Een tienduizendtal soldaten liggen daar onder witte kruisen op een groot kerkhof met het beeld van de herrijzende jongeling van de beeldhouwer Donald de Lue. Bij dit beeld moest ik denken aan de spreuk onder het Zeeuwse wapen: luctor et emergo, ik worstel en kom boven, ik vecht en overwin uiteindelijk. OK, maar ten koste van wat? Ten koste van vele, vele levens van jonge mensen, die ons zo met hun leven betaald bevrijd hebben. Het betrof hier inderdaad een herrijzenis, een weer er bovenop komen na moeilijkheden. Het land, of dat nu Frankrijk of Nederland betreft, dat kwam er wel bovenop, maar veel jonge militairen jammer genoeg niet.

Donald de Lue, herrijzenis

Hier kwamen bij mij ook de slachtoffers van de oorlogen in Finland tegen Rusland voor de geest en niet zozeer de relatief geringe aantallen Nederlandse verzetsstrijders, met alle respect ook voor hen! De geallieerden hebben in die tijd vooral geleden en de Finnen ook, maar dan zonder diezelfde geallieerden. Hier is juist het begripsprobleem actueel: van de ene kant de geallieerden en de bevrijding van Nederland van de Duitsers; van de andere kant de Finnen met de Duitsers als steun tegen de dreiging door de Russen. Nederland is bevrijd, Finland ook, maar het hoe en de achtergrond ervan is toch wel heel anders! Dit denkprobleem heb ik nooit bevredigend kunnen oplossen.
Omdat ik in Nijmegen geboren ben en de bevrijding door de geallieerden zelf als kleine jongen nog heb meegemaakt, heeft dit bezoek aan Normandië me wellicht meer geraakt. Ons huis werd in september 1944 voor langere tijd ‘bezet’ door een achttal officieren, in ons geval Engelsen. Wij moesten als gezin dan maar in de kelder slapen, maar dat deden we graag en vrijwillig, want de geallieerde soldaten waren goed voor ons en verwenden ons kinderen zelfs met repen chocola of zoiets! Het westen van ons land werd echter pas vanwege het mislukken van de luchtlandingen bij Arnhem na de hongerwinter 1944 in mei 1945 bevrijd.

Maar goed, deze geallieerde soldaten hebben ons en ons land toch maar bevrijd van het jarenlange juk van de Duitse bezetter. En deze bevrijding begon letterlijk en figuurlijk aan de stranden van Normandië en de militaire activiteiten van daaruit richting Frankrijk, België Nederland en verder. Overigens is er rond Nijmegen, Groesbeek en het Reichswald tevens enorm gevochten Op een van de heuvels aan de Zevenheuvelenweg (alom bekend door de jaarlijksdaarlangs wandelende Vierdaagse) ligt ook een ongelofelijk mooi en indrukwekkend kerkhof, het Canadese kerkhof.
Nu we hier in Finland in 2017 en ook weer in 2018 veel uit de nabije Finse geschiedenis van 1917 en 1918 herdenken, vooral hierbij dus rond WO I, hebben zulke plaatsen van herdenking (in Normandië zijn er talloze oorlogsmusea en omstreden plekken, zijn er uitgebreide kerkhoven van Amerikanen, Engelsen, Canadezen, maar uiteraard ook Duitse soldaten, vele, gesneuveld en grotendeels jong) iets heel aangrijpends en actueels. Op het Amerikaanse kerkhof, bij de Pointe du Hoc, bij de kunstmatige geallieerde haven van Arromanches, in het Memorial van Caen, dat bovenop de bunker van de Duitse generaal Richter bij Caen was gebouwd en een centrale rol speelde in juni 1944, en op vele andere plaatsen in Normandië. In Caen is vreselijk gevochten, In Bayeux en omgeving ook, in heel Normandië en verder.

Oorlogs kerkhof

Een van de in Finland spelende thema’s van nu is de vraag, wat Duitsland tijdens de WO I, maar ook tijdens de WO II (eigenlijk tijdens de Finse vervolgoorlog) voor de Finnen heeft betekend. Eenstemmigheid in het oordeel erover is nog steeds niet bereikt, maar steeds duidelijker voor mij wordt wel, dat de betekenis van Duitsland in 1918 en ook van 1941 tot 1944 voor Finland een heel andere geweest is, dan zijn betekenis in het eerst neutrale en in 1940 bezette Nederland voor de mensen daar (dus ook voor mij toen); of de betekenis van Duitsland voor de Fransen, die gedeeltelijk ook bezet waren door de Duitsers. In Finland was Duitsland de ‘Waffenbruder’, Finland is echter nooit een door Duitsland bezet gebied geweest, ook niet in 1918, toen de Duitsers via een invasie Zuid-Finland binnenvielen, met toestemming en medewerking van de Finse autoriteiten van toentertijd. En toen de witte regering hielp, de revolutie in Zuid-Finland te onderdrukken. Dat alles is voor ons Nederlanders, ook al woon je in Finland en houd je je er regelmatig mee bezig, nog steeds moeilijk te begrijpen.

Cancale schotel oesters

Opvallend was me tijdens deze reis, dat Normandië ook allerhand met de Vikingen te maken heeft gehad (de woorden Noormannen en Normandië zeggen dat al) en met de Engelsen. Willem de Veroveraar heeft toch lang geleden (in 1066) van hieruit Zuid-Engeland en de Engelse troon veroverd, onder andere door de slag bij Hastings, die in Bayeux met dat wonderlijk mooie en interessante wandtapijt vereeuwigd wordt. Maar dat alles heeft weinig met Nederland of Finland te maken.
De oesters van de Bretonse oesterkweekplaats Cancale leggen weliswaar een link naar het Zeeuwse Ierseke, maar de oesters daar in Nederland smaken anders dan de Franse, ze zijn beide lekker, daar niet van, maar het gaat om ander water en andere soorten. Dat heeft echter met Finland weinig van doen. Daarom is het goed, hiermee mijn artikel af te sluiten en te hopen, dat de lezer/es hiermee een indruk heeft gekregen, dat Normandië, Nederland en Finland in de loop van de geschiedenis zeker wel het een en ander met elkaar te maken hebben gehad.

Peter Starmans


Finland in 1918 en wat daarvóór lag …

Vorig jaar heeft Finland uitbundig en waardig de honderdste verjaardag van de republiek Suomi/Finland gevierd. Nederland deed van zijn kant ook mee met bijvoorbeeld een fraaie tulp ‘Finland 100’, met een jong, fris Fins berkenbos in Nederland en met een mooi jubileumboek over die afgelopen honderd jaar, die samen zo geslaagd en oprecht gevierd werden.

Nu is er een jaar van bezinning begonnen, waarbij trauma’s besproken worden, die bij de zwangerschap en de geboorte van Finland ondanks alles, ondanks of wellicht juist dankzij het positieve van de negentiende eeuw en eerder, ontstaan zijn. Jammer misschien van die trauma’s, maar toch wel waar. Want het was tijdens Finlands Russische tijd niet alleen stralende zonneschijn (ook dat overigens), er waren ook onverwerkte en gedeeltelijk ongeziene zwarte schaduwen die, als onder zware wolkenvelden, over dat uitgestrekte, maar ook dunbevolkte land in Noord-Europa heentrokken: stormen, buien, honger en kou met zich meebrengend.

Finland is eind 1917 inderdaad officieel en juridisch een onafhankelijk staat geworden, al snel erkend door meerdere landen, zoals allereerst door het bolsjewieke Rusland en aansluitend dan door Zweden, Duitsland, Frankrijk en later ook Nederland (op 28 januari 1918), maar toch … die zelfstandigheid betekende nog lang niet, dat het volk, dat zich had afgezonderd van Zweden en Rusland, reeds een perfecte eenheid vormde, dus al zonder vallen op zijn eigen benen kon staan, integendeel. Die hechte eenheid, die volksidentiteit, moest nog in de loop van vele jaren met inzet en moeite veroverd worden en is nog steeds niet volmaakt rond. Dat staat bijvoorbeeld beschreven in het jubileumboek ‘Finland, 100 jaar onafhankelijk’.

Finland is voor velen het land en de Finnen, het volk van de Kalevala, van oude volksliederen en volkssagen; voorts is het een daaruit voortvloeiende smeltkroes van nationale literatuur, muziek en schilderkunst, zoals we die hebben leren kennen via bijvoorbeeld Aleksis Kivi, Jean Sibelius of Akseli Gallen-Kallela. Het lijkt ons nu wel, alsof die Finse cultuur als vanzelf naar boven is gekomen en niet door gezamenlijke daad- en wilskracht gemaakt is (of in ieder geval opgeroepen), gemaakt wel door grotendeels Zweedstalige Finnen in de negentiende eeuw, de eeuw van het groothertogdom Finland onder het tsarenrijk Rusland. ‘Grotendeels’ schrijf ik, want inderdaad was Alexis Kivi een uitzondering, hij was Finstalig en dat heeft hij geweten ook. Door grotendeels Zweedstaligen dus, voornamelijk mensen uit de eliteklasse van het grootvorstendom, die het weliswaar echt en eerlijk goed met het Finse volk meenden en het vooruit wilde helpen, om een zelfstandig en een eigen volk te worden, maar die toch tot de Finse elite bleven behoren. Die positieve volksontwikkeling leek overigens langzaamaan wel te lukken, maar de terugslag van opstand en onderlinge strijd in 1917/1918 was erg groot en kwam voort uit diepe en voorlopig nog onverwerkte lagen en instellingen van de mensen, die dit land bevolkten.

In 2017 is er hier een boek verschenen met de titel ‘1917, Suomen synty’: 1917, de geboorte van Finland (een boek van Ilkka Enkenberg). Dit boek heeft me geboeid, maar heeft me ook stevig aan het denken en verder onderzoeken gezet. Eind 1917 is Finland inderdaad geboren, maar daarvoor is het negen maanden lang (dus vele jarenlang, veel meer dan een eeuw) als in een moederschoot ontwikkeld en van foetus tot een levensvatbare baby uitgegroeid. In welke moederschoot? In die van het oude moederland, het ‘emämaa’ Zweden? Of in die van het rijk van de tsaar in Sint-Petersburg, het ‘isänmaa’ Rusland? Concreet toch wel in die laatste. Maar toch … het Finland van de negentiende eeuw werd lange tijd in principe door de wil van de tsaar zo gelaten, zoals het als Zweedse oost-provincie vanaf de zestiende eeuw (en vroeger) geweest was.

Van alles en nog wat passeert de revue in dit boekoverzicht van 1809 tot 1917: de eigen, oude Fins-Karelische cultuur, de talenkwestie, de relatie met Rusland, de houding tegenover Zweden, het ontstaan van een eigen literatuur, eigen muziek, eigen schilderkunst, eigen politieke lichamen, eigen geld, eigen post en noem maar op. Hoe kunnen we dit alles nu begrijpelijk samenvatten?

Laat ik beginnen met de naam te noemen van een man, die een enorm grote rol heeft gespeeld bij de emancipatie van het Finse volk in de negentiende eeuw: Johan Vilhelm Snellman (1806-1881).
Hij was de geboren leider in gesprek met de intellectuele, vooral Zweedstalige bovenlaag van Finland en met de elite van Rusland tot aan de tsaar toe! Van Snellman is de leus overgeleverd: ‘yksi kansakunta, yksi kieli‘, één volksgemeenschap, één taal, met opzet door mij in het Fins geciteerd, ook al was Snellman Zweedstalig van geboorte en heeft hij het Fins nooit echt goed geleerd. Snellman verdedigde tot aan zijn dood het standpunt, dat een homogeniteit van het Finse volk (een eigen identiteit dus) alleen maar kon ontstaan, als het zich rond één taal, het Fins, concentreerde: de Finse taal met uiteraard alle culturele verschijnselen eromheen, die daarin en daarmee verworteld waren. Snellman ging in zijn streven erg ver: hij wilde het Zweedstalige in Finland het liefst officieel uitschakelen, niet kleineren overigens, want hij hield erg veel van zijn thuis geleerde moedertaal. Maar goed, de status van de Zweedse taal in Finland, daar wordt nu in 2018 nog steeds over geredetwist en een goede oplossing ervoor is nog steeds niet gevonden. Snellman ging zelfs zo ver, dat hij als officiële taal van de toentertijd nog niet geboren natie alleen het Fins wilde accepteren; en het Zweeds in die toekomstige natie dus naast laten we zeggen het Duits of het Frans als communicatietaal en als tweede ‘school’taal zeer zeker wel wilde stimuleren, maar niet als officiële en ambtelijke taal. Klinkt dit niet als standpunt heel modern?

Overigens zijn we nu al bij de scholing van het toen nog op vele punten onderontwikkelde en ook wel onderdrukte Finse volk. Cygnaeus, Snellman, Lönnrot en vele anderen streefden ernaar, het schoolwezen in heel Finland te ontwikkelen, en dat is ze beetje bij beetje nog gelukt ook, fijn zo! In 1917 konden inderdaad de Finnen van hoog tot laag Fins lezen en schrijven en meestal nog veel meer. Dat hadden ze op school geleerd, in de ‘volksschool’ (wij zouden nu zeggen: via het basisonderwijs), en uiteraard ook op andere scholen als ambachtsscholen, landbouwscholen, hogescholen of universiteit. Daar werd Fins meer en meer ook de onderwijstaal. Aan de organisatie en bouw van de scholen zelf, overal in het uitgestrekte land, en zeker ook aan de opleiding van goede Finstalige leraren werd van alle kanten gewerkt, en dat met succes!

Een tweede naam wil ik hier nog noemen, ook van iemand die van huis uit Zweedstalig was, maar Finstaligheid propageerde, want – zoals de lezer(es) langzamerhand wel begrepen heeft – heb ik op zich helemaal niets tegen Zweedstaligheid. Integendeel! Maar hier gaat het echter om een nationaal, zelfs politiek principe, en niet zozeer om een persoonlijke smaak of een niet ter zake doende opinie.
De tweede naam, die van de zwerver en arts Elias Lönnrot (1802-1884), moet nu vallen: de man van het Kalevala-epos vanaf 1835, de man van de Kanteletar, een grote verzameling van volkspoëzie uit 1840, en ook de man van het monumentale Zweeds-Finse woordenboek als sluitsom aan het eind van zijn leven (begonnen in 1860, voltooid in 1880). Wat een rijkdom aan materiaal op het gebied van taal, literatuur en cultuur heeft hij ons daardoor gegeven; zo veel, dat de studie ervan nog steeds niet afgesloten is.

Kalevala is een Fins oersymbool geworden via het beroemde, door Lönnrot samengestelde epos, belangrijk ook voor de muziek van Sibelius of de schilderkunst van Gallen-Kallela en vele anderen. Toen de Finse media in 2004 het Finse volk opriepen om de grootste Finnen aller tijden op een rijtje te zetten, kwam Elias Lönnrot op de zesde plaats terecht! Na Agricola natuurlijk, de vroege vader van de Finse taal, en Urho Kekkonen en Aleksis Kivi, maar nog vóór Mannerheim of Sibelius. Jaja, het is me wat!
Ik noemde Lönnrot overigens een ‘zwerver’: hij zwierf inderdaad maandenlang door Finland, vooral dan door Savo en Karelië, om liederen (met melodie het liefst) te zoeken, en om namen van planten, bomen en allerhand anders uit de Finse natuurlijke omgeving bijeen te garen. Lönnrot was een ras-verzamelaar, zoals bij ons toen een Guido Gezelle in Vlaanderen was en bij de Duitsers misschien (in de zestiende eeuw) een Martin Luther. Fantastisch, om zo enorm veel culturele schatten voor toekomstige generaties te verzamelen als een rijke ‘Fundgrube’ (een rijke bron), zoals de Duitsers dat zo prachtig kunnen formuleren.

Om nu een lang verhaal wat korter te maken: in het grootvorstendom Finland als deel van het Russische tsarenrijk gebeurde in de negentiende eeuw allerhand, zodat de foetus Finland uit kon groeien tot een min of meer gezonde baby, in ieder geval levensvatbaar, maar voorlopig nog niet veel meer.

Over het ontstaan van een eigen Finse cultuur hebben we al gesproken.
Het hoogtepunt daarvan was wel de beroemde wereldtentoonstelling in het Parijs van 1900, toen het paviljoen van Finland wereldbekendheid kreeg, en dat terecht vanwege de oorspronkelijke originaliteit!
Over de literatuur en de taal hebben we ook al gesproken, als extra naam noem ik hier graag ook de Zweedstalige Johan Ludvig Runeberg uit Porvoo (1804-1877), de dichter van het Finse volkslied en schrijver van patriottische verhalen uit de Krimoorlog, vertellingen over vaandrig Staal (‘Fänrik Ståhls sägner’).
Over de muziek hebben we het ook al enigszins gehad. Daar wil ik nog de naam van Oskar Merikanto aan toevoegen, maar ik wil er hiermee vooral ook op wijzen, dat met name het muziekleven in Viipuri (=Wyborg) rond 1900 rijk en veelzijdig was. Viipuri was toen in het oosten van het groothertogdom Finland een cultureel belangrijke plaats (en niet alleen dat!), naast Helsinki en Turku bijvoorbeeld.

Voorts waren er in de eerste helft van de negentiende eeuw zeer actieve ‘herätysliikkeet‘, protestantse reveilbewegingen, waarbij ik in Finland vooral de naam van Ruotsalainen naar voren wil brengen, Paavo Ruotsalainen, een lutherse lekenspreker en tevens prediker, alom tegenwoordig in het toen nog landelijke Finland! Of we het er nu mee eens zijn of niet, deze algemeen Finse, maar ook Europese, religieuze reveils hebben een grote invloed gehad op het ontwaken van het gewone volk, in Finland maar ook elders. Niet voor niets hamerde deze populaire fanaat Paavo (gedreven door een hoog, christelijk ideaal) op het feit, dat iedere christenmens (en dat waren toentertijd vrijwel alle Finnen) een individu is: ‘Sinä olet yksilö!‘, jij bent een individu! Dat was toen echt nog iets nieuws voor velen: voor de keuterboertjes, voor knechten en dienstmaagden, voor seizoenarbeiders.

Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen ook landelijke organisaties op. Organisaties in de vorm van bonden zoals de ‘Maalaisliitto‘, de plattelandsbond of misschien beter vertaald: de boerenbond. Door deze bond kregen de vrije, meestal kleine boeren (tegenover de rijke grondbezitters overal in Finland, vooral dan in het zuiden) en ook wel de onvrije boeren, de ‘torpparit’, en de geknechte landarbeiders een officiële spreekbuis.
Verder organisaties in de vorm van een politieke partij zoals de SDP, de Sociaal Democratische Partij, die vooral de rechten van de arbeidnemers, meestal industrie-arbeiders vertegenwoordigde. En zelfs in het wat achterlijke Finland ontwikkelde de industrie zich langzaam maar zeker, zoals elders ook. Met alle voor- en nadelen van dien!
Ook belangrijk was bijvoorbeeld het in leven roepen van een ‘boerenleenbank’, de KOP, de Kansallis Osake Pankki, een soort coöperatieve bank, waarbij de financiële onderhandelingen in het Fins konden plaatsvinden. En dat was toentertijd nog echt geen vanzelfsprekendheid! En tevens wil ik hier Pohjola noemen, een nog steeds bestaande verzekeringsmaatschappij, die vooral bedoeld was voor Finstalige klanten.
In het algemene partijenlandschap werden steeds meer aparte groeperingen actief, die wedijverden voor de Finse zaak: de Fennomanen, de ‘Nuorsuomalaiset’ (de jonge Finnen) en andere groepen.

Door de russificeringsgolf onder tsaar Nicolaas II in de jaren negentig van de negentiende eeuw ontstond er veel onrust en ontevredenheid in Finland. Daarbij dreigden de politieke rechten van het grootvorstendom sterk en radicaal beknot te worden. Door de benoeming in 1898 in Finland van de zeer strenge en principiële Russische Gouverneur-Generaal Bobrikov, die in 1903 door Eugen Schauman vermoord werd, werd de anti-Russische mentaliteit onder het volk alsmaar feller. Onder Bobrikov werden bijvoorbeeld steeds meer belangrijke posten in Finland door Russen bezet. De officiële taalpolitiek veranderde en daarbij werd het Russisch tot eerste ambtelijke taal gebombardeerd, terwijl het Fins en zelfs het Zweeds verder alleen nog maar officieel ‘geduld’ werden. Sociaal gezien een ramp natuurlijk! En dat zette daarom veel kwaad bloed. De Russische schoolpolitiek viel bij de Finse onderdanen slecht, en zo kunnen we wel verder gaan. Daardoor werd het volk steeds onrustiger en bozer.

Op 20 maart 1899 werd er zelfs een adres van het Finse volk aan de tsaar, ‘Keisarille – Suuriruhtinaalle Suomen kansan adressi’, aangeboden, door de tsaar echter niet aanvaard. Dit adres was door meer dan 500.000 (!) Finnen uit het hele land ondertekend en werd door 500 (!) volksafgevaardigden per trein naar Sint-Petersburg gebracht. En juist dát heeft het zelfbewustzijn van velen onder het volk (ook van de ‘grauwe’ massa) opgewaardeerd en wakker geschud.

Hierbij sloot zich dan de door een grote groep geleerden uit Europa ondertekende petitie ‘Pro Finlandia‘ van eind 1899 aan. Die petitie liet een krachtig protest vanuit Europa horen, ter verdediging van de politieke rechten van het Finse volk. Een college van zes hoogleraren, waaronder de beroemde Finse poolonderzoeker Adolf Nordenskiöld en de Nederlandse jurist Willem van der Vlugt, brachten ‘Pro Finlandia’ naar Sint-Petersburg, maar tsaar Nicolaas II meldde zich ‘niet thuis!’, was onwelwillend en reageerde (uit zwakheid of onder zware druk van anderen?) niet of nauwelijks. Jammer maar waar.

Dat alles droeg ertoe bij, van Finland een land te maken, dat een parlement, een eigen volksvertegenwoordiging, (we zouden in het Nederlands kunnen denken aan een ‘Tweede Kamer’) wilde en toen al kon vormen, als aanvulling zo niet als tegenpool van de zweedstalige, adellijke en burgerlijke Senaat, een soort ‘Eerste Kamer’. Die bestond sedert lang uit leden van de oude standenmaatschappij, waar het gewone volk, het ‘rahva’, jammer genoeg tot dan toe helemaal geen stem had en er niet bij behoorde. De Senaat vormde tijdens de Russische periode van Finland ook de regering.

Toen in 1905 – na de oorlog tussen Rusland en Japan, door het pijnlijk verlies en de ermee verbonden vernedering van het Rusland van de tsaar – ontstonden er in het tsarenrijk grote onvrede, opstanden en stakingen en brak als vervolg daarvan in Finland ook demonstraties en een algemene staking uit. De tsaar werd aldus gedwongen soepeler en minder tiranniek op te treden. Rusland mocht een eigen volksvertegenwoordiging, de Doema, samenstellen. In het grootvorstendom Finland werd toen na algemene verkiezingen (de eerste in Europa!) verder een parlement van 200 leden gekozen, uit de toen aanwezige partijen. Daarbij vormde de SDP, de Sociaal Democratische Partij, tot paniek van de rechterzijde, een parlementaire, linkse meerderheid. Ik zeg ‘algemene verkiezingen’, want inderdaad kreeg toen al iedere volwassene in Finland, man en vrouw, arm of rijk, het recht, zijn of haar stem uit te brengen. Dat was na de grote stakingen van 1905 in Rusland en Finland in overleg met de tsaar besloten. Internationaal gezien was dit een belangrijke doorbraak.
Dat alles klink verder best, democratisch en veelbelovend, maar was dit voldoende olie op de steeds groter, hoger en dreigender wordende golven van onrust in het land. Zou deze stap wel voldoende kunnen blijken?

De toegevendheid van de Russische tsaar was echter slechts voorbijgaand, de Eerste Wereldoorlog begon in 1914, met aan de ene kant Rusland en Frankrijk tegenover het nieuwe Duitse Keizerrijk en het aloude Oostenrijks-Hongaarse Habsburgse keizerrijk.
De Finnen hadden van hun kant militaire dienstplicht voor de Russische staat geweigerd (door ervoor te betalen), wat echter nu ook betekende, dat Finland tijdens de Eerste Wereldoorlog extra bevolkt en ook bezet werd door een 50.000-tal Russische soldaten, die gevoed en rustig gehouden moesten worden binnen de Finse grenzen. En dat betekende tevens, dat Finland geen eigen getraind leger had, wat later een pijnlijke waarheid bleek te zijn.

Het begin van de oorlog was redelijk te pruimen: er was nog graan, dus brood (vanuit Rusland grotendeels aangevoerd) en de oorlogsindustrie draaide nog op volle toeren, er was dus ook werk. Maar in de loop van de oorlog werd de situatie erg kritiek, omdat Rusland geen graan meer kon of wilde leveren en ook door zware oorlogsverliezen er geen geld meer voor overhad, om klaar oorlogsmateriaal uit Finland te kopen. Graan van elders kon echter niet ingevoerd worden, want Duitsland was de vijand van Rusland (dus ook van het groothertogdom Finland) en de Duitse vloot beheerste de Oostzee. Vrije koopvaart werd ernstig belemmerd, zo niet nagenoeg onmogelijk. De zomers van toen waren niet al te best, de oogst dus ook niet, en in 1917 maar vooral begin 1918 heerste er daarom in Finland grote werkeloosheid en hadden de mensen schreeuwende honger. Het landelijke Finland (ongeveer 60% toen nog leefde van de landbouw) kon maar weinig doen, omdat de Finse landbouw nog steeds vrij primitief, kleinschalig en onvoldoende gebleven was. De industrie had verder in de loop van de negentiende eeuw veel mensen naar de zuidelijke steden gelokt, naar Helsinki, Tampere of Viipuri, waardoor op vele plaatsen een duidelijk en gistend proletariaat ontstond. Allemaal factoren, die ellende, ontevredenheid en opstandigheid veroorzaakten of voorspelden.

Deze voorspelling kwam nu eind januari 1918 op een wrede en extreme wijze tot uitbarsting: op 26 januari 1918 begon de tragische Finse burgeroorlog, die tot eind mei 1918 voortduurde. De rode fractie riep de (aanvankelijk nog onbloedige) revolutie uit, in navolging van de oktober-revolutie in Rusland. De witte fractie vluchtte weg naar Vaasa, het land werd politiek tweegedeeld. Twee van haat voor elkaar vervulde partijen stonden vijandig tegenover elkaar.

Deze burgeroorlog heeft diepe wonden geslagen en zware trauma’s veroorzaakt in het Finse volk, die nog steeds niet helemaal verwerkt zijn, ook niet na 100 jaar! Vandaar dat de herkozen president Sauli Niinistö in zijn nieuwjaarstoespraak van 2018 terecht opriep, samen nog eens goed over die tijd na te denken. Dat gebeurt ook.

Omdat dit artikel nogal lang geworden is, stel ik voor, in een volgend artikel wat dieper op de Finse burgeroorlog 1918 in te gaan. Ook het tweede deel van de relaties tussen Nederland, Rusland en Finland staat nog in mijn beloofboekje. Verder staat de ontwikkeling van Finland in de loop van de negentiende eeuw en verder niet los van de ontwikkeling van de Baltische landen, vooral dan van Estland en Letland. Daarover dan maar een andere keer!

Op de dag van Kalevala, 28 februari 2018,
Peter Starmans