NEDERLAND en FINLAND

NEDERLAND en FINLAND, mei 2022

 

Omdat ik (met vrouw uiteraard) begin mei naar Nederland wilde gaan om mijn familie aldaar eindelijk eens na meer dan twee jaar weer te zien , moest ik de o zo mooie, prille en uiterst voorzichtig beginnende lente in Kerava met zijn alom bekende prachtige wilde-kersenbloesem de hele stad door achter me laten; om dan na twee weken weggeweest te zijn te moeten constateren, dat ook hier de lente al zomer begint te worden; dus vooral fris groen overal rondom ons heen en veel bloesem al uitgebloeid is (behalve dan uiteraard de ook frisse appelbloesem, de fraaie rododendrons en de kleurrijke sering).

 

Toen we van Seutula wegvlogen, heb ik me oprecht voorgenomen, deze twee weken in Nederland eens goed op te letten, om te kijken, of het anders geworden is en of de eventuele verschillen met Finland groter of kleiner geworden zijn. Dat is een interessante kwestie en ik hoop dat ik met mijn opmerkingen hieronder bij de lezer(es) iets aanraak, wat zij ook wel gezien hebben of waarmee ze het eventueel met me niet eens zijn, want een discussie erover zou zonder meer interessant kunnen zijn. Het gaat hier dus in hoofdzaak over een vergelijking tussen twee landen, maar met de opmerking erbij, dat ik in twee weken alleen maar iets (en zeker niet alles) van Nederland gezien heb en dat ik al lang in Finland in het zuiden woon, dus daarom ook veel van elders niet genoteerd kan hebben. Maar goed.

 

We werden op Schiphol afgehaald door mijn zwager, die ons meteen voorstelde, binnendoor naar Huissen te rijden, en niet over de snelweg, omdat die zo saai is en maar weinig van Nederland in de lente laat zien. Akkoord dus, al duurt de rit dan wat langer. Wel zo gezellig!

 

Opvallend is dat het groen nu in Nederland veel voller is dan het prille en doorzichtige lentegroen van Finland, maar dat is logisch, want Finland loopt wat dit betreft jaar in jaar uit wat achter! Opvallend is ook het ontbreken van echte bossen, al staan er overal langs de weg bomen, vooral loofbomen wel te verstaan, weinig berken of knotwilgen, die staan in Nederland elders, maar wel veel eiken, beuken, esdoorns, wilgen en populieren. Die heb je gedeeltelijk ook uiteraard in Finland, vooral in het zuiden, maar niet zo massaal, zo hoog en overweldigend door kracht. Langs de binnenwegen vaak zelfs aan beide kanten ervan, de weg omzomend als een oprijlaan naar de verte.

 

De polders zijn diepgroen en door het water ondergronds en bovengronds glinsterend en spiegelend in de zon; daarop zien we dan vaak rustig grazende koeien, schapen of geiten, soms een paar paarden, allemaal buiten in de polder onder de blote hemel, gras etend en verterend. Dit doet me, bij de koeien uiteraard, meteen denken aan de typische Hollandse, o zo smakelijk krachtige kaas, die van de verse melk gemaakt wordt: Old Amsterdam, Maasdammer, echte Goudse kaas en zo. Heerlijk, we hebben er veel van gegeten in deze twee weken.

Langs en dwars door de polders zien we sloten met eenden, ganzen en af en toe zelfs een reiger. Water is er overigens in Nederland echt voldoende, de rivieren van de delta, de Lek, de Rijn, de IJssel, de Waal en de Maas. In hun weidsheid (en vorig jaar zelfs in hun dreiging, daar komen we nog op terug) groots en niet te vergelijken met een rivier als de Vantaa in Zuid-Finland of de heerlijke uitgestrekte Finse meren: ‘Denkend aan Holland zie ik grote rivieren traag door oneindig laagland gaan’ (Marsman). Dat is een waarheid als een koe!

 

We zijn daarom echt tevreden in Huissen aangekomen, een oud stadje ten zuiden van Arnhem aan de Rijn. Als slot van de reis aldaar een vrij nieuw natuurreservaat, plassen, vol met broedende vogels van her en der. In het aangeplante riet. Met in de buurt de Gelderse Poort, de Lingewaard, polders en natuurreservaten vol bloemen, planten, vogels en ander klein gedierte. Iets wat je in heel Finland met zijn weliswaar vele, maar totaal andere natuurreservaten niet tegenkomt. Het verschil tussen Finland en Nederland is wat dit betreft heel groot.

 

Huissen is een heel oud stadje, al uit de Vikingentijd stammend. Het was vaak een speelbal tussen het hertogdom Kleef en dat van Gelderland. Met een eigen status, een eigen taal en een eigen traditie. Het ommuurde stadje heeft een grote rol gespeeld tijdens onze Tachtigjarige Oorlog, het is belegerd, veroverd, verwoest en weer opgebouwd. Telkens maar weer.

In de Tweede Wereldoorlog is Huissen in 1943 gebombardeerd, in de herfst 1944 heeft het een ruime tol moeten betalen bij de bekende slag om Arnhem, rond de mislukte luchtlandingen van de geallieerden (één brug te ver!), zo waarheidsgetrouw mogelijk beschreven door de Britse historicus Antony Beevor (ook in het Fins vertaald).

Als je dus aan Nederland en Finland denkt, is de geschiedenis (ook de moderne) van beide landen zo heel anders verlopen, zodat de mensen die er wonen ook anders geworden zijn, wel anders moeten denken en voelen, jong of oud. Zo vaak per jaar moet ik in onze woonvereniging in Kerava de Finse vlag hijsen vanwege een Finse veteranendag of onafhankelijkheidsdag, terwijl Nederland van zijn kant de viering van de bevrijding van bezetting door Duitsland van 1940 tot 1945 begin mei terecht als volk tezamen groots en waardig viert. Beide gebeurtenissen zijn echt aan beide kanten belangrijk en gedenkwaardig, maar de oorlog erachter was in de twee landen zo anders: de Finse Winteroorlog en de Voortzettingsoorlog met heel veel eigen slachtoffers en een eigen, op Rusland bevochten vrijheid, dat arme Finland, alleen gelaten door de geallieerden; de Nederlandse bezetting van vijf lange jaren, uiteindelijk bevrijd door dezelfde geallieerden, bevrijd van dezelfde Duitsers, die juist tijdens de Voortzettingsoorlog Finland echter wezenlijk gesteund hebben. Moeilijk dit bij elkaar te denken.

De geschiedenis erachter is zo verschillend en dat heeft de mensen die er geboren worden bestempeld en bepaald, ook de jongere generaties. Denk maar aan de verschillende reacties die de oorlog in de Oekraïne in Nederland en Finland oproepen. Gedurende deze twee weken dat we in Nederland waren, in de media prominent aanwezig. Maar genoeg hierover nu. Mijn conclusie hier luidt: de eigen geschiedenis heeft onze twee landen heel anders getroffen en bepaald, en dat maakt een groot verschil, of je dat nu wilt of niet.

 

Wat me wel opviel in deze twee weken is het grote aantal bloemen en planten (heus niet alleen maar tulpen, rozen of meidoorn), en voorts het grote aantal vogels die in mei in Nederland broeden, tjilpen of rondkrijsen, in het overbevolkte Nederland, en toch aan alle kanten en op vele plaatsen. Natuurlijk zijn er in Finland ook bloemen, planten en vogels, dat weet ik heus wel. Maar zo veel minder en andere, de moeite waard om de twee landen eens met elkaar te contrasteren. We waren in de Hortus van de Nijmeegse universiteit, een grote tuin met honderden wilde planten en bloemen van eigen bodem, een feest om er te zijn en ervan te genieten, met weliswaar veel planten, die ook in Finland voorkomen, maar ook veel die in Finland nauwelijks of niet voorkomen. Door de gesteldheid van de bodem, door het klimaat enzovoorts. Hier zie ik een duidelijk contrast.

 

Tussendoor keken we ook, vooral ’s avonds uiteraard, want overdag scheen de zon dit keer uitbundig en was het zomers warm, teevee. Het nieuws was internationaal in grote lijnen hetzelfde, maar anders gebracht, misschien professioneler, algemener. In Finland is het internationale nieuws ook wel goed, maar noorderlijker, meer toegespitst op de Oostzee, op Scandinavië en uiteraard op Rusland.

De kwestie van het lidmaatschap van Finland en Zweden met de NAVO kwam in beide landen deze twee weken telkens ter sprake, maar in Nederland meer als iets verrassends, als iets bijzonders en wat betreft de EU ook interessant nieuws, in Finland echter vooral problematisch nieuws, het land zelf betreffend. Hier moet ik wel zeggen, dat in Finland dit nieuws telkens door zeer onderlegde commentatoren begeleid werd en wordt, in Nederland ook wel, maar vooral dan begeleid door media-journalisten, die op de hoogte zijn, maar niet zonder meer vakmensen.

 

Opvallend was wel, dat er in Nederland evenveel op teevee gediscussieerd wordt dan in Finland, maar de discussie lijkt me in Nederland gevarieerder, spontaner, afwisselender, met veel meer gesprekspartners. In Finland stoorde het me de laatste tijd vooral, dat je telkens dezelfde gezichten ziet en zag, die iedere keer herhaalden, wat ze al eens gezegd hadden. Wat meer verschillende stemmen zou naar mijn smaak beter kunnen zijn.

 

Opvallend was ook, dat de reclame op het Nederlandse scherm heel anders van opzet was; er is veel, misschien te veel reclame op het scherm, in beide landen (tja, reclame betaalt immers het programma), maar vooral … de reclame is zo anders opgemaakt. In Nederland wat speelser, kinderlijker zou ik bijna willen zeggen, meer getekend, sneller en afwisselender in ieder geval; in Finland misschien wat trager, serieuzer of wellicht wat moreler, protestanter als je wilt. Hierover heb ik mijn mening nog steeds niet gevormd. De moderne media zouden de moeite van het bekijken, onderzoeken en vergelijken waard kunnen zijn.

 

We waren op bezoek in Culemborg, Nijmegen, Gennep, Houthem bij Valkenburg en Maastricht. Oude steden en stadjes, waar de historie direct in het oog springt, historie van nu en historie uit een diep verleden.

Die historie uit het verleden hoef ik hier niet meer te herhalen, dat is vanzelfsprekend en duidelijk. De Romeinse geschiedenis, de geschiedenis van onze Gouden Eeuw, de strijd tussen de religies, rooms katholiek aan de ene kant, streng protestants aan de andere kant. Dat alles zo anders dan de Finse historie.

Wat betreft de historie van het nu denken we bijvoorbeeld aan de Europese overstromingen in het Rijnland, in Wallonië, maar ook in Zuid-Limburg, vooral dan in Valkenburg, in juli 2011. We werden via vrienden geconfronteerd met een man, die zijn huis plotseling moest verlaten en elders moest gaan wonen (en er nog steeds woont) vanwege het woeste geweld van een snelstromend, de woningen instromend riviertje, in dit geval de Geul met name, die volledig buiten zijn oevers was getreden en op veel plaatsen erg veel onheil aanrichtte. Valkenburg is zo’n mooi toeristisch stadje, de Geul is zo’n idyllisch riviertje, uniek om erlangs te wandelen. Jawel, ik ben er zo vaak geweest en heb ervan genoten. Dat hebben we dit keer weer gedaan. Maar zo is het niet altijd! In juli 2021 was het helemaal mis. Een teken aan de wand voor Nederland, dat het gevaar niet alleen vanuit de zee dreigt, maar ook vanuit de rivieren, waarmee Nederland als deltaland zo gezegend is. Vanuit de Rijn, vanuit de Maas en ga zo maar door. Dat probleem is er in Finland in ieder geval niet, al overstromen ook daar de rivieren in het westen elk jaar (vooral in West-Finland), na de winter in de smeltperiode, maar dat is toch anders, minder bedreigend maar wel lastig voor de mensen die er wonen.

 

‘Wind en wee en wolken, wegelen van Gods heiligen voet’ (Guido Gezelle).

De wind waait in Nederland veel, de polderweiden glanzen in de zonneschijn, de wolken zijn een teken van regen, storm of onweer. Goed zo! Een paar jaar geleden verweet men echter Nederland dat ze de boot gemist hadden: in vergelijking met Denemarken bijvoorbeeld was de techniek van zonnepanelen en moderne windmolens achtergebleven. Nou ja, dat kon toen misschien kloppen, maar nu is het toch wel opvallend, dat er op vele daken overal in Nederland zonnepanelen geïnstalleerd zijn, tien tot twaalf op één dak. Verder is het ook opvallend, dat er overal in het land talloze windmolens aan het draaien zijn om energie op te wekken. Dat troost: Nederland gebruikt steeds meer de zon en de wind, om minder afhankelijk van olie, kolen of gas energie op te wekken. Dus nu is het land kennelijk snel aan het inhalen. In Finland ook wel, maar door minder zon en minder wind in veel mindere mate, al is men in Finland ook actief aan het zoeken naar moderne middelen om energie op te wekken. Er zijn zeer zeker zonnepanelen (meestal bescheiden twee tot zes per dak), er staan in het land ook windmolens te draaien, dat wel, maar of het effect ervan zoveel is dan in Nederland? Dat weet ik nog zo net niet! Vanwege de klimaatverschillen uiteraard, vanwege andere mogelijkheden waarmee geëxperimenteerd wordt? Een verschil is er op dit moment in ieder geval wel!

 

Afsluitend zou ik willen zeggen, dat Nederland modern is (zoals Finland ook). Ze hebben zoveel mogelijk geregeld of zijn bezig het te regelen, of we nu denken aan gezondheid, verkeer of communicatie. Maar … een steeds meer verfijnde regeling van het leven van een dichtbevolkt gebied van de aarde (wat ook geldt voor Zuid-Finland) betekent wel veiligheid, maar ook de onveiligheid van: als er wat misgaat, loopt het vaak in het honderd.

De infrastructuur van treinbanen of autowegen is modern maar ook kwetsbaar, zodat er chaos kan ontstaan en vaker ontstaat op de wegen (files hebben we deze twee weken een drietal keer meegemaakt), in de trein door stilstand of vertraging.

 

En vooral nu hebben we het gemerkt op Schiphol, toen we terug naar Finland wilden vliegen. We waren er op tijd, een uur of drie van tevoren. De koffers konden we nog kwijt, maar toen hebben we meer dan twee uur in een rij naar voren (nee nee, op en neer, naar buiten en naar binnen) moeten drentelen en voortsjokken, voordat onze handbagage gecontroleerd werd en wijzelf ook. We hadden daarna zelfs geen tijd om een borrel of stroopwafels te kopen, want we moesten ons haasten het vliegtuig naar Helsinki te halen. We waren gelukkig net op tijd, het vliegtuig had wat vertraging en had ook een tijdje op de passagiers gewacht, die door de chaos eigenlijk te laat aan kwamen draven. Tja, dan zie je maar, wat er in een zo goed geregeld land als Nederland door ontregeling zoal kan gebeuren. Maar ja, gelukkig zijn we uiteindelijk op Seutula veilig aangekomen en … weliswaar wat later, maar tevreden konden we in ons eigen bed van de vermoeienissen van de reis uitrusten. Op het vliegveld in Vantaa was alles goedgeregeld en rustig. Dat is weer een voordeel van Finland. Rust heb je daar meer dan in Nederland.

 

Peter Starmans

 

Petrus op de romeinse brug over de Maas in Maastricht

 

Zicht over de Maas in Maastricht

 

 

Het stadhuis in Maastricht, ontworpen door Pieter Post


Huis te Warmelo

HUIS TE WARMELO

 

In 2002 werd er in de Finse Golf voor Porvoo een goed bewaard scheepswrak gevonden. Het was het overblijfsel van een oorlogsschip, dat op een diepte van meer dan 6o meter verborgen lag, verder in uitstekende staat verkeerde, tenminste voor een wrak van meer dan driehonderd jaar geleden. Het gezonken fregat is weinig aangetast door de houtworm, die in de Oostzee vanwege het minder zoutgehalte een niet welkom milieu voor hen is en die de meeste wrakken ter wereld onder water ernstig aantasten; voorts ligt het schip min of meer rechtop en is niet uiteengeslagen of onder zand bedolven, misschien wel zo snel gezonken als de Estonia op 28 september 1996. Voordelig voor het conserveren van het schip is ook de temperatuur daarbeneden, iets boven het vriespunt, en uiteraard ook de rust van het water op zulke diepte, minder gestoord door stroming of visserij.

 

De duikster Immi Wallin is de projectleider van SubZone, een Finse firma die wrakken op- en onderzoekt, ze daarna vakkundig fotografeert en aan de hand daarvan uitvoerig documenteert, zoals bijvoorbeeld ook het geval is bij het wrak van de 'Huis te Warmelo'. Vooral in 2015, 2016 en 2017 zijn ze actief geweest, nadat het wrak een naam gekregen had via Peter Swart, adviseur en projectleider van het West-Friese archief in Hoorn. Deze heeft via zee-archeologen in Estland met de betreffende instanties in Finland contact opgenomen, in 2015, met zijn gegevens over het Nederlandse oorlogsschip 'Huis te Warmelo'. Belangrijk daarbij was een oude Hollandse zeekaart van de zuidkust van Finland, waarop nauwkeurig en uitdrukkelijk vermeld stond, dat er een Nederlands schip vergaan was, voor de kust bij Porvoo, op die en die plek, en wel in het jaar 1715. Dat bleek nu volledig te passen bij het door de Finse duikers gevonden wrak. Daardoor had het al bekende en goed bewaarde wrak een correcte naam gekregen, nu konden zee-archeologische vakmensen concreter en gemotiveerder aan het werk met een gezonken scheepsobject, met een naam nog wel! Bij het vinden van de concrete naam van een wrak viel het me op, dat in 1999 bij Raimo Koivusaari zoals ook bij Peter Swart oude Hollandse kaarten een grote rol gespeeld hebben, dus zulke kaarten à la de Bleau-kaarten, die zijn niet alleen maar beroemd, maar ook nu nog nuttig, actueel en vakkundig getekend. Zij het dat de rol van de kaart in deze gevallen omgekeerd was: Koivusaari heeft met behulp van kaarten de plaats van het wrak, Vrouw Maria, gevonden; Swart heeft daarentegen een al gevonden wrak een naam gegeven via een betrouwbare oude Hollandse zeekaart. Fijn zo!

 

De samenwerking tussen de Nederlandse, Estische en Finse vakkundige zee-archeologen, duikers en historici was zowel goed als snel, zelfs min of meer perfect. Want op de vraag vanuit Hoorn of zo'n wrak gevonden of te vinden was op de op een oude kaart aangegeven plaats, kwam al snel het enthousiaste antwoord: ”We found your ship!” Ja dus, punt uit! De samenwerking tussen de vakkundige en officiële instanties in West-Friesland en Finland verliep de jaren na 2015 ook soepel en goed. De documentatie van beide kanten (de 'wrakkundige' en officiële kant in Finland, de meer historische kant in Nederland) verliep tevens vlot, vooral ook door de goede samenwerking tussen Imme Wallin met haar collega's en Peter Swart met zijn assistenten. Weer dus: fijn zo!

 

De interessante rapporten (2016/2017) van Imme Wallin over de situatie rond het wrak op de zeebodem ter plekke en over de concrete toestand van het wrak zelf, staan uitgebreid te lezen op het internet, gedetailleerd en toegankelijk. Peter Swart (de actieve en gemotiveerde initiator in Nederland wat het zoeken naar meer gegevens over 'Huis te Warmelo') heeft van zijn kant het fregat zelf nauwkeurig beschreven. Bijvoorbeeld de bestelling door de (VOC)-Admiraliteit van het Noorderkwartier (=Westfriesland) in 1706, de aanbesteding en de bouw ervan in Medemblik (na Hoorn en Enkhuizen een belangrijke havenstad aan de Zuiderzee), tot het moment dat het schip uiteindelijk klaar in 1713 in de thuishaven lag en toen min of meer zijn maidentrip maakte als konvooifregat (met 11 andere Hollandse en 20 Engelse oorlogsschepen) naar de Oostzee. Dat konvooi was bedoeld als militaire bescherming van 200 Hollandse en 100 Engelse handelsschepen, die op weg waren naar Gdansk, Riga, Tallinn of Petersburg. Bij het laatste traject van de reis (van Tallinn naar St.Pbg) assisteerde 'Huis te Warmelo' met enige Engelse fregatten een stuk of vijftig handelsschepen, die als eindbestemming Petersburg hadden. Sint-Petersburg, de nieuwe hoofdstad van Peter de Grote, gesticht in 1703, maar in 1715 nog volop in opbouw. Die wordende stad had dus heel wat materiaal van overzee nodig, want ter plekke was maar weinig voorhanden. En Finland als deel van het koninkrijk Zweden was juist in oorlog met Rusland, van Zweden uit kon daarom niet veel handelswaar naar St. Petersburg komen. Tijdens deze reis langs de zuidkust van Finland (met veel scheren boven en onder water) is 'Huis te Warmelo' tijdens een storm op een klip gestoten en gezonken. Een gloednieuw oorlogsschip was het, nog volledig onbeschadigd door oorlogsgeweld, want het konvooi van 1715 werd door de Zweden niet aangevallen! 130 leden van de bemanning zijn toen jammerlijk verdronken, de rest (ongeveer 70 man) is gered via de reddingsboten van het Hollandse fregat door een Engels fregat, dat in de buurt was en te hulp snelde, maar jammer genoeg te laat kwam vanwege een treurig misverstand.

 

Ofschoon het logboek van het schip tot nu toe nog niet is gevonden, heeft Peter Swart de reis van het grote konvooi wel heel boeiend kunnen beschrijven aan de hand van veel vaststaande gegevens. Gegevens vanuit Amsterdam/Hoorn of Londen, waar de meeste schepen vandaan kwamen; gegevens via de Sont-registers, en vooral gegevens van logboeken van andere schepen van het konvooi die in de buurt waren en uiteraard dezelfde reis en dezelfde storm mee hebben gemaakt en nauwkeurig genoteerd. Dit alles staat in geuren en kleuren in het jaarboek 88 (2021) van het West-Friese Archief beschreven. Het was een stormachtige reis, waarbij 'Huis te Warmelo' zoals al vermeld niet tenonder ging via oorlogshandelingen (want ze werden toen wat de Zweden betreft tijdens deze reis niet belastigd) maar letterlijk door het botsen op een verborgen klip voor de kust van Porvoo, waarna het fregat snel zonk. Niet met man en muis, maar toch … twee derde van de opvarenden vond de dood in de woeste wateren van de Finse Golf.

 

Het voor mij interessantste onderdeel van de onderzoekingen van Peter Swart zijn de bevindingen aan de hand van een volledige bemanningslijst (dus een monsterrol, aanwezig in het West-Friese archief), die hij met de oude Hollandse zeekaart in het archief gevonden had. Op die lijst staat genummerd, met naam en toenaam, ieder bemanningslid opgesomd, met zijn beroepsrol op het schip en met zijn plaats van herkomst. Van kapitein en schipper, van belangrijke militaire personen en navigatie-personeel, van timmerman en zeilmaker, van kok, bakker en chirurgijn tot en met de vele matrozen voor het werk met zeilen en kanonnen en de jongens (= leerlingen) voor de kleine of vervelende, maar noodzakelijke klusjes. Opvallend was wel, dat het hier ging om een zuivere mannengemeenschap, met haar eigen problematiek, maar ook met haar ruige discipline en stevige tucht en tevens oprechte en zangerige vrolijkheid. Zelfs een ziekentrooster was er aan boord, een pastorachtige (calvinistische) figuur, die bij nood, ziekte of dood de medemens bijstond. Een schijnbaar georganiseerd ratjetoe, maar met een strenge hiërarchie en met zo nodig harde hand bijeengehouden.

 

Van de 200 personen aan boord heeft Peter Swart tot nu toe meer dan 25 mannen (oud en jong) uit de archieven kunnen traceren, met leeftijd, familie of gezin, met omgeving van stad en land (vrijwel allemaal komen ze uit Westfriesland, Noord-Holland of Friesland van de overkant), met hun loopbaan, beroep of wat hij ook maar kon vinden. Dat is helemaal geen gemakkelijk werk, in oude archieven rond te speuren, maar Peter Swart heeft er zijn levenswerk van gemaakt, en bijzonder veel gevonden. Alleen al daarom zijn de verhalen geweldig. Ook nazaten van bemanningsleden van 'Huis te Warmelo' van 1715 heeft hij in de buurt gevonden en contact met hen opgenomen. Uniek lijkt me, laat ik het zo maar eens zeggen. Zelfs de geschiedenis van de republiek Holland komt in de persoonlijke verhalen regelmatig om de hoek kijken, als het te pas komt uiteraard, met allerhand Hollandse gebeurtenissen en tradities. De Hollandse republiek van toen, na een verliesrijke Spaanse Successieoorlog tegen Spanje en Frankrijk (tot 1714, onder Lodewijk XIV), verliezen vooral hier, wat Westfriesland betreft, van verloren oorlogsschepen. Ter vervanging van verloren gegane schepen werd bijvoorbeeld juist het nieuwe fregat 'Huis te Warmelo' in Medemblik gebouwd. Maar goed. Het eenzijdige van Peter Swarts kijk op de zaken is uiteraard de Hollandse kijk op dit alles. Het is met name een typisch West-Friese kijk erop, maar ja, dat is toch wel logisch, want het fregat 'Huis te Warmelo' was immers een oorlogsschip van de West-Friese Admiraliteit van het Noorderkwartier, gebouwd door een West-Friese scheepsbouwer in Medemblik, uitgevaren vanuit de West-Friese hoofdstad Hoorn met een bemanning, die voor het merendeel uit de buurt kwam (voor meer dan de helft uit Alkmaar!). En ook het concrete scheepswrak, al ligt het diep onder water (64 meter) voor de kust van het Finse Porvoo, is en blijft helemaal West-Fries. Wat de wrakrechten van zulke wrakken in de tegenwoordige tijd ook mogen zijn, vandaar … En toch, het wrak ligt nu eenmaal voor de zuidkust van Finland, als wrak is het daarom ook gedeeltelijk eigendom van Finland, en … als het onderzocht wordt, wordt dat gedaan door Finnen...

 

Gemist heb ik vooral ook een beetje de historische achtergrond van de plek, waar het fregat 'Huis te Warmelo' gestrand en gezonken is: Finland was toen namelijk nog steeds de arme oostelijke provincie van het toenmalige koninkrijk Zweden, waarmee Rusland in oorlog was.

 

We schrijven 1715, het jaar van de ondergang van 'Huis te Warmelo' voor de zuidkust van Finland, voor Porvoo. De Grote Noordse oorlog (1700 – 1721) woedde nog steeds, een oorlog om de heerschappij in Oost-Europa en vooral ook een oorlog om de macht over de Oostzee. Die Noordse oorlog was heel bloedig en uitermate wreed. Zoals oorlogen van toen dat waren, zoals misschien ook nu nog, maar dan toch wel heel anders. De jonge Zweedse koning Karl XII, militair in hart en nieren, een hoogbegaafd strateeg, met een voor ons nu onbegrijpelijke autoriteit als absolute koning, een vorst, die van zijn volk en zijn soldaten het uiterste van hun kunnen wilde en kon of zelfs mocht vergen. Bijna religieus! De Zweedse soldaten gaven hem al hun luthers vertrouwen, ze geloofden werkelijk in de heilige zending van hun koninklijke aanvoerder, ze voelden zich persoonlijk afhankelijk van hem en zijn plannen, ze volgden hem dus onvoorwaardelijk, waar ook naartoe.

Karls tegenstander, de nog jonge en fanatieke Russische tsaar Peter, die zijn volk op een moderne westerse standaard wilde brengen, was wel aan hem gewaagd. Of niet? De uitslag van de oorlog was ongewis. Karl XII zou de eerste jaren van de oorlog in de Estische en vooral Ingermans-Russische stad Narva, voorts in Letland rond Riga, in Litouwen, in Polen, in Wit-Rusland en in de Oekraïne militair (want hij was inderdaad een strategisch genie) het Russische leger vaak tot vertwijfeling van tsaar Peter en de zijnen tot het uiterste uitdagen, totdat de Russen uiteindelijk na negen jaren harde strijd de overwinning behaalde. Karl XII, de verheven koning van het machtige koninkrijk Zweden, moest tenslotte in 1709 in Poltava in de Oekraïne te land in de Russische tsaar Peter de Grote militair zijn meerdere erkennen. Te land weliswaar slechts, want ook in de Baltische landen en in Polen kregen de Russen steeds meer de overhand in een felle strijd, die eindigde met de val van Stralsund, in 1715. Toen pas vluchtte Karl XII, na jarenlange gevangenschap in Turkije en van daaruit alsmaar intrigerend, terug naar zijn moederland Zweden aan de overkant.

 

Na 1712 verlegde zich de strijd tussen de twee grootmachten Zweden en Rusland vooral naar Zweden zelf en de Oostzee, de zee, die immers zo belangrijk was voor tsaar Peter en zijn Rusland, al lange tijd: de Oostzee als een opening van het nog grotendeels achterlijke Rusland naar de progressieve westerse wereld. Op dat moment inderdaad ook al mogelijk via de aloude havensteden in het Baltenland (Narva, Tallinn, Riga of Gdansk bijvoorbeeld), maar vooral toch (zo vurig gewenst door tsaar Peter) via de nieuwe Russische haven- en hoofdstad Sint-Petersburg, in 1703 door hem aan de monding van de Neva gesticht, een stad die hij wilde uitbouwen tot een modern centrum van Rusland, politiek en cultureel. Vandaar immers de kostbare handelskonvooien ernaartoe, pas in 1715 begeleid door oorlogsschepen, omdat de Zweden in 1714 duidelijk en pijnlijk hadden laten zien, dat ze tuk waren op die rijk beladen handelsschepen uit Engeland en Holland, die ze dus zoveel mogelijk in beslag namen (in 1714 een vijftigtal rijk beladen schepen uit Engeland en Holland) of beter geformuleerd kaapten, zoals het oorlogsrecht mogelijk maakte in die tijd.

 

De tijd tussen 1710 en 1721 noemen de Finnen de tijd van hun grote haat, een echte, uit de diepte komende haat op die vervloekte bezetter, die wrede Russische soldaten, die Finland als provincie van Zweden vooral vanaf 1713 letterlijk veroverden, daarbij het land zoveel mogelijk leegroofden en steden en dorpen met bevolking en al voor zover het aan hen lag uitmoordden, onbarmhartig zo niet onmenselijk. De Russenhaat zat er toen diep in, geboren in de Finse mensenharten tijdens de Grote Noordse oorlog!

 

Peter de Grote was na zijn uiteindelijk succesvolle krijgstocht tegen Karl XII op het oostelijke vaste land van Europa steeds meer gaan inzien, dat het veroveren en bezetten van het rijk van de Zweden, in de eerste plaats van de oost-provincie Finland en daarna van het moederland Zweden zelf, een militaire noodzaak was om te krijgen wat hij wilde krijgen: een vrede met Zweden, waarbij de toegang tot de Oostzee en verder hem werd toegestaan, om daarmee het contact van Rusland met de westerse beschaving steeds meer mogelijk te maken. Het probleem voor tsaar Peter was wel, dat het koninkrijk Zweden een grote zeemacht was, concurrerend met andere machten als Denemarken, Engeland en Holland. De Zweedse vloot was enorm en sterk en kon zich toen vooral met de vijandelijke vloot van Denemarken meten, in hun strijd om de heerschappij over de Oostzee en daarmee de toegang tot de Noordzee en de verdere wereld. Zij hadden machtige lijnschepen en grote fregatten, en dat alles in groten getale. Terwijl de Russische vloot van tsaar Peter nog maar zo klein was en zwak, dus als tegenstander ter zee schijnbaar min of meer te verwaarlozen. Maar … daar vergisten ze zich deerlijk in! Peter de Grote had z'n eigen plannen en verwerkelijkte die ook. Hij bouwde een vloot op, maar in de eerste plaats een andere dan de vloot van zijn tegenstander. Want met lijnschepen en fregatten kon hij nog niet met de anderen concurreren. Dat was van later zorg! Tsaar Peter bouwde toen vele, snel te bouwen galeien, een scheepstype van de Middellandse Zee, wendbaar, met één zeil en veel roeiers. Verder boden deze open galeien de mogelijkheid van vervoer van veel soldaten (tegelijk roeiers). Boten, die door de geringe diepgang ervan ideaal waren in de scherenarchipel voor de Finse zuid- en westkust en uiteraard in de scherenbrug tussen Finland en Zweden, in Åland. Galeien waren uiteraard ook wel bij de tegenstanders bekend, daar niet van, maar niet als voornaamste wapen in een zeestrijd. Daar, aan de gevaarlijke Finse klippenkust, waren grote maar logge oorlogsschepen (zoals lijnschepen en fregatten) minderwaardig vanwege de vele onderwaterklippen, waarop ze lek konden stoten. In 1715 bewees de ramp van 'Huis te Warmelo' bijvoorbeeld, dat er wat dat betreft echt levensgevaar bestond, bij storm. Dat voordeel van galeien begreep tsaar Peter door en door, daarom liet hij juist veel galeien bouwen en zette zo, vrijwel probleemloos en zonder sterke tegenstand, zijn soldaten af aan land op de zuidkust van Finland, bijvoorbeeld achter de scherenarchipel bij Porvoo of Helsinki. En dat lukte hem al in 1713. De Zweedse vloot was min of meer machteloos en moest hulpeloos toezien hoe zijn provincie Finland zonder moeite door Russische soldaten bezet en veroverd werd. De Zweedse verdediging ervan te land lag in handen van een klein en ontoereikend leger. De Russische soldaten konden min of meer in Finland doen wat ze wilden, en ze wilden dat ook, de verovering van de Zweedse provincie was barbaarser dan barbaars.

 

In 1714 kwam het daarna tot een grote zeeslag bij Riilahti in de buurt van Hanko. De Zweden werden toen verpletterend verslagen door tactisch manoeuvreren met de wendbare Russische galeivloot, die bij windstilte de logge grote schepen een voor een konden enteren en veroveren. Toen was Åland aan de beurt en later in 1714 en 1715 de Botnische golf, aan de Finse maar ook aan de Zweedse kant. De ellende die de Russische soldaten toen over het land brachten is dus spreekwoordelijk geworden in de benoeming van juist die oorlog als de oorlog van de grote haat.

Dit alles vormt de achtergrond van de ramp van het fregat 'Huis te Warmelo', dat weliswaar niet werd aangevallen door Zweedse schepen, maar in een heftige storm op een klip stootte en tenonder is gegaan. Omdat het zo log en langzaam wendbaar was! Deze achtergrond hoort ook bij het verhaal van de ramp van 'Huis te Warmelo', lijkt me!

 

Tot slot nog iets over de naam van het fregat. Het Huis te Warmelo was een kasteel in Twente, nog steeds bestaande. Het was in 1715 in bezit van een Heer Sloet, die in het bestuur van de West-Friese Admiraliteit zat en zijn naam aan het nieuwe schip gegeven heeft. Misschien had hij zelfs een aandeel ervan in bezit. Veel later, in 1952, is het kasteel gekocht door prins Bernhard voor zijn moeder Armgard, die er haar oude dag heeft mogen slijten. Maar dit is uiteraard een ander verhaal.

 

P.S. Op het internet is via het sleutelbegrip 'Huis te Warmelo' allerhand te vinden over dit thema (https://fregathuistewarmelo.nl). Het is een mooie site! Twee boeken zou ik echter willen noemen, die direct met het thema te maken hebben: a) het bekende boek van Robert Massie over het leven en de tijd van Peter de Grote, waarin de Grote Noordse oorlog uitvoerig wordt besproken; b) het boek van Rauno Koivusaari en Mikko Heikkilä, Suomen rannikon aarrelaivat, waarin de Russische galei John Baptist – Porvoon kultakaleeri (in 1721 gezonken in de buurt van Porvoo!); met een boeiende beschrijving van een galei van toen en de tijd eromheen besproken wordt. Die galei, de Jan Baptist, past namelijk heel goed in het bovenstaande verhaal. Het woord 'kulta' betekent hier echt wel: de rijkdommen die deze galei bijvoorbeeld naar Petersburg bracht, gestolen tijdens de Grote Noordse oorlog in het Zweden van de Botnische Golf, aan beide kanten, en als buit bedoeld voor de hoofdstad Petersburg; die galei is echter niet aangekomen, maar ook gezonken voor de zuidkust van Finland bij Porvoo. Bestemd dus voor Sint-Petersburg, de stad van de overwinnaar van deze fatale oorlog, tsaar Peter de Grote. De Finnen kwamen er toen wel bekaaid en beroofd vanaf, als ze überhaupt nog in leven waren!

 

Peter Starmans

 

 


Scheepswrakken rond Zuid-Finland (1)

 

DE OOSTZEE

De laatste tijd is er in de Finse media nogal veel aandacht voor de Oostzee. De Oostzee is zoals iedereen wel weet (via media of hoe dan ook) in groot gevaar om te kiepen, het water wordt aan alle kanten vervuild, de temperatuur en de gelaagdheid van het water verandert, de flora (de vis bv.) en fauna (het wier bv.) dus ook. Wat betekent dit voor onze toekomst, voor de toekomst van onze kinderen, dus voor de komende generaties? Niemand weet het precies, maar gelukkig is dit verder geen duidelijk taboe meer, waar weinig over gesproken wordt, maar wordt er nu veel en diep over nagedacht. Hoe kunnen of moeten we onze houding tegenover dit pijnlijk fenomeen, hoe dus ons (ook gewone) doen en laten aanpassen aan de noden van onze omgeving, van het milieu, waarin we leven? Wat kunnen we eraan doen, om de Oostzee te redden en dit onderdeel van onze eigen omgeving weer gezond kunnen maken?

 

Het water van de Oostzee is anders dan bijvoorbeeld het water van de Noordzee, de oceanen of de Middellandse Zee. De Oostzee wordt namelijk (zoals via een flessenhals) min of meer tussen Denemarken en Zweden (rond het Kattegat) vrijwel afgeknepen en ze wordt verder omgeven door veel, dichtbevolkte landen, onderling zo verschillend in hun milieudenken. Bovendien monden vele rivieren uit in die relatief ondiepe Oostzee (de Middellandse Zee bijvoorbeeld is gemiddeld veel dieper!). Rivieren, die grote hoeveelheden vuil zoetwater na regenval of het smelten van sneeuw de op zich zoute zee binnenleiden en daarbij ook gedeeltelijk het min of meer vuile afval van de miljoenen mensen die rond deze zee wonen - met al hun steden, hun landbouw en industrie - de Oostzee inkiepen.

Omdat de doorgang van de Oostzee naar (en van) het zoute water van Noordzee en andere wereldzeeën dus smal en ondiep is en er tegelijkertijd veel nogal vuil zoetwater van de omliggende landen in dit Oostzeewater wordt aangevoerd, is op zich het water van deze zee veel minder zout dan dat van de Noordzee bijvoorbeeld, brak dus, en dat heeft weer invloed op vele processen onder water, bijvoorbeeld op de honderden scheepswrakken, die in de loop der tijden naar de bodem zijn gezonken als slachtoffer van storm of oorlog.

 

WRAKKEN IN DE OOSTZEE

Over zulke wrakken wil ik het hier hebben. Wrakken vaak ook van Nederlandse schepen, want schippers van Hollandse en Vlaamse schepen waren in de loop van de Hanzetijd (grofweg van 1300 tot 1500) actief medehandelaars en niet alleen transporteurs van de Hanze geworden. En ze waren langzaam maar zeker vooral ook geduchte concurrenten geworden binnen de internationale handel tussen de rest van Europa en de landen rond de Oostzee, of dat nu Noord-Duitsland, Polen, de Baltische landen, Rusland, Zweden (en Finland) en Denemarken betrof. De Hollanders (of ruimer, de Nederlanders) domineerden zonder meer vanaf de zestiende, tot ver in de zeventiende en zelfs tot in de achttiende eeuw de wereldhandel hier in Europa en de toen al bekende wereld, met name de handel tussen de Middellandse Zee, de Noordzee en de Oostzee. En bovendien was Holland met zijn wereldrijk in oost en west via Amsterdam, Dordrecht en andere havensteden bovenal het centrum van allerhand transitohandel tussen de Europese landen van toen.

 

Over drie beroemde wrakken wil ik het hier verder hebben: over de St Mikael, gezonken in 1747, de Vrouw Maria, gezonken in 1771, en de Huis te Warmelo, gezonken in 1715; alle drie voor de Finse zuidwestkust teloorgegaan en alle drie op weg naar Sint-Petersburg. In deze volgorde behandel ik ze ook, omdat de St Mikael al gevonden werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw, de Vrouw Maria in het jaar 1999, en de Huis te Warmelo in 2016, dus nog in deze eeuw.

 

Het belangrijke van die wrakken is uiteraard de inhoud, maar ook heel belangrijk voor de zee-archeologen en de musea is vooral een speciale eigenschap van het brakke water, waar de schepen nu in rusten (meestal rond de veertig à vijftig meter diep, wat nog steeds problematisch is voor het duiken ernaar.) De eigenschap namelijk van brak water, en in de Oostzee ook nog relatief koud water, dat op de zeebodem echte rust en meer duurzaamheid geeft aan de wrakken, doordat stroming, houtworm en storm er nauwelijks een kans krijgen, het hout van de wrakken aan te tasten, zodat de schepen min of meer intact blijven en dus ook als ooit gebouwd en gespaard schip in concreto voor de zeearcheologie van belang zijn. Vooral bij oude houten schepen zijn de scheepsconstructies zelf meestal gaaf bewaard gebleven zijn en kunnen juist daarom hoogst interessant zijn voor ons mensen van nu. Denken we alleen maar aan het museumschip Vasa in Stockholm, wereldbekend, moeizaam en schitterend gelicht en gereconstrueerd en nu bezocht door miljoenen enthousiaste museumbezoekers, geestdriftig vooral, omdat het een diepe, eerlijke en originele indruk geeft van een echt nog grotendeels intact en machtig scheepswrak van een oud zeventiende-eeuws slagschip.

 

DE GALJOOT, DE SANKT MIKAEL

Dit houten vrachtschip is in 1747 in de buurt van Borstö in een heftige herfststorm ondergegaan. Het werd door vissers, die met hun netten in de nog rechtopstaande, intacte mast bleven hangen, bij toeval gevonden en daarna door vakmensen van de Finse zeearcheologie onderzocht. Het wrak zelf lag op meer dan dertig meter diepte op de vlakke bodem van de archipel bij Nauvo.

Het bleef nog lange tijd een wat onbekend wrak, maar wel met een ongewoon rijke lading en alleen al daarom uitermate interessant. Er werd o.a. kostbaar Frans textiel voor fijne kleding gevonden, en verder gaaf, mooi en zeer kostbaar porselein uit Meissen (een heel gaaf servies en originele tafelversieringen), en voorts waardevolle gouden en zilveren horloges, versierde snuifdozen uit Engeland, Frankrijk en de Nederlanden, en last but not least een chique paardenwagen, dat alles naast gewone massagoederen als tabak en suiker. Er werden ook twee lijken gevonden, alhoewel de bemanning zelf kennelijk grotendeels gered is.

Al snel werd het duidelijk, dat dit alles echt niet voor het arme Finland bedoeld was, maar voor rijke mensen, vrijwel zeker dus voor burgers of adellijken van de Russische hoofdstad Sint-Petersburg. Maar goed … lange tijd was het nog onduidelijk om wat voor een schip het eigenlijk ging, maar gelukkig was de wrakonderzoeker en zeebioloog Christian Ahlström in staat in de loop van de jaren en na onderzoek op veel plaatsen (in Frankrijk, in Holland, in Denemarken, in Zweden) steeds nauwkeuriger gegevens rond dit wrak te verzamelen, met als zijn definitieve slotsom, dat het om een (in Zaandam of Rusland gebouwde) galjoot ging, dat in Russisch bezit was en als vrachtschip verkeerde tussen Sint-Petersburg en Amsterdam.

Het schip was in 1747 voor de tweede keer in dat jaar op weg naar het Sint-Petersburg, dat zich snel ontwikkelde onder de energieke leiding van tsarina Elisabeth, die vooral graag feestte en tijdens haar bewind de bouw van de fraaie hoofdstad van Rusland aan alle kanten bevorderde. Uiteindelijk heeft Christian Ahlström via de tolboeken van de Sontvaart geconcludeerd, dat de naam van het schip 'Sankt Mikael' was en dat het samen met twee andere Russische zusterschepen met de namen van de aartsengelen Gabriël en Rafaël een soort trio vormde. De schipper (en waarschijnlijk tevens een belangrijke koopman in de Russische hoofdstad) was Carl Paulsen Amiel. Hij handelde voor het hof van tsarina Elisabeth. Zijn eigen scheepskist is ook naar boven gehaald en bevatte uitermate veel waardevol materiaal, dat ons een goede inblik geeft in het zeevaartleven van toen in de achttiende eeuw. Een groot gedeelte van de lading van de St Mikael is in de loop van de jaren vijftig en zestig naar boven gehaald en behoort nu tot de vaste tentoonstelling van het magnifieke maritieme museum in Kotka. Schitterend en de moeite van het bekijken waard.

Er zijn overigens nog steeds vakkundige mensen, die beweren dat dit schip niet de St Mikael was, maar een ander schip. Nu ja … ik als niet vakman wil me in deze discussie niet mengen.

 

DE VROUW MARIA EN DE KUNSTSCHATTEN VAN CATHARINA DE GROTE

De ondergang van dit schip in 1771 was onmiddellijk een sensatie in het koninkrijk Zweden, waar Finland toen bij hoorde, en het tsarenrijk Rusland, waar Catharina de Grote heerste. Onmiddellijk na de ramp werden van beide kanten politieke en concrete maatregelen genomen, het schip dat weggezonken was op te sporen en te 'ontlasten'. Jammergenoeg tevergeefs en al gauw raakte het wrak 200 jaar lang in vergetelheid, tot zeebioloog Christian Ahlström het serieus begon te zoeken en later vooral ook de professioneel duiker Rauno Koivusaari, die het schip uiteindelijk na scherpzinnig speuren op oude kaarten en inschatten van de situatie van de Finse archipel ook daadwerkelijk vond. Het schip zou voor velen interessant kunnen zijn, vooral vanwege de kunstinhoud ervan, voor Catharina door haar vertegenwoordigers in Amsterdam opgekocht: schilderijen uit de zeventiende eeuw, de Gouden Eeuw van Holland, met name van Gerrit Dou en Paulus Potter. Die waren in een veelbezochte Amsterdamse veiling te koop aangeboden, een rijke verzameling van Hollandse kunst, de erfenis van de familie Jan Braamcamp, waarvan de laatste telg in 1771 gestorven was.

 

Het is dan ook niet toevallig dat 250 na de ramp aandacht werd besteed in Finse media aan de Vrouw Maria. Twee boeken zijn er onlangs verschenen, die knap en vakkundig samenvattend de avonturen van dit schip tot nu toe behandelen.Een van die boeken is geschreven door een duiker-specialist, Juha Flinkman, van een firma die een grote rol heeft gespeeld bij het onderzoeken van het wrak, nadat het door Rauno Koivusaari in juni 1999 gevonden was.Het andere, een Amerikaans boek (in een Nederlandse podcast werd kortgeleden dit boek – in het Nederlands vertaald – geprezen als een spannend soort thriller) gaat diep in op de ramp en tevens op de belangrijkste schilder van de in Vrouw Maria vervoerde kunstschatten, een van de beroemdste leerlingen van Rembrandt, Gerrit Dou. Diens hoofdwerk 'De Kinderkamer' (een triptiek) werd nu, samen met andere kunstwerken uit de Gouden Eeuw, in het schip vervoerd naar St Petersburg, gekocht bij de boedelverkoop van de laatste telg van Braamcamp in Amsterdam, verzamelaars van kunst en wijnhandelaren. Verder wordt in het boek uitvoerig het leven van de Duitse prinses Sophie, die uiteindelijk tsarina Catharina de Grote werd, behandeld. In het derde deel van het uitgebreide werk wordt dan diep op de geschiedenis van de laatste twintig jaar; vooral dan over de rechten op dit kostbare schip: Nederlandse rechten, Zweedse rechten, Russische rechten, Finse rechten. Om uiteindelijk officieel te constateren, dat het schip nu niet gelicht wordt, maar voor verder onderzoek voorlopig op de zeebodem blijft liggen. Beschermd uiteraard door Finse instanties, maar toch bedreigd door illegale duikers en de dreiging van het water van de Oostzee, dat verandert en meer en meer invloed krijgt op de toestand van het wrak van Vrouw Maria.

Het verhaal van de avonturen van en met dit wrak is bekend, er werd al een mooie tentoonstelling rond de St Mikael en de Vrouw Maria in 2012 in het maritiem museum van Kotka georganiseerd. We zijn er met veel leden van de NViF naartoe gegaan en hebben ervan genoten. Gegarandeerd komt er later ooit opnieuw een grote tentoonstelling met de laatste gegevens van onderzoek. En als ik het goed begrepen heb is er al een video-document klaargemaakt, om de gebeurtenissen rond Vrouw Maria op een moderne manier voor het grote publiek te presenteren. Nu nog in Stockholm, maar over kort tijd ook in Finland, in Helsinki misschien of bijna zeker in Kotka. Dat zal en zou heel mooi zijn. Een voorproef ervan was er in 2012 tijdens de tentoonstelling te zien, maar eerlijk gezegd was deze voorproef nog niet zo erg geslaagd. Er haperde van alles en nog wat aan. Maar na 9 jaar zal het wel beter zijn.

 

SLOT, BELOFTE EN LITERATUUR

Het verhaal van wrak nummer drie, al langere tijd door Finse duikers gevonden, maar pas geïdentificeerd in 2016 als Huis te Warmelo, is zo anders en ook zo boeiend, dat ik dit verhaal voor een volgend keer bewaar.
Nu wilde ik alleen voor geïnteresseerde leden wat bereikbare informatie aangeven, zodat je zelf verder kunt zoeken.

Uiteraard is via het internet met de sleutelwoorden St. Mikael en Vrouw Maria vooral in het Fins en Engels (en ook wel wat in het Nederlands) al veel goede informatie te vinden.

HS ging op 26-08-2021 diep en uitgebreid in op de ecologische toestand van de in Finland veel bestudeerde Oostzee: ”Itämeripäivä. Itämeri on melkein järvi”. Hier gaat het dus in het algemeen over de tegenwoordige, enigszins belabberde toestand van de Oostzee, over de milieuvragen eromheen en vooral over de ontwikkeling, die ons te wachten staat wat de Oostzee betreft, als we niet verantwoord ingrijpen.

In de HS van 11.09.2021 gaat het dan direct over de Vrouw Maria: ”Haave hylyn nostosta elää yhä.” (de wensdroom dit wrak te lichten leeft dus nog steeds). Hier wordt het verhaal over dit wrak en de toekomst ervan uitgebreid uit de doeken gedaan. Het realiseren van het lichten van dit scheepswrak kwam als aanbod van particuliere zijde, zowel van Zweedse als van Russische gefortuneerde zakenmensen. De Finse maritieme autoriteiten hebben daar echter een stokje voor gestoken en bepaald, dat Vrouw Maria voorlopig ter plekke, in situ, blijft, voor nader onderzoek. Als dat is afgesloten, wordt er naar verdere mogelijkheden gekeken. Maar misschien is het dan te laat of is er gewoon het geld niet meer voor, iets te doen. De hoop leeft in Finland en ook elders echter nog steeds, het schip met eigen ogen eens te zien. Wie weet?

 

Tenslotte worden twee door mij geraadpleegde en gelezen boeken genoemd: Flinkman-Puromies, Vrouw Marian viimeinen matka, 2014; Easter-Vorhees, Vrouw Maria ja Katariina Suuren kadonut aarre, 2021. Het laatste, een uitgebreid en veelomvattend boek, is ook in het Nederlands verschenen en uit het Engels vertaald. Het Amerikaanse origineel is van 2020, dus recent, goed geschreven en wel doordacht!

Een ouder maar goed boek is voorts: Koivusaari en Heikkilä, Suomen rannikon aarrelaivat, 2000. Dit boek is dus gepland door de vinder van de Vrouw Maria, Rauno Koivusaari, een ervaren en zeer gedreven duiker. De tekst is geschreven door Mikko Heikkilä. Een goede methode overigens, zoals ook het Amerikaanse boek is gepland en voorbereid door de Bostonse historicus Gerald Easter en geschreven door de ervaren reisjournaliste Mara Vorhees.

Aanraders zijn ook (in het Fins of Engels): Anna Nurmio-Lahdenmäki (editor), St. Michel 1747, 2006.. Verder: Eero Ehanti e.a., mereen menetetyt, uudelleen löydetyt, Suomen merimuseo, 2012. (Aan de zee verloren, maar teruggevonden schepen). Wie Christian Ahlström in het Zweeds wil lezen: Sjunkna skepp, Stockholm 1979.

Met groet,

Peter Starmans

 

 

 

 

 

De omslag van het recente boek over Vrouw Maria van Easter en Vorhees

 

Een lang artikel in HS van 11.09.2021 over de Vrouw Maria met een klein kaartje voor het overzicht
Het vrachtruim van de Vrouw Maria, getekend door Tiina Miettinen, namens museovirasto
Duikers aan het werk bij de steven van de Vrouw Maria, getekend door Tiina Miettinen, namens museovirasto
Wit Meissen-porselein van een theeservies, met een tafelfiguur en een Petersburgse krant in het Duits. Dit is een deel van de buit van de St Mikael!
Het wrak van de Vrouw Maria op de Oostzee-bodem, 41 meter diep. De duikersboot erboven is de Teredo, vanwaaruit onderzocht wordt. Tekening door Juha Flinkman

De Oostzee bij Nauvo

De Oostzee ten zuidwesten van Finland

De plaats waar de Vrouw Maria op een verborgen klip is gestoten en gezonken is

De archipel bij Nauvo, met name bij Borstö, waar de St Mikael gezonken is

Het eiland Borstö, waar de vissers de St Mikael gevonden hebben, in 1953


Vakantie in Finland

VAKANTIE IN FINLAND 2021

Ondanks corona mochten we ons toch deze zomer binnen Finland bewegen, voorzichtig wel, met soms een mondkapje voor (in bus en trein bijvoorbeeld) en altijd op afstand (anderhalf tot twee meter, moeilijk hoor, dat altijd in de gaten te houden), maar toch …

We zijn slechts twee dagen bij vrienden in Asikkala geweest. Kort maar krachtig laten we maar zeggen, zeer de moeite waard. Heerlijk zo aan het water van het meer Vesijärvi, op korte afstand van het Vääksy-kanaal, dat dit genoemde meer met het meer Päijänne verbindt. Het eerste water met Lahti aan de kust, het andere met Jyväskylä.

We zijn voorts een weekje bij een nicht van Kaisa in Kesälahti geweest, gelegen tussen het meer Pyhäjärvi, waaraan ons zomerhuisje gelegen was, en het meer Puruvesi. De week was mooi, niet te heet, zoals deze zomer wel grotendeels was, maar zonnig en fijn. Het zwemwater was op goede temperatuur, niet te warm niet te koud, rond de 20 graad!

Op beide plekken hebben we in korte tijd het een en ander beleefd, verrassend veel wel, maar ook indrukwekkend. Echt! Want vakantie is voor ons niet alleen rust, maar ook cultuur. In Finland kun je (zelfs in het zomerseizoen van corona) allerhand interessants beleven, naast uiteraard rust, sauna, wandelen, bessenplukken in de zomer en paddestoelenplukken in de herfst of gewoon lekker zwemmen.

En vooral viel nu het verschil met een Nederlandse vakantie op (op de waddeneilanden of in Drentre bijvoorbeeld, heerlijk!). In Nederland is vakantie vieren mooi, in Finland ook, maar zo anders!

 

ASIKKALA

Opvallend is uiteraard de rust overdags en 's nachts de stilte. Er zijn wat toeristen, maar niet teveel, geen massa's. Er zijn ontmoetingsplaatsen, restaurants of café's, maar ook die zijn niet overbevolkt, je kunt er smakelijk met elkaar eten en ongestoord converseren, zonder dat je je stem moet verheffen om de buren of het lawaai om je heen te overstemmen. Dat doet alleen al goed.

 

VÄÄKSY

Het Vääksy-kanaal werd een 150 jaar geleden geopend voor het waterverkeer. Met één sluis wordt het hoogteverschil (een meter of drie) tussen de twee grote wateren overbrugd. En deze waterbrug is niet eens erg lang, een paar kilometer slechts.

Dit kanaal was een tijdlang voor Finland economisch erg belangrijk, voor de houtindustrie vooral, want nu kon gekapt hout van Midden-Finland uit de omgeving van Jyväskylä probleemloos en stukken goedkoper via het water naar Lahti vervoerd en vandaar verspreid worden over de papierfabrieken en houtzagerijen in Zuid-Finland of geëxporteerd worden via Helsinki of Kotka naar het buitenland. Het economisch belang voor Finland is in dit opzicht uiteraard vanzelfsprekend.

Tijden geleden was het houtvlotten de goedkoopste en ook effectiefste manier, om gehakte bomen naar de industriecentra in het zuiden van het land te brengen, via Lahti uiteraard, dat toen een centrale functie had in het ruwhoutvervoer over water. Nu is het houtvlotten uiteraard verleden tijd, sinds de wegen voor vrachtvervoer per auto en ook de spoorwegen gemoderniseerd en ontwikkeld zijn en dus steeds belangrijker worden, omdat ze sneller zijn.

Een andere betekenis van het idyllische kanaal is er voor de toeristen per boot. Voor zeil- en motorboten, maar ook voor grote of kleine passagiersboten, want die kunnen nu zonder problemen een veel groter gebied bestrijken dan vroeger, toen het zuiden voor dit soort vrijetijdsbesteding kleiner, dus beperkter was. Dus toeristen waren er vele die van deze nieuwe mogelijke verbinding tussen uitgestrekte en schone wateren gebruik maakten.

De derde functie van Asikkala/Vääksy is haar betekenis als mooie ontmoetingsplaats. Vroeger waren het twee gemeentes, maar nu is Vääksy (dat een heel mooi dorp rond een meanderend riviertje vormt) opgenomen in de grotere gemeente Asikkala. Het kanaal is handig voor toeristen om verder te kunnen komen, maar is ook op zich heel mooi en interessant. Maar bovenal is de omgeving ervan is erg afwisselend, een zijtak van de Salpausselkä loopt er doorheen, als heuvelrug hoog, fraai bebost, ideaal voor loop- of wandelsport, met fraaie uitzichten en verrassende natuur, met veel bessen en paddestoelen in zomer en herfst.

Om een voorbeeld van de ontmoetingsplaats Vääksy/Asikkala te geven: de beter gesitueerden van Helsinki waren gedurende de zomer graag in deze streken, het was er mooi en rustig, je kon er genieten van de prachtige natuur en vooral: het was vanuit het zuiden gemakkelijk te bereiken. Vooral rijkere cultuurmensen voelden zich aangetrokken tot deze ontspannende streek, waar ze elkaar 'natuurlijk' konden ontvangen gedurende de zomer en waar ze ook in rust met elkaar konden discussiëren of overleggen. Bekende families zoals de Järnefelt's (jaja, Aino was de dochter en zij was getrouwd met Jean Sibelius!), zij hadden hier hun zomerverblijf. En het nu bekendste punt van ontmoeting was dat van Johan Richard Danielson-Kalmari, een alom bekend Fins historicus van de UvH, voorts een bekend Fins politicus en staatsraad van eind negentiende begin twintigste eeuw, toen Finland naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid streefde. Hij nodigde regelmatig in de zomer zijn collega's naar zijn zomervilla  uit, er zal dus daar in Vääksy zeer zeker geschiedenis gemaakt zijn, bij de maaltijd of in de sauna! Het huis is nu museum, toen wij er waren waren er een fraaie tentoonstelling van streekgenote Nanna Susi. Heel mooie schilderijen, waarvan een paar foto's.

 

KESÄLAHTI

In augustus waren we ook in een zomerhuis in Karelie. In het oudere plaatsje Kesälahti, idyllisch tussen het Puruvesi-meer (met zijn bekende muikut=kleine marene, heerlijk!) en het meer Pyhäjärvi gelegen. Wij woonden voor een weekje aan de Sinikivenlahti-bocht van het Pyhäjärvi, waar je heerlijk kunt saunen en daarna zwemmen in het frisse en o zo zachte Saimaawater.

CULTUUR

Kesälahti, weliswaar een vrij kleine dorpsgemeente, maar wel met een ruim cultuuraanbod.
We luisterden daar bijvoorbeeld op zaterdagmiddag naar een fantastisch pelimanni-concert en op dezelfde avond naar een wervelend vioolconcert door de bekende Finse vioolvirtuoos Pekka Kuusisto. Om stil van te worden. En de regen ruiste zachtjes op het hoge dak, heel passend!
Voorts was er een interessante tentoonstelling met werken van Kuutti Lavonen en zijn kunstenaarsvriend Pentti Hakala.
Die concerten beluisterden we in een niet meer gebruikte, enorme hooischuur van een kartano, mooi en origineel aangekleed en tot mijn verrassing met een voortreffelijke akoestiek.
De muziek was zowel volks ('s middags) als ook klassiek en modern ('s avonds), beide gebracht als een soort potpourrie. Heerlijk om mee te beleven!
De kleine tentoontelling van Kuutti Lavonen en Pentti Hakala was ook meer dan de moeite waard.
De een met prachtige, gevoelige, meditatieve beelden, de ander met abstracte schilderijen en originele, kleine hout-installaties.
Wonderlijk, dat zoiets in een klein maar actief Fins stadje wordt opgevoerd of tentoongesteld, en er waren ook nog genoeg bezoekers heb ik begrepen, fijn zo.
En … wat was het toch heerlijk zwemmen in een schoon Fins natuurmeer. Het water was al wat kouder, maar uitermate verfrissend en verkwikkend. Je zag vanaf het terras van ons zomerhuis een grote glinsterende waterplas, verlokkend in een natuurlijke, rustgevende omgeving. En stil dat het om je heen is, weldadig, echt waar. Overdags en 's nachts!

SAUNA

's Avonds zaten we heerlijk bij ondergaande zon in een savusauna bij vrienden. Wat is die hitte toch mild en strelend voor de huid, perfect vervolgd door een duik in het reine Saimaawater met een flesje bier erna! Een aanrader dus voor iedere saunafan.
Inderdaad is een electrisch verwarmde sauna ook wel ok, daar niet van, maar een met hout gestookte sauna is toch wel stukken beter en ... een rooksauna spant zonder meer de kroon, ook al moet je je handen wel tussendoor goed afspoelen vanwege het roet, dat op de leuning van het saunatrapje is blijven hangen en dus zonder meer op de handen of de armen van de bader of baadster terechtkomt.
Nog iets over de sauna. Wat is het geheim ervan?
Sauna maakt rustig en schoon.
Schoon uiteraard en dat zal wel de oorspronkelijke idee ervan zijn. Maar toch vooral ook schoon van binnenuit, en niet alleen oppervlakkig zoals bij een snelle douche.
En rustig maakt een sauna tevens. Overigens, die rust of dat vredige gevoel tijdens en na de sauna, daar wist president Kekkonen alles van. Hij ging welgemoed met moeilijke gasten, bijvoorbeeld uit Moskou, uitgebreid naar de sauna en in hun gesprekken daar, ontspannen en eerlijk (zonder kleren, dus zonder poespas, van man tot man, dus zonder eretekens) bereikte hij vaak wat hij wilde.        Een goede illustratie van Finse zakelijkheid. Van man tot man, of voor mijn part van vrouw tot vrouw, ok, maar niet mengen, dan gaan andere zaken een te grote rol spelen en dat is tegen de principes van de sauna. Er is uiteraard een uitzondering: het gezin en de familie. Maar liever niet zoals in Nederland vaak: allemaal gezellig bij elkaar in ons blootje. Dat kan uiteraard wel, maar is niet in overeenstemming met het echte wezen van de sauna.

WATER

Nog iets anders: het water van een groot Fins meer. Wat heeft dat toch vele gezichten.
Vlak en stil water, vooral 's avonds, als de zon aan het ondergaan is. Maar ook bij storm of harde wind, wat uiteraard grotere of kleinere golven veroorzaakt, soms vooral ook heerlijk om tegenin te zwemmen in dit vaak schone en zoete meerwater.
Dan weer rustig voortkabbelend water, wat meditatief aandoet en rust geeft, individueel misschien, maar vooral ook in gezellig samenzijn.
Ook mooi zijn wolken, in het water weerspiegeld, bij zonlicht of bij dreigende grauwzwarte wolkenmassa's bij een naderend onweer. Geweldig!
Nou ja, er zou zeker nog veel meer over te vertellen zijn!

Laten we hierbij maar nu laten. Het was ons overigens deze zomer weer eens te meer duidelijk, dat Finland niet alleen een uitgestrekt land is met bossen en meren, maar ook een land met sauna en zwemwater en tevens ook een land met cultuur, oude en moderne. Dat is fijn, nietwaar?

Met groet,

Peter Starmans

 

 

 

 


Nederlandse en Finse cultuur

Die cultuur (breed verstaan) blijft de laatste jaren wat mager bedeeld. Vroeger had je nog wel lezingen over Nederlands-Finse onderwerpen of Nederlandse filmvoorstellingen. Dat heeft echter in de moderne mediawereld weinig zin meer, zoals ook laten we zeggen het organiseren van goedkopere reizen naar Nederland. De wereld is zo veranderd. Prima, maar wat dan?

Zou het (naast het organiseren van een kerstviering, een tentoonstelling- of museumbezoek) ook niet nuttig kunnen zijn, wat meer aandacht via de site bijvoorbeeld te besteden aan boeken, aan Nederlands-Finse actualiteit in de media, aan historische relaties tussen Nederland en Finland?

Wat jaartjes geleden heb ik een blog onderhouden (Petrus, Hollantilainen ja Suomalainen), die zou ik weer in het leven kunnen roepen, zodat mensen die via de site of facebook of ook direct kunnen lezen en er eventueel op kunnen reageren.

Ik denk bij het bovengenoemde voorstel meer aan een soort ‘boekenplank’ met boeken die voor anderen misschien interessant kunnen zijn; of met vertaalde boeken, uit het Fins naar het Nederlands en uiteraard uit het Nederlands naar het Fins. Ik denk dan ook aan opvallende actualiteit, die met Nederland te maken heeft en in de Finse pers verschijnt. Er zijn zeker nog wel andere ideeën over, maar dit is slechts een voorstel om een begin te maken.

De echte, wat langere historische verhalen zou ik dan meer voor het Noorderlicht willen bewaren, zoals in het verleden ook al vaak het geval was. Aan een nieuw boek over de relaties tussen Finland en Nederland kunnen we nu vermoedelijk niet meer denken, maar ja, wie weet? We zijn al blij dat we er een stuk of wat (om precies te zijn vijf) hebben. Op deze manier zouden we samen met Dave (en Michel wellicht) en uiteraard het bestuur kunnen helpen, de site ook inhoudelijk wat aan te vullen. Hopelijk is er dan via dit medium dan ook meer interesse voor. Wie weet?

Met groet,

Peter Starmans


Hutspotavond + Herfst-ALV

Op zondag zes oktober waren we welkom in restaurant Rupla, waar eerst de herfst-ALV gehouden werd – waarover direct meer – en het daarna de beurt was aan de heerlijke haringen met ui en de hutspot in twee versies: een schaal met en een schaal zonder vlees, dus … zoals u wel begrijpt; al of niet een vega- of vege- of vegetarische maaltijd.

De avond was goed bezocht, er waren wel een man/vrouw of vijftig aanwezig, de haringen (ons door de Nederlandse ambassade aangeboden; ook dit keer door onze ‘hoffotograaf’ Arie besteld en verzorgd) die Hollandse haringen met uitjes waren vet en voortreffelijk, de hutspot zelf was heel smakelijk, de koffie of thee erna waren fijn. Dat alles heeft de prettige sfeer zeer zeker positief beïnvloed.

Het was dus gewoon als vanouds gezellig, en het voelde heerlijk aan, weer eens met allerhand Nederlanders of aangetrouwden bij te kletsen, fijn zo. En de afdeling drankjes (bier, sap, water, limonade etc.) was welverzorgd, en Guido had zelfs via Schiphol ervoor gezorgd, dat er na lange tijd weer eens een voortreffelijk borreltje heel oude jenever aanwezig was. Zalig en tot de laatste druppel leeggedronken (maar niet alleen door mij hoor).

Omdat de ALV vóór het hutspotfestijn plaatsvond, heb ik begrepen, dat er ook in de regio gevierd werd, in Jyväskylä, in Oulu, in Turku en in Tampere. Ook daar zal het wel gezellig geweest zijn. Voorts was het min of meer nieuw (tenminste voor mij), dat de ALV via skype op vijf plaatsen tegelijk gehouden werd, zonder al te veel technische problemen. De reacties van elders naar Rupla waren eventueel wat traag, maar wel duidelijk en meelevend. Een pluim voor Guido en zijn bestuur, dat het zover is gekomen. De regio hoort er meer en meer bij, goed zo!

De ALV verliep verder rustig en goed. Daarom wil ik er graag nog even op terugkomen.

Mirjan en Sanne hebben er de afgelopen tijd effectief voor gezorgd, dat de ledenlijst eindelijk eens bijgewerkt is. En verder dat slechts 7% de contributie voor 2019 nog niet betaald heeft. Dat is zonder meer verheugend. Sanne legde voor ons op een heldere manier de baten en kosten tegenover elkaar, ook via de duidelijke beelden met de nieuwe en voortreffelijke beamer van de NViF ondersteund.

De evenementen in 2019 waren ruim bezocht en er waren vooral ook meer bijeenkomsten, in Uusimaa, de kernregio, maar klaarblijkelijk ook in de regio. Sinterklaas overal, de ontvangst bij Nieuwjaar overal, het Koningsfeest overal, het Leidens Ontzet overal; tevens waren er nieuwe initiatieven zoals het (jammer genoeg wat minder goed bezochte) bezoek aan de museumfabriek Werla, en verder de mosselmaaltijd en regelmatige borrelavonden. Heel fijn zo, en vrijwel allemaal dus ruim bezocht door leden en geïnteresseerden, zodat we echt kunnen zien, dat de NViF weer volop levend is en een gezonde toekomst tegemoet gaat.

De digitalisering van onze vereniging is veelbelovend op gang gekomen, Dave en Michel zorgen er goed voor, maar hopen wel op meer bijstand, zowel technische als inhoudelijke hulp. Bij dat laatste wil ondergetekende wel graag zoals tot nu toe een rol spelen, bij dat eerste laat ik echter het initiatief graag aan jongere leden over, die de elektronica met de paplepel ingegoten gekregen hebben. De digitalisering heeft uiteraard alles te maken met de site, die er overigens nu al prompt uitziet, maar ook wel met de facebookpresentatie, met het Noorderlicht en andere publicaties. Bij die laatste twee zouden zonder meer leden hun steentje kunnen bijdragen, want een goede inhoud van de site en Noorderlicht is belangrijk voor een vereniging als de NViF. De afdeling foto’s is al goed verzorgd en zal zeer zeker verder ontwikkeld en gestroomlijnd worden door Arie, Dave en anderen.

Bas pleitte voor een deelname van het mkb (midden- en kleinbedrijf), in zoverre het Nederlanders in Finland betreft, aan de site, aan het Noorderlicht en wellicht ook aan de evenementen. Dat lijkt me fijn en effectief ook, want zo kunnen beginnende of al lopende kleinere firma’s (door Nederlanders gerund) tevens onder Nederlanders bekend worden en zorgen voor eventueel contact met hen of wederzijdse diensten. Dat zou ik een nieuw initiatief willen noemen en is zeker iets anders dan het zoeken van sponsors voor de vereniging. Die zijn goed verder, ook voor ons, maar dit is iets anders.

Sanna bracht naar voren dat het goed zou zijn wat meer voor de jeugd binnen het kader van de NViF te organiseren. Sinterklaas is al zoiets, maar zij dacht hierbij bijvoorbeeld aan filmmiddagen of -avonden. Uit het publiek kwam meteen de reactie (ook vanuit de Nederlandse school) dat de zaterdagschool al het een en ander doet. Dus toen werd het meteen duidelijk dat hechte samenwerking tussen de NViF en de Nederlandse school niet alleen te wensen is, maar ook gestimuleerd moet worden. Is de zaterdagschool toch ooit eind jaren tachtig uit de NViF ontstaan, nog wel onder mijn voorzitterschap! Een probleempje ontstond wel, omdat het begrip ‘jeugd’ (door Sanna geopperd) wat onduidelijk is: de jeugd van de zaterdagschool bijvoorbeeld of ook de jonge mensen, die daar al niet meer op zitten, de jongeren dus? Bovendien zitten niet alle Nederlandse kinderen in Finland op deze school. Daar zou de NViF een rol kunnen spelen. De discussie bleef wat vaag, maar dit idee is zeker voor ontwikkeling vatbaar.

Opvallend was ook de wens uit het publiek, meer aan gezamenlijke sport te doen. De NViF heeft al meerdere malen ijsloopwedstrijden mede georganiseerd, bijvoorbeeld door het meedoen met de Finse ‘Elfstedentocht’ in Kuopio of op het meer van Tuusula. Ik ben benieuwd wat hieruit voortkomt, sporten is uiteraard gezond en bindt samen, dus waarom niet ook binnen de NViF?

Met groet,

Peter Starmans


Leidens Ontzet

Een (ingekort) verhaal uit ‘Altijd roomboter’ (2005) van Nelleke Noordervliet, een levensverhaal over haar overgrootmoeder Engelbertha, die geboren was in 1856. Ze had als dienstmeisje gewoond in Arnhem, maar was verhuisd naar Leiden. ”Aanvankelijk had Engelbertha het niet makkelijk gehad in de vreemde stad … De volkrijke buurt bij het Galgewater keek niet op van een Arnhems meisje met een onwettig kind.”

”Leidens Ontzet. Een feest voor het volk. Voor mijn moeder was het elk jaar de aanleiding het eerste maaltje hutspot met klapstuk van het seizoen te koken. Mijn oudtante Toos … ging op 3 oktober steevast naar de feestelijke uitdeling van haring en wittebrood op het stadhuis.

In 1878 maakt Engelbertha haar eerste 3-oktoberfeest mee. Ze is dan tweeëntwintig, haar dochtertje is bijna vier maanden oud. Er is kermis. Niemand werkt. Al vroeg verzamelt het volk zich bij het stadhuis. Er wordt een aubade (= een ochtendhulde met muziek) gegeven door dankbare schoolkinderen aan wie het verhaal is verteld over de honger die het door de Spanjool omsingelde Leiden trof, zo erg dat er geen hond of kat meer te vinden was en burgemeester Van der Werff zijn eigen arm ter consumptie aanbood. Jonge meiden gaan gearmd over straat, gevolgd door kerels met hun handen in hun zakken, hun pet zwierig op één oor. Er wordt al vroeg gedronken, maar de ware dronkenschap wordt uitgesteld tot de avond. Eerst moet er nog volop worden genoten en geflirt en gevreeën en gevochten. (…)

Ze (Engelbertha) had zich net als haar vriendinnen aangemeld voor de uitdeling van haring en wittebrood door de studenten en ze mocht komen. Ze was kennelijk armlastig genoeg bevonden. ‘Het is maar één sneetje en een halve haring, hoor,’ waarschuwden ze haar. ‘Rijkelui zijn vrekkig, hoe denk je anders dat ze zo rijk zijn geworden.’ (…)

De notabelen en heren studenten stonden achter een tafel en controleerden de namen. Het tafellaken klapperde in de wind. Engelbertha rook de haring. Ze haalden allemaal een bord of een kom uit hun schort en vingen daarin hun portie op zodra ze aan de beurt waren. Er werd goedmoedig gekankerd op de hoeveelheden. Er werd geroepen om meer. De burgemeester had zijn zilveren ambtsketen om en stond te blinken in de zon. Zijn haar woei van de kale plek op zijn hoofd af. Het was een bespottelijk gezicht. Af en toe schudde hij iemand de hand en maakte een praatje. Achter hem stonden gewichtige lieden. Aan de gevende kant van de tafel: in het gelid, buikig, ernstig, plechtig. De armen aan de ontvangende kant: een roerige menigte met uitschieters van vloeken en lachen. Engelbertha nam haar stuk brood en haar vis in ontvangst.

‘Was Jezus maar een Leienaar,’ zei een man, ‘die zou dat ene broodje en die halve vis wonderbaar weten te vermenigvuldigen.’ Iedereen in zijn buurt lachte. Onder het afdak van de Vismarkt aten ze. Haar vingers roken naar haring. Ze veegde ze af aan haar schort. Leiden was anders dan Arnhem. Drukker. Levendiger.. Armer. (…)”


Peter Minuit

Fins-Nederlandse relaties

Peter Minuit

Zoals de meeste lezers wel weten, houd ik me veel bezig met de relaties tussen Nederland en Finland. Nu wilden ik hier drie relaties kort behandelen, die me dit jaar opvielen en die wellicht naar een verdere uitwerking verlangen.

Russell Shorto heeft een interessant boek geschreven over de geschiedenis van Amsterdam en ook een over de historie van Nieuw-Amsterdam. Dat laatste gaat dan uitvoerig over de beginjaren van de wereldstad New-York; de jaren vanaf 1609 (toen Hudson deze ideale handelsplek met een ideale natuurlijke haven aan de oostkust van Amerika vond) en 1664 (toen de Engelsen onder de beschermheerschap van James, de hertog van York, de Nederlandse kolonie overnam).

En nu zal ik het hier niet hebben over de laatste gouverneur Peter Stuyvesant, ofschoon er over hem veel geschreven is en het nog steeds niet helemaal duidelijk is, hoe we deze gouverneur van Nieuw-Amsterdam moeten plaatsen. Zelfs ook niet over hem, hoewel zijn sigarettenmerk ook in Finland overbekend geworden is en daarom een rokende relatie tussen Nederland en Finland zou kunnen illustreren. Maar toch niet echt, omdat dit wereldbekende sigarettenmerk helemaal niet Nederlands is, maar Duits; de firma Reemtsma is in Hamburg gevestigd en niet in Amsterdam, jammer maar waar.

Over wie zal ik het dan wel hebben? Over een eerdere leider in Nieuw-Amsterdam uit de jaren 1620 van de nog piepjonge Nederlandse kolonie in Amerika; en wel over Peter Minuit, die ook wel Peter Minnewit wordt genoemd. Een ras Hollander? Ja en nee! Wel een ras Nederlander, uit Wallonië namelijk! En ook een uitermate boeiende figuur, internationaal ingesteld, die via Samuel Blommaert ook met Finland te maken heeft gehad (Blommaert, vanaf 1636 consul van het Zweedse koninkrijk in de Nederlandse republiek) en Axel Oxenstierna (de machtige kanselier van Zweden onder Koning Gustaaf II Adolf en Koningin Christina). Deze relatie via de kolonisten namelijk, die uit Midden-Zweden kwamen en afstammelingen waren van Finnen uit Savo en omgeving, die genoemd werden: ‘Metsäsuomalaiset’, Bosfinnen dus.

Peter Minuit, foto: Wikipedia

Peter Minuit, begin jaren 1580 geboren in Wesel aan de Rijn, stammend uit Waalse ouders van Tournai oftewel Doornik. Peter kwam al jong naar Utrecht om diamantsnijder te worden, trouwde en ging in Kleef vlak over de grens in Duitsland wonen. Vandaar trok hij (zoals zovelen) naar Amsterdam, waar hij als vrije handelsman dienst nam bij de WIC. Die compagnie was officieel ontstaan na het twaalfjarige bestand (1609-1621), om o.a. de kolonie Nieuw-Amsterdam te gaan beheren en bevolken. Peter was een daadkrachtig zakenman, die wel wat zag in de handel tussen Nieuw-Amsterdam in Amerika en Amsterdam in Holland. Handel in beverpelzen bijvoorbeeld en misschien nog andere producten als goud of zilver of andere waardevolle ertsen. Dat wilde hij ter plekke gaan uitzoeken. Meerdere malen ging hij op en neer tussen de beide havenplaatsen en slaagde goed in zijn eigen werk. Een ondernemend zakenman was Peter Minuit, tevens een geboren leidersfiguur met natuurlijke autoriteit, moedig en doortastend (denk alleen maar aan de regelmatige zware zeereizen op en neer van Europa naar Amerika en terug).

Minuit was van nature communicatief begaafd en als vanzelf in staat goede relaties te onderhouden met de kolonisten, maar ook met zijn Amsterdamse bazen; voorts kon hij goed met de indianen omgaan, wat de gouverneur van toen (Willem Verhulst) juist niet kon. Onder andere daarom werd Verhulst na slechts een jaar in dienst te zijn geweest al in 1626 afgezet en naar zijn thuishaven Amsterdam teruggestuurd, om zich te verantwoorden bij de Heren van de WIC. De kolonialisten kozen toen tot hun nieuwe leider Peter Minuit. Hij werd vanaf 1626 met toestemming van de WIC de derde gouverneur van de Nieuw-Nederlandse kolonie.

Minuit vervulde deze functie goed en doortastend vanaf 1626 (toen Manhattan via hem ‘gekocht’ werd van de indianen) tot 1632, toen hij ter verantwoording bij de bazen teruggeroepen werd naar Amsterdam. Misschien omdat hij de vrije handel meer diende dan de wensen van de WIC? Hij was per slot zakenman en geen stroman van de WIC!

Kortom: Peter Minuit, overtuigd calvinist, was een sterke persoonlijkheid, die via zijn ouders Waals/Frans sprak, die Duits werd opgevoed, die Nederlands leerde en al snel ook talig goed kon communiceren met de internationale (!) groep kolonisten (Walen, Duitsers, Engelsen, Fransen, Hollanders), die via Amsterdam voor de WIC naar Amerika waren getrokken, als avonturiers of als vluchtelingen, vooral toentertijd vanwege de religie. Een allround man dus.

Toen hij terugvoer eind 1632 kwam zijn schip door een fout van de kapitein in het Zuid-Engelse Plymouth terecht. Het schip werd in beslag genomen en Minuit werd als schuldig aan bedrog gevangen gezet vanwege de toen nogal verwarrende en tegenstrijdige politiek tussen Engeland en de Noordelijke Nederlanden. Peter ontsnapte en belandde uiteindelijk in Amsterdam, werd toen na verhoor (ten onrechte wel) ontslagen door de WIC, zodat hij zich verbitterd afvroeg hoe het verder moest.

De Bosfinnen (‘Metsäsuomalaiset)

Via de consul van het koninkrijk Zweden in Amsterdam, de al genoemde Samuel Blommaert, kreeg Peter Minuit de kans, zich als ervaren en ook militaire leider van een eventuele expeditie van Zweedse oorlogsschepen met Zweedse onderdanen (en andere kolonisten) naar Amerika, in Amsterdam in te schepen. Dat gebeurde voorjaar 1638. Het koninkrijk Zweden wilde zich toen profileren als de nieuwe Europese grootmacht en wilde dus ook een eigen kolonie stichten. Minuit wist daar wel raad mee en stelde voor, het zuidelijke gedeelte van de Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland (of Nova Belgia) aan de kust van Oost-Amerika (rond de grote rivier de Delaware, toen de Zuid-rivier van Nieuw Nederland) te kapen, om daar een Zweedse kolonie te stichten. Dat deed hij graag, uit wraakgevoelens, maar ook omdat hij uit zijn ervaring ter plaatse wist, dat die streken rond fort Nassau zwak verdedigd werden door de WIC. En verder wist hij toen al donders goed, dat er daar veel te halen was! Niet alleen voor de Zeven Provinciën, maar ook voor de jonge grootmacht Zweden. Zo gezegd, zo gedaan dus.

De kolonie Nieuw-Zweden werd dus door Minuit via overrompeling gesticht en kon het zeventien jaar militair tegen de Hollanders volhouden tot 1655, toen Peter Stuyvesant uiteindelijk de Zweedse kolonie terugveroverde voor Nieuw-Nederland, waar Nieuw-Amsterdam de hoofdstad van was. Tussen 1638 en 1655 zijn er onder andere talloze Finstalige kolonisten vanuit Zweden en ook uit het toen nog Zweedse Finland naar het Delaware-gebied geëmigreerd en hebben daar in de loop van die bijna twintig jaren een bloeiende kolonie opgebouwd.

Schilderij: Eero Järnefelt

Een groot gedeelte van die genoemde Finnen noemt men nu Metsäsuomalaiset, Bosfinnen, omdat juist zij (veel beter dan andere, bijvoorbeeld Zweedse kolonisten) boservaren konden leven en alom bekend waren vanwege hun deskundige bosbouw, blokhuisbouw en het voor landbouw klaarmaken van afgebrande en gerooide bosstreken, de zogenaamde kaski-veldwinning. Zij waren dus voornamelijk houtarbeiders. Doordat deze Finse kolonisten graag in de bossen wilden wonen (de anderen vaak liever niet, die voelden zich veiliger aan het water), hadden zij ook een veel gemakkelijker en natuurlijker contact met de indianen van die streken. Dus indirect waren zijn voor de Zweedse handel goud waard!

Over deze Metsäsuomalaiset zou ik in de komende tijd aan de hand van goede studies erover nog wat willen nadenken, om dan later mijn bevindingen op papier te zetten.

Fins-Nederlandse relaties (1)

De relatie tussen Nederland en Finland moeten we hier zo zien:

Peter Minuit kwam uit de vroegere Nederlanden (Wallonië) en via Wesel aan de Rijn naar Amsterdam in Holland aan het IJ en heeft de Delaware-streek in dienst van de koning van Zweden (in 1638 Koningin Christina, vertegenwoordigd door rijkskanselier Axel Oxenstierna) veroverd. Minuit heeft de Zweedse kolonie gesticht en als efficiënt leider van het begin af aan met straffe hand opgebouwd. Dat hij al herfst 1638 meteen op de eerste reis terug naar Amsterdam (om nieuwe kolonisten aan te werven) bij een zware storm om het leven is gekomen, dat was weliswaar pijnlijk, maar zijn werk is effectief voortgezet, zowel wat de aanwerving van kolonisten voor als wat de opbouw en uitbreiding van de kolonie zelf betreft.

Meer en meer Metsäsuomalaiset kwamen daar in het Delaware-gebied in de loop der jaren aan. Zweden wilde deze Finnen ook wel kwijt, omdat Zweedse onderdanen (boeren vooral) vaak jaloers waren op deze effectieve, zo geslaagde Finnen. De Bosfinnen werden een belangrijke groep van de Zweedse en andere kolonisten. De Bosfinnen konden en wilden daarenboven ook de binnenlanden van de Delaware-streek koloniseren en zo het contact met de binnenlandse indianen met de daarbij behorende wederzijdse handel bevorderden.

De Metsäsuomalaiset werden dus belangrijke leden van de Zweedse kolonie Nieuw-Zweden, die onder leiding van de Nederlander Peter Minuit in 1638 gesticht was en op gang was gezet. Maar … zoals gezegd, daarover later!

Daniel Cajanus en Vincent van Gogh

Over twee andere thema’s zou ik een andere keer hier of elders wat uitvoeriger willen ingaan. Maar belangrijke thema’s in Finland waren ze wel in 2019.

Daniel Cajanus

Allereerst zou ingegaan kunnen worden op Kajaani en de opvoering aldaar in juli 2019 van de opera Daniel Cajanus. Dat is een groot succes geworden, maar heeft (naar mijn smaak jammer genoeg) te weinig aandacht gekregen van de pers en de media, wel enigszins maar niet erg uitbundig en algemeen. Terwijl het hier toch een uitgebreide en langdurige samenwerking betrof tussen Kajaani en Haarlem en er vele mensen aan beide kanten bij betrokken waren. Ik kan wel zeggen honderden.

Waarom deze gebeurtenis zo weinig aandacht getrokken heeft, weet ik eigenlijk niet. Het kan het feit zijn, dat Kajaani nu niet bepaald (vanuit het zuiden van Finland bekeken) in de buurt ligt, dus op grote afstand. Een andere reden kan geweest zijn, dat deze opera een keer of zes opgevoerd werd in de buitenlucht, tijdens de vakantie in Finland, en wel in het kader van het zomerse ‘kesäteatteri’, het zomertheater van Kajaani, wat uiteraard meer regionaal gericht is en niet zonder meer landelijk.

Nou ja, het verhaal van de reus Daniel Cajanus is niet nieuw, noch in Finland noch in Nederland. Arnold Pieterse heeft bijvoorbeeld in een Aviisi van 2017 een uitvoerig artikel over hem geschreven en de opera, die nu in Kajaani opgevoerd is, tegelijk met een kleine tentoonstelling in het plaatselijk museum, is een jaar of twee geleden met groot succes en sterke mediale aandacht in Haarlem voor het eerst opgevoerd (en tentoongesteld).

Het andere punt, waar we het zeker ook nog wel eens over zullen hebben, is de door het Didrichsen Museum van Helsinki aangekondigde Vincent van Gogh-tentoonstelling in de herfst van het volgend jaar (van september 2020 tot januari 2021). Daarover kan de lezer al wat lezen in mijn blog ‘Petrus, Hollantilainen ja Suomalainen’.

Het thema is, als ik het goed begrepen heb, de wording van Vincent tot de grote kunstenaar die we nu allemaal kennen. De tentoonstelling concentreert zich rond een veertigtal tekeningen van Vincent, twee schilderijen uit zijn latere periode en een ets, vermoedelijk de enige ets van hem, die hij in Auvers gemaakt heeft, van Gachet, de dokter en vriend van Vincent in zijn allerlaatste maanden. Ik zie met verwachting uit naar deze komende tentoonstelling. Zoals gezegd, ik was van plan ook daar wat uitvoeriger op terug te komen.

 

Met groet,

Petrus


Hoe nostalgisch zijn Nederlanders?

Rond 27 april, de verjaardag van koning Willem-Alexander, werd hier in Finland op meerdere plaatsen de koningsdag gevierd. Uitbundig en met velen tesamen. Fijn zo! Dat koningsfeest is inderdaad een mooie gelegenheid, om onze landgenoten weer eens te zien en te spreken. Waarom dus niet? In het Aleksis-Kivi-huis (Villa Kivi) in Helsinki waren een vijftigtal Nederlanders bij elkaar (of meer? Ik heb ze niet geteld), zittend of staand, met een glas wijn of een Heinekenbiertje in de hand. En … het was er gewoon gezellig.

Bij het om me heen kijken viel me vooral de kleur oranje op: oranje overhemden, oranje T-shirts, oranje bloezen, oranje stropdassen, oranje strikjes. Oranje lintjes heb ik eerlijk gezegd niet gezien, maar dat is geen verrassing in het buitenland. De wolken van de oranje lintjesregen hangen altijd boven Nederland, niet boven Finland, jammer maar waar. Ook de kleuren blauw-wit-rood waren overigens wel aanwezig, maar niet zo dominerend als oranje.

De hapjes van Camilla waren stuk voor stuk overheerlijk, maar vooral de brokjes oude kaas (Old Amsterdam?) werden opvallend gretig opgeprikt en graag opgepeuzeld, heerlijk! En toen er gefluisterd werd, dat er bitterballen werden opgediend, toen was het op sommige plaatsen ineens dringen geblazen. Een gloeiend hete bitterbal met heerlijke mosterd (het liefst toch wel Doetinchemse mosterd; maar ja, die heb je in Finland nu eenmaal niet), super, daar pleeg je toch een moord voor?
Na een speechje van de Nederlandse ambassadeur en de voorzitter van de vereniging werd het Wilhelmus uit volle borst meegezongen, door allemaal; vreemd toch, want we voelen ons immers niet erg Duits (maar wel Nederlands = diets!) en de koning van Spanje eren we toch ook allang niet meer, we weten vaak niet eens meer, hoe die heet.

De vraag die hier naar boven komt, luidt: zijn wij, Nederlanders in het buitenland, toch niet enigermate geneigd tot Nederlandse nostalgie, als we er de kans voor krijgen? Zo ja, waarom eigenlijk ook niet? Zo nee, waarom komen we dan hier bijeen?
Ik houd me voorlopig maar bij het ‘zo ja’! Want nostalgie is toch ook een beetje gezond heimwee naar ons eigen thuis, naar onze geboortegrond die we (hopelijk vrijwillig) verlaten hebben en die we ongemerkt zelfs enigszins idealiseren en personaliseren. Alsof het succes van het jonge Ajax (met de populaire veteraan Jari Litmanen in het achterhoofd) of het onverwachte succes van de zanger Duncan Laurence bij het Eurovisie songfestival een verdienste van onszelf is.

Hier voor me ligt nummer 2/2019 van het populaire tijdschrift ‘HOLLANDS Glorie‘, een fraai uitgegeven blad met interessante inhoud en veel foto’s. Ons wordt daarin een selectie goed geschreven artikelen en berichten gepresenteerd, die toch wel tot nadenken stemmen. Het tijdschrift opent met een fraaie foto van Deventer met het beroemde gedicht van Hendrik Marsman uit 1936 erop geplakt: ”Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan …” Overigens … Deventer ligt niet eens in Holland maar in Overijssel; en voorts is de rivier de Ijssel daar veel en veel minder breed dan de Rijn, de Waal of de Maas. Maar goed. Maar toch is het daarom op de keper beschouwd wel goed, dat het blad als ondertitel heeft: ‘Het mooiste van Nederland’. Anders zouden we denken, dat het altijd maar over Holland, Amsterdam of Rotterdam zou moeten gaan. Nee dus.

Onze geschiedenis komt in Hollands Glorie ruim aan bod, met bijvoorbeeld het ”landgoed Matanze. Gesticht met geld uit de door Piet Hein veroverde Zilvervloot, in de baai van Matanzas.”
Dat was overigens wel al lang geleden: in 1628 om precies te zijn!
Verderop in het magazine staat een vraag: ”Wie was Johan Maurits?” Natuurlijk was hij ook de bouwheer van het Mauritshuis in Den Haag, dat wel, maar verder? Het ‘beeldverhaal’ rondom hem was tot nu toe vrijwel positief, maar de laatste tijd vraagt met zich steeds meer met terechte zorg af, of hij ook niet een belangrijke rol in de internationale slavenhandel heeft gespeeld. En dat klinkt toch niet meer zo positief! In de tekst staat nu als aankondiging van een tentoonstelling over hem, notabene in zijn eigen Mauritshuis in Den Haag: ”Bewogen beeld. Op zoek naar Johan Maurits”. Het beeld van het beeldverhaal beweegt zich dus, we zijn opnieuw op zoek naar de waarheid van dit leven. En ook naar de waarheid van onze misschien wat al te nostalgisch positief beleefde geschiedenis.
Want dat bewegen van een beeld betekent nieuwe beeldvorming. Wij beroemen ons wel altijd op onze Gouden Eeuw, was het echter inderdaad alles wel goud wat daar blonk? Zeker niet! Denken we bijvoorbeeld maar aan gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen, of aan prins Maurits van Oranje, of aan de tragedie van de Molukken?
Onschuldig is echter wel de in Hollands Glorie vermelde historische aandacht voor een sympathieke, 19de-eeuwse jonkheer en tekenaar Pieter van Loon, wiens huis in Amsterdam niet voor niets een klein, maar interessant museum is.
Kort wordt ook het schip van de Engelsman (!) Henri Hudson, de Halve Maen, genoemd, dat in Hoorn als replica voor anker ligt. Diens ontdekking van Manhattan, van Nieuw Amsterdam, van New York heeft ons (Hollanders) toch wel goud opgeleverd. In vele opzichten. Maar daarvan wilden de Engelsen lange tijd niets weten.

Als stad wordt dit keer ruimschoots Amersfoort belicht; terecht toch, want op de verjaardag van Willem-Alexander waren hij, Maxima en de drie prinsesjes daar op bezoek, en hebben daar misschien gekoekhapt (Deventer koek wellicht?) en leuk gespeeld en gehost met Amersfoortenaars en hun kinderen. Ook wel enigszins nostalgisch toegejuichd door velen ter plaatse, en door anderen via teveebeelden of geïllustreerde bladen à la magazine Panorama. OK dan maar weer, want waarom ook niet? Amersfoort is heus wel de moeite van een bezoek waard; het is een oude, maar ook een moderne en goedverzorgde stad, met ”Muurhuizen, musea & moderne architectuur” en uiteraard met Piet Mondriaan, die er geboren is. Bij die architectuur denken we dan aan Rietveld. En wat onze geschiedenis betreft denken we aan de in 1619 vermoorde landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, in Amersfoort geboren.

In de (ook als boek uitgegeven) serie ‘Ons Dorp‘ komt dit keer een ”Drents dorp aan de brink” ter sprake: Zeijen. De tekst begint zo: ”Veel Nederlandse dorpen hebben hun karakter helaas verloren.
Zeijen gelukkig niet.” Vergane glorie dus, maar toch … de bewoners van nu hebben er een modern en functionerend geheel van weten te maken. En juist door dit nostalgisch en toch verantwoord streven is het een modern, attractief en ook toeristisch veelbezocht woondorp geworden, want ”Zeijen ligt perfect, niet te ver van Assen en Groningen”. Een oud dorp met een interessant verleden, dat bezoekers kan boeien, omdat het de bewoners zelf ook interesseert en ze inspireert, hun tradities in leven te houden. Ondanks de hoge, maar door brand en storm jammergenoeg meerdere malen geteisterde korenmolen, die nu volledig verdwenen is en niet meer opgebouwd wordt.

Nostalgie klinkt ook door bij ”Een stille parel tussen Maas en Waal”, een bijna verloren gegaan natuurgebied bij Heerewaarden in de Bommelerwaard, vlak aan de Duitse grens. Daar is het Fort de Voorn gelegen, een strategisch punt van waaruit prins Maurits van Oranje zich verdedigde tegen de Spanjaarden. Dat fort uit het begin van de zeventiende eeuw lag en ligt nog op een eiland tussen Maas en Waal, die daar toen letterlijk contact met elkaar hadden, in elkaar overvloeiden. Dat eiland was strategisch van groot belang ter verdediging van de dubbele invalshoek vanuit Duitsland naar de Nederlandse republiek. Fort de Voorn ligt nu in een gebied, dat opnieuw de aandacht krijgt van boswachters en fruitboeren. Het samenstromen van twee rivieren met volledig anders samengestelde watermassa’s heeft in vroeger tijden de flora en fauna van het gebied diepgaand beinvloed en verrijkt. Dit dreigt nu helemaal verloren te gaan. Maar door zorgvuldig wikken en wegen en ook uitproberen wordt er verstandig naar gestreefd, deze oude natuur zo veel mogelijk te
herstellen. Dat is dan een positieve invloed van oprecht gevoelde nostalgie.

Dat Nederland wat kookkunst betreft over het algemeen geen grote naam heeft, weten we heus wel. Een nostalgische herinnering daaraan is daarom de ‘stamppotbijbel’, die recepten verkondigt (want de bijbel en de bijbelse verkondiging behoort ook tot de nostalgische realiteiten van toen en nu): het gaat hierin over hutspot en boerenkool en uiteraard moderne varianten erop.
Maar toch … op het gebied van kokerellen kunnen moderne koks met hun heerlijk aanbod zich internationaal inderdaad laten zien en proeven. Dat lijdt momenteel verder geen enkele twijfel, dus uitgekozen worden hier in Hollands Glorie tien bijzondere restaurants door het hele land. Een daarvan, ’t Nonnetje, heeft mijn hart gestolen, omdat je daar voor een aardig prijsje ”met ziel en zaligheid” (hoe dat precies moet, weet ik eigenlijk niet zo goed) heerlijk kunt eten van wat de pot schaft in de vier seizoenen. Dus telkens wat anders, verfijnd en vakkundig klaargemaakt. Het betreft hier een klein, maar internationaal gewaardeerd ’tweesterrenrestaurant’ in het oude Hanzestadje Harderwijk aan de noordkant van de Veluwe, in Gelderland dus.
Frappant was wel, dat in dit nummer van Hollands Glorie niet de Haagse hopjes, of de Delftse Calvé-pindakaas of de Goudse stroopwafels naar voren gehaald worden, maar vier andere ”Klassiekers. Prachtige producten van eigen bodem”. Dat zijn 1) de cacao van C.J. Van Houten & zoon, 2) het Flipje van Tiel, 3) de Piet Pelle-kinderfiets van Gazelle en 4) het volkoren graanontbijt Brinta.
De Gazelle kinderfiets is mij niet meer zo bekend.
Brinta heb ik veel moeten eten en was vlak na de oorlog een gezond volksvoedsel uit Groningen: ”Niemand de deur uit zonder een Brinta-ontbijt!”. Reinier Paping, die de Elfstedentocht 1963 won, werd na afloop van die barre tocht gevraagd, wat hij die ochtend had gegeten. ”Och, wat lichte kost” antwoordde Paping laconiek, ”een bord Brinta”.
Met Flipje van Tiel met zijn kersenjam van ‘De Betuwe’ ben ik opgevoed, vooral geliefd bij de kinderen vanwege het spaarprentenboek met ”De Avonturen van Flipje”. De jam smaakte ook wel, maar het ging hen vooral om de plaatjes van Flipje.
De cacao van Van Houten was zelfs nog lang in Finland populair. In het begin van de jaren zeventig stond er nog steeds een blik (nou ja, toen was het een kartonnen doosje geworden) van ‘Kaakao Van Houten’ in de keukenkast van mijn schoonmoeder en dat werd bij het bakken bijvoorbeeld nog volop gebruikt. Zo zie je maar.

Er zijn nog zoveel andere zaken, die onze nostalgie wakker kunnen roepen: Toon Hermans, Wim Sonneveld, Delfts blauw, kinderliedjes, sinterklaasliedjes en ga zo maar verder. Een voorbeeld van nostalgische hernieuwing is misschien: ”Koninklijk blauw Royal Delft komt met een nieuwe verzamelcollectie genaamd Proud Mary. Vernoemd naar Mary II, echtgenote van stadhouder Willem III en groot liefhebster van Delfts blauw.” Hieruit blijkt wel, hoe internationaal deze producten toen al waren en nu nog steeds zijn. Maar goed, je kunt er nu ook nog heel wat geld mee verdienen, en niet alleen met tulpen, amaryllissen of de kartiotuija (gepunte conifeer) Brabant!

Niet Toon Hermans dus, maar Rudi Carell wordt in Hollands Glorie naar voren gehaald. ”Hoe Rudi Carell de Duitsers gevoel voor humor gaf.” Tja, het buurvolk, dat menig Nederlander een diep trauma heeft bezorgd. De populaire tevee-showman Carell was er de man naar, die buren wat meer humor bij te brengen, door ze aan het lachen te brengen, ook hem maar ook over zichzelf. Hopelijk is hij daarin ook geslaagd, maar of Rudi een twaalftal jaren na zijn dood in Nederland nog veel nostalgie oproept, daar ben ik eerlijk gezegd niet meer zo heel zeker van.
Dan denk ik, dat Toon Hermans hier eerder op zijn plaats zou kunnen zijn, bijvoorbeeld door zijn invloed nu nog via You Tube! Denk maar aan zijn beroemde gehaktbal (geen bitterbal) of de pruimen van Jantje. ‘Jantje zag eens pruimen hangen, o als eieren zo groot.’ Wat leuk was dat!

Afsluiten kan ik nu alleen nog maar met een kinderliedje. Overigens … Nederlandse kinderboeken kom ik vaak tegen ter verkoop op onze eigen facebooksites. Daar bieden nog jonge moeders (of nog jonge vaders) met kleine kinderen die al groter geworden zijn, de boekjes van hun kinderen aan andere collega’s, die nog jonge kinderen hebben, aan. Helemaal mee eens overigens!
Het gaat in Hollands Glorie nu om een bericht rond een hotelletje met de mooie naam ‘Kort Jakje’, gelegen aan de ‘Kromme Jak’ in Zwolle. ”Altijd is Kortjakje … ziek! Dat krijg je ervan als je veel jenever drinkt en werkt bij de publieke toiletten. Zo lezen we in ieder geval in de 18de-eeuwse voorloper van het huidige kinderliedje.” Dit lijkt me met dit leuke liedje een goede afsluiting van deze wat stoute bespreking van een recent nummer van Hollands Glorie, waarin Holland toch wel moet staan voor Nederland. Want Zwolle, Deventer en Harderwijk liggen echt niet in Holland, maar in Overijssel of Gelderland. En ze zijn er trots op ook. Een beetje nostalgisch misschien, maar toch …

Mijn vader komt per slot uit Eys in Zuid-Limburg en mijn moeder stamt uit de stad Groningen (en een anderhalve eeuw eerder uit het westen van Duitsland). Dus niks Holland. En ikzelf ben geboren in de oer-katholieke stad Nijmegen, de stad van Petrus Canisius, dus ik heb niks met het ‘calvinistische’ Holland. Nou ja, zo sterk? Jaja, zo was het toen! De ‘stamppotbijbel’ zou ik eventueel als kind nog wel hebben mogen lezen, maar die was er toen nog niet. De bijbel zelf? Nee dat mocht in mijn omgeving eigenlijk niet. De bijbelse verhalen kwamen uit het kerkmissaal, ok, die waren dan voor kinderen (en volwassenen) wel genoeg, met de uitleg van de pastoor erbij uiteraard. Ook wel een beetje negatief (fragwürdig!), deze nostalgie, maar zoiets moet je en mag je en kan je tegenwoordig niet meer al te letterlijk nemen. En … eerlijk toegegeven: gelukkig dat die strenge tijd nu voorbij is. Ja gelukkig maar, want die verzuilde tijd was niet zonder meer: ”HOLLANDS Glorie.
Het mooiste van Nederland.” Nee, echt niet …

Met groet,
Peter Starmans


Prins Bernhard en Finland, 1952

”Heb je al gehoord van de zilveren vloot …?”

Jaja, in 1952 hebben de Nederlandse sportmannen en sportvrouwen bij de olympische winterspelen in Oslo in februari en bij de zomerspelen in Helsinki in juli en augustus alles bij elkaar wel acht zilveren medailles gewonnen. Is dat echter veel, als andere landen zoals Rusland, Amerika, Duitsland, Noorwegen, Zweden en zelfs Finland stukken meer punten en medailles verdiend hebben met hun prestaties? Prins Bernhard zei op 4 augustus na terugkeer op vliegveld Soesterberg in Nederland: ”Uit alles is gebleken, dat in Nederland op de scholen van begin af aan veel te weinig aan sport wordt gedaan.”  Jong geleerd, is oud gedaan, dat steekt achter deze opmerking. En dat was toen in Nederland volgens de prins niet zo. Wat de port betreft uiteraard! Met de organisatie van deze olympiade in Helsinki overigens was prins Bernhard meer dan tevreden: ”Nou, ik heb al heel wat Olympische Spelen in mijn leven gezien, maar ditmaal was het boven alle verwachting. Ik heb de grootste bewondering voor de geweldige organisatie.” (Volkskrant, 05-08-1952)

Rusland was in Helsinki ruim aanwezig (en dat zegt wat, nog in de Stalintijd!). Weliswaar wat apart gehuisvest in Otaniemi, in Helsinki dus wel, maar toch … een grote deelnemersgroep was het, met veel spontane, sportieve en culturele contacten (dans en muziek vooral) her en der, die hen verbonden met vele anderen uit de internationale sportwereld. Het Tsjechische echtpaar Emil en Dana Zatopek uit het enorme sovjetrijk van weleer werd toen al in oost en west op handen gedragen. Duitsland was er ook, maar jammergenoeg zonder sportmensen uit Oost-Duitsland. Toch waren ze in 1952 (in ieder geval wat sport betreft) in staat gebleken, enigszins samen te werken, dus: sport verbindt en scheidt niet!

Piet Hein! Piet Hein! Piet Hein, zijn naam is klein, zijn daden bennen groot (2x), hij heeft gewonnen de zilveren vloot (2x).

Acht maal zilver dus, maar een vloot, veel schepen dus medailles bij elkaar? Nee toch … Het koninklijke privéjacht van Juliana en Bernhard echter droeg in 1952 nog steeds trots, zoals we dat nog wel weten, de naam ‘Piet Hein’. Dit prachtige schip, dat ze bij hun huwelijk in 1937 van het Nederlandse volk hadden gekregen, is relatief groot (meer dan dertig meter lang) en vooral ook van binnen en van buiten erg mooi en representatief. Dit jacht werd  nu in juli 1952 naar een van de mooie eilanden voor Helsinki gevaren en diende daar, in de stad van de Olympiade, voor een dag of tien als aangenaam verblijf voor prins Bernhard en zijn twee oudste dochters, Beatrix en Irene. Een aangenaam oponthoud was verzekerd, afgeschermd van de pers, privé en toch duidelijk opvallend; en precies zo was het bedoeld. De officiële aankondiging in de Tijd van 11 juli luidde: ”(PIET HEIN naar HELSINKI): Het koninklijk jacht ‘Piet Hein’ is gisteren uit Amsterdam vertrokken met bestemming Helsinki. De tocht zal omstreeks tien dagen duren. Er wordt alleeen overdag gevaren. Het jacht zal in Finland als tijdelijke woonplaats dienen voor Prins Bernhard en zijn oudste twee dochters, die zich kort voor het begin der Olympische Spelen per vliegtuig naar Helsinki zullen begeven.” (De Tijd, 11.07.1952). Overigens kloppen de genoemde feiten uit dit berichtje niet helemaal!

De prins vloog zelf op zaterdag 25 juli de regeringsdakota van Soesterberg naar Malmi (en terug), werd daar persoonlijk ontvangen door de overal aanwezige hoofdorganisator van het Finse olympia-comité, Erik von Frenckell, en uiteraard door de Nederlandse gezant in Finland, minister Jan van der Vlugt (zo stond het in de Finse kranten!). Deze gezant is ons echter beter bekend als Theo van der Vlugt en hij was de tweede zoon van professor Willem van der Vlugt, die met zijn collega’s in 1899 het manifest ‘ProFinlandia’ aan de tsaar van Rusland wilde overhandigen. Wat toen niet lukte, jammergenoeg. Prins Bernhard en zijn dochters werden rechtstreeks van het vliegveld naar de ‘Piet Hein’ gebracht.

’s Avonds werd prins Bernhard dan (zonder de dochters) ten paleize door de president van Finland, Juho Kusti Paasikivi, samen met de Nederlandse gezant van der Vlugt ontvangen. Dus zo strikt persoonlijk of privé (zoals officieel aangegeven) bleek hun komst toch niet, althans zeker niet wat de prins betreft. Voor de prinsessen echter grotendeels wel; en zo was het ook gepland; en zo was het waarschijnlijk ook goed en verstandig van de ouders uit gezien. (vgl. HS van 3 augustus 1952). De twee jonge prinsessen (14 en 12 jaar oud) werden (soms met, soms zonder hun vader) begeleid door hun hofdame en/of de echtgenote van de secretaris van het gezantschap, Carolina Verdonck Huffnagel, en met hen in Helsinki beziggehouden. Caroline van der Vlugt was de oudste dochter van de gezant Theo van der Vlugt.

Van 26 juli tot 4 augustus waren prins Bernhard en zijn twee oudste dochters dus aanwezig bij de internationale olympische spelen van Helsinki, die echter reeds op 19 juli door president Paasikivi geopend waren. Ofschoon (zoals al gezegd) de reis van de prins en zijn dochters strikt privé was, zoals ook later uitdrukkelijk door de gezant werd uitgelegd tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse vereniging, waar ook prins Bernhard, maar tot verbazing van het publiek niet zijn dochters aanwezig waren, is het toch wel geoorloofd, hier wat kritische opmerkingen bij te plaatsen.

De officiële titel van prins Bernhard voor zijn aanwezigheid bij de olympische zomerspelen in Helsinki was: ‘chef d’équipe’, de officiële teamleider van de Nederlandse deelnemers aan de wedstrijden paardrijden. De resultaten van de Nederlandse ruiterij waren in Helsinki echter nogal bedroevend, al was de prins in hun midden. Maar dat ter zijde. Voorts heeft prins Bernhard in gesprekken met Erik von Frenckell het een en ander kunnen regelen bij de spannende maar ook nogal uit de hand gelopen waterpolowedstrijden, waar inderdaad niet alles naar de regels van het IOC verliep en waar de Nederlandse ploeg tot de kanshebbers behoorde. Maar goed, grotendeels was de prins toch ‘slechts’ een welkome en gezellige gast en toeschouwer bij allerhand wedstrijden die hem en zijn dochters interesseerden. Met name noem ik hier dan de ruiter- en waterpolowedstrijden en verder de zwemwedstrijden, die zowel de vader als de dochters enorm boeiden.

Verder was Bernhards aanwezigheid toch wel opvallend (ook in de Finse kranten) bij vele ‘aparte’ bijeenkomsten, zoals bij de gesprekken met Erik von Frenckell en andere organisatoren over de onregelmatigheden bij het waterpolo, of bij vriendschappelijk ontmoetingen met prins Philip, Hertog  van Edinburg, op de eretribune, of bij allerhand ontvangsten. ‘Aparte’ bijeenkomsten dus, zoals cocktails, diners en anderssoortige ontvangsten bij ambassades, bij de president van de Finse republiek, bij de stad Helsinki, bij het eigen Nederlandse gezantschap of bij de Nederlandse vereniging in Finland. Voorts wil ik ‘apart’ de kranslegging bij het graf van maarschalk Mannerheim vermelden, die een anderhalf jaar tevoren in Zwitserland  gestorven was en op Hietaniemi begraven lag/ligt. Maarschalk Gustav Mannerheim had uiteraard in vele landen door zijn levenswerk in Finland de internationale aandacht getrokken. En werd zo officieel in Hietaniemi door velen, ieder op zijn beurt, met een kranbs van dank en bewondering geëerd.

Opvallend was overigens daarbij vooral de uitvoerige aandacht van de Finse pers voor de Britse prins Philip (met vaak de jonge hertog van Kent in zijn kielzog); maar opvallend voor een Nederlander (zoals ik) was de ruime aandacht voor onze eigen prins Bernhard, die prins Philip uit de oorlogstijd en van de olympiade in Londen 1948 al kende en die duidelijk bevriend met hem geraakt was. Waarom dan die opvallende aandacht van de Finse pers voor hen beiden? Ook al waren er meerdere prinsen en prinsessen in Helsinki aanwezig, uit Scandinavië en Luxemburg bijvoorbeeld? Ik denk vanwege hun opvallende sportiviteit en masculiene populariteit. En ook wel vanwege het algemene en vaak deskundige meeleven met het olympisch sportgebeuren van de beide prinsen. In HS van 27 juli werd prins Bernhard betiteld als ‘ryhdikäs prinssi Bernhard saapui’, een vastberaden prins Bernhard kwam dus (in Helsinki) aan. Prins Bernhard vloog bijvoorbeeld zelf het vliegtuig naar Helsinki, prins Bernhard was enthousiast en actief (meestal met zijn dochters) aanwezig bij vele ruiterwedstrijden, bij het waterpolo, bij de zwemwedstrijden en hij had zonder meer aandacht voor de individuele sporter, vooral dan de Nederlandse, met of zonder succes. Jammer overigens, dat prins Bernhard de geslaagde ‘veld’-hockeyers (een zilveren medaille achter het welverdiende goud van de alom geprezen Indiase ploeg) en vooral dan de jammergenoeg in Helsinki 2x mislukte Fanny Blankers Koen in Helsinki niet meer ontmoet heeft; want die waren al rond of voor de aankomst van prins Bernhard met Beatrix en Irene terug naar Nederland gegaan.

Overigens wat het paardrijden betreft: prins Bernhard was dus uitdrukkelijk met de titel van ‘chef d’équipe’ (teamleider) van de Nederlandse ruitergroep naar Helsinki gegaan, wat toch geen verrassing was. Paardrijden was al bij koningin Wilhelmina (en prins Hendrik), maar ook bij prins Bernhard (en koningin Juliana) en zeker ook bij prinses Beatrix een van de meest beoefende sportsoorten, en dat succesvol.

Prins Bernhard was daarom en daarbij geëngageerd in het sportgebeuren zelf, maar was uiteraard door zijn unieke positie en zijn rijke ervaring als prins der Nederlanden tevens in het organisatorische en politieke en ook wel het zakelijke circuit thuis. Daaruit is ook toen zijn nadere bekendheid met Urho Kekkonen ontstaan, Urho Kekkonen, die in 1952 zowel lid was van het organiserende Finse olympische comité als minister-president van de Finse regering was. Urho Kekkonen heeft prins Bernhard meerdere keren bij allerhand gelegenheden getroffen en gesproken tijdens de vrij lange periode dat hij in Helsinki was: in het stadion, bij ontvangstevenementen, in gezantschappen en dergelijke.

Prins Bernhard kwam uiteraard ook naar Helsinki, om nader kennis te maken met de president van Finland, Juho Kusti Paasikivi, of met de premier van Finland en tevens lid van het Finse Olympisch comité, Urho Kekkonen, zelf van jongsbeen af een fervente sportsman. Het waren in de jaren vijftig politiek spannende tijden en Finland probeerde toen al ontspanning in het politieke gebeuren te brengen, door zowel sportlieden uit Duitsland als Rusland tot de spelen toe te laten. Dat zou een belangrijk teken aan de wand kunnen zijn. Voorts had Bernhard (zoals gemeld) contact met de burgemeester van Helsinki en de voorzitter van het Finse Olympisch Comité, Erik von Frencell; inderdaad de man, die de centrale figuur van deze olympische organisatie was en die ook (pas een paar jaar ervoor) met Petronella had kennis gemaakt; maar of over dat laatste met prins Bernhard gesproken is, daar ben ik (bij mijn kennis van de negatieve afloop van de hele affaire Petronella) niet zo heel zeker van.

Dat alles, de ontvangst en het verblijf van de prins en zijn dochters in 1952 in Helsinki stond uiteraard onder de bekwame regie van de toenmalige gezant van Nederland in Finland, de ons al bekende Theo van der Vlugt. In Finse kringen dus minister Jan van der Vlugt, aldaar en alom welbekend.

In ‘De Waarheid’ van 2 augustus 1952 staat een jammergenoeg niet ondertekend artikel onder de titel: ‘Zij die geen medailles krijgen’. Het gaat over de VIP-deelnemers aan met goed eten en sterke drank overgoten officiële ontvangsten van ministers, hun dames, generaals, ambassadeurs, directeuren etc. Zij werden weliswaar zeer goed ontvangen, maar deden eigenlijk niet mee, stonden buitenspel zogezegd, suggereerde de Waarheid. De sportieve deelnemers zelf hadden hierbij wat het materiële betreft het nakijken. Enerzijds wel enigszins waar, anderzijds toch ook weer niet. Is dit dus wel helemaal reëel? Wat zou er van zo’n olympiade terechtgekomen zijn, als die niet goed georganiseerd en internationaal geregeld zou zijn? Communicatie en samenspraak, samenwerking dus op allerhand niveaus. Verder is mijn vraag, of er in het Oost-Europa van toen niet een vergelijkbare elite bestond, terwijl het arme boerenvolk het nakijken had en de beroemde middenmoot vaak letterlijk een kopje kleiner gemaakt werd, als ze niet spoorden met de lijn van de baas en zijn elite. In 1952 leefde Stalin immers nog! Maar goed.

Twee opmerkingen bij dit artikel zijn lijkt me wel op z’n plaats:

Als de auteur (een zeer goed ontvangen journalist in Helsinki!) schrijft: ”… om vijf uur zaten zij (die elite dus, pst) al weer op de tea party van een zekere heer Rangell. Wie het is, weet ik niet. Hij kwam niet voor op het lijstje van deelnemers – de sportieve wel te verstaan.”  Ironie? Sarcasme? Domheid van de journalist? Sorry hoor, maar hier gaat het over een Finse minister, Jukka Rangell, die een belangrijke (uiteraard een negatieve en niet naar de zin van de sovjets gespeelde)  rol gespeeld had tijdens de vervolgoorlog en daarna door de sovjets ter verantwoording geroepen was. Getuigt het dan niet van domheid of opzettelijke onoprechtheid, om zo beledigend te schrijven? Zoiets noem ik niet meer geslaagde spot! Foei toch, meneer de communistische journalist!

Iets verderop maakt hij het nog bonter: ”Maar begrijpt u nou, wat Risto Ryto (zo geschreven! pst) in dat voorname gezelschap doet? Koning is hij niet en evenmin generaal. Neen, aan sport doet hij ook al niet. Kent u hem niet? Ryto, die van 1944? Ja, ’t is waar, hij is een paar jaar uit de circulatie geweest. Geinterneerd. Maar dat is voorbij. Gaat u nu een licht op? Ja! Precies! Hij sloot in 1941 (?,pst) dat pact af met Von Ribbentrop. Enfin, hij doet dus nu weer mee.” Zonder meer onsmakelijke prietpraat. En zoiets geschreven in Finland, in 1952, over president Risto Ryti, dat lijkt me wel erg ver gaan en niet helemaal in overeenstemming met de journalistieke regels van toen, zelfs niet van een communistisch denkende journalist.

Toen de prins en zijn dochters na het slotfeest van de Olympische Spelen Helsinki 1952 in Soesterberg geland waren op 4 augustus, werden ze hartelijk begroet door koningin Juliana. De Volkskrant van 5 augustus schrijft: ”Twee stralende meisjes in grijze jasjes en met witte mutsjes op sprongen van het kleine vliegtuigtrapje regelrecht in de armen van hun moeder. ‘Jongens, wat zien jullie er goed uit’, riep koningin Juliana, ‘hoe was ’t?’. ‘Ongelofelijk fijn’, zuchtten Beatrix en Irene hartgrondig en meteen kwamen de verhalen los, kinderlijke verslagen over waterpolo, voetballen, zwemmen en hardlopen. Intussen was ook prins Bernhard uit de cockpit gekomen, gebruind en wel.” Beatrix en Irene waren dus gelukkig na deze vacantie en vooral ook gelukkig, dat ze in Helsinki, door de pers met name met rust gelaten waren. Ze  hadden meegeleefd met de sport en waren uitermate tevreden. En wat hun vader verder tussendoor had gedaan, dat interesseerde ze op dat moment waarschijnlijk nauwelijks, en dat terecht!

Om de prins nu ook even aan het woord te laten, gaat de tekst iets verderop zo verder: ”Vol trots toonde de Prins aan het kleine gezelschap dat ter begroeting aanwezig was, een mooi versierde oorkonde, waarmee hij in Finland tot ‘ridder’ was benoemd van de sauna. ‘O mam, die sauna was verrukkelijk!‘ riep Irene.” De dochters waren kennelijk dus ook in een sauna geweest en hadden ervan genoten. De prins uiteraard ook, misschien was hij wel af en toe met de Engelse prins Philip in de sauna geweest, want ook die was, als ik de Finse krantenberichten mag geloven, er ongelofelijk enthousiast over, telkens weer.

Ter afsluiting nog iets over de jubileumsportdag in het Amsterdamse stadion van de Olympische Spelen 1928. Deze grootse herdenkings-sportdag werd  op 10 augustus 1952 gehouden en uitvoerig beschreven in meerdere kranten, bijvoorbeeld in het Parool, in de Waarheid, in de Tijd etc.

Het Parool begint zo: ”Olympische revanches. Amsterdam, zondag. Het grote sportfeest in een vrijwel uitverkocht Olympisch stadion met in de ereloge koningin Juliana, prins Bernhard  en de drie oudste prinsessen is met een kleurrijk en goed geregisseerd schouwspel geopend.” Het ging hierbij om het bejubelen van de olympische deelnemers van de spelen in Oslo en Helsinki en verder om vriendschappelijke wedstrijden tussen Nederlandse sportmensen met buitenlandse deelnemers aan de olympiade Helsinki.

Een apart nummer van deze manifestatie wil ik even naar voren halen. Het ging over de afzonderlijke viering van een van de grootste sportvrouwen van Nederland en de Olympiade in Londen van 1948 en eigenlijk was het een heel roerend afscheid van haar. ”De Olympische fanfare van de cérémonie protocolaire weerklonk. Een sfeer van de Spelen, die door de deelnemers zeer werd geapprecieerd. … Daarna volgde het grote ogenblik voor Fanny Blankers-Koen, die naar het podium werd geleid om het officiële bewijs van de Taher Pasja-beker in ontvangst te nemen. Begeleid door de voorzitter van het N.O.C. … trad Prins Bernhard naar voren. De beker, aan Fanny Blankers-Koen door het Internationaal Olympisch Comité toegekend als erkenning voor haar grote verdiensten voor de sport, zowel wat haar prestaties als haar sportieve gedrag betreft, kon echter niet worden uitgereikt, daar deze nog in Lausanne stond. De athlete ontving daarom van Prins Bernhard een enveloppe met de mededeling dat zij voor een jaar in het bezit van deze onderscheiding was gesteld.” Fanny was diep ontroerd, maar haar hordenloop mislukte ook dit keer. Ze bracht het echter op, na haar val tijdens de race, de winnares van Helsinki, Shirley Strickland, ook dit keer oprecht en van harte te feliciteren met haar verdiende overwinning. Toen pas trad Fanny terug, en werd daarbij begeleid door een enorm applaus als dank. Dit was inderdaad het einde van de grootse sportcarrièrre van Fanny Blankers-Koen! Of ze op deze manier afscheid had moeten nemen van het grote publiek? Dat blijft uiteraard een vraag, die nooit beantwoord kan worden. Fanny had in 1952 haar tijd gehad en had misschien niet meer moeten deelnemen aan de wedstrijden in Helsinki of Amsterdam. Wie zal het zeggen? Maar toch: haar afscheid was indrukwekkend en warm.

Prins Bernhard heeft later nog regelmatig contact gehad met Urho Kekkonen, vooral nadat deze in 1956 president van Finland geworden was. Hen verbond de jacht (ofschoon die natuurlijk van president Kekkonen uit gezien meer sovjetwaarts gericht was) en uiteraard de economische belangen van beide landen; ik denk hierbij vooral aan scheepsbouw, hout- en papierproductie bijvoorbeeld.

Verder waren zij beiden later geinteresseerd en geëngageerd in het WWF, het World Wildlife Fund. Van dit WWF was prins Bernhard van 1962 tot 1976 de eerste voorzitter, een actieve voorzitter, die in de jaren zeventig ook president Kekkonen, rond de officiële staatsbezoeken van 1972 en 1974 over en weer, voor dit WWF engageerde.

Enige zakelijke correspondentie tussen Kekkonen en Bernhard direct heb ik in het persoonlijke archief van Urho Kekkonen in Orimattila gevonden. Dat zou verder te onderzoeken zijn. Maar algemeen geformuleerd: prins Bernhard was niet bezig of aanwezig als business-man voor eigen zaken, maar meer als bemiddelaar tussen de zakenwereld en de landen onderling, omdat hij een officiële vertegenwoordiger van een van beide partners was. Of Bernhard zich hier altijd aan gehouden heeft, is een goede vraag, waar later veel problemen in Nederland door ontstaan zijn. Maar in Helsinki denk ik, dat de formule nog wel klopte.

Overigens was prins Bernhard (en koningin Juliana) in 1952 vooral ook geinteresseerd in het politieke spel tussen oost en west, waarvan toen Finland al een belangrijke centrum was en (zoals we weten) steeds meer werd.

Kerava, februari 2019.

Peter Starmans