Vincent van Gogh (maart 1853 – juli 1890) was de oudste van zes kinderen. Zijn één jaar oudere broertje was in het jaar voor Vincent Willems geboorte als baby gestorven.Na Vincent kwam zijn zus Anna ter wereld, daarna (in 1857) zijn broer Theo, met wie hij zoals bekend op latere leeftijd intensief, via brieven en uiteraard ook persoonlijk, veel contact had. Daarna kwamen er in het gezin van Gogh nog twee meisjes, Lies en Willemien (Wil), van wie Vincent vooral met zus Wil uitgebreid gecorrespondeerd heeft. En tenslotte kwam de benjamin Cor, die naar Zuid-Afrika gegaan is en daar gestorven is, als laatste kind ter wereld.
Willemien
Vincents moeder Anna Cornelia is altijd in brieven en liefdevolle belangstelling en zorg in aller harte present geweest. Zijn vader was Theodorus van Gogh, een gereformeerde, principiële maar toch niet al te strenge dominee, die Vincent overigens vurig jarenlang vereerde, maar met wie hij op latere leeftijd geestelijk moeilijkheden kreeg en zelfs knallende ruzie . Maar je zult maar zo’n zoon hebben, die onzeker was en koppig en jarenlang niet wist wat hij wilde en maar zocht en uitprobeerde, wat hij eindelijk wilde worden. Maar zijn boezemvriend Theo, zijn jongere broer dus, wees hem op handtekenen. En pas toen, in de Borinage, in België, viel voor Vincent het kwartje en begreep hij, dat hij kunstschilder moest en ook wel wilde worden. En dat beroep, of hier beter gezegd, deze roeping heeft hij in al zijn koppigheid en met zijn wonderlijke doorzettingsvermogen, via vallen en opstaan, in een jarenlang proces geleerd en gerealiseerd. Uit hem is terecht, maar ook wel erg moeizaam, onze Nederlandse schilder, wereldberoemd en dat terecht, Vincent van Gogh geworden.
In dit artikel wil ik vooral Vincent in zijn Parijse tijd (van begin 1886 tot begin 1888) en de anderhalf jaar erna in Arles in Zuid-Frankrijk volgen, toen hij de door de wereld zo geliefde en mensen echt troostende schilder werd. Vooral ook via persoonlijke aandacht van zijn broer Theo (en zijn financiële ondersteuning) en via contact met zijn jongste zus Wil, aan wie hij in de loop van de laatste drie jaar van zijn leven 23 uitvoerige en boeiende brieven geschreven heeft.
Korenveld met Arles op de achtergrond.
Het begin van de eerste brief uit de tweede helft van 1887, toen Vincent nog in Parijs bij zijn broer Theo woonde, luidt zo:”Mijn beste zusje, ik dank u wel voor uw schrijven, maar ik voor mij heb tegenwoordig zo ‘t land aan schrijven; echter zijn er vragen in uw brief waarop ik wel eens antwoorden wil.” Dat ‘u/uw’ was toentertijd nog normaal in de schrijftaal, maar het ‘mijn beste zusje’ klinkt al veel persoonlijker en hartelijker. Verder antwoordt Vincent meestal, hij begint dus de correspondentie met Wil pas, als de ander hem al een brief geschreven heeft. Jammergenoeg zijn de meeste brieven, die aan Vincent geschreven zijn, niet overgeleverd, ook de brieven van zijn zus Willemien niet. Jammer, maar waar! Dat hij echter ‘t land had aan schrijven, blijkt uit de bewaarde brieven niet. De bewaarde brieven van hem omvatten alles bij elkaar al vier dikke, dichtgedrukte boekdelen.
Het is de moeite waard, de thema’s eens te bekijken die Vincent in deze eerste brief behandelt. Zijn zus Wil heeft al jarenlang voor het gezin gezorgd, eerst in Brabant, in Nuenen, waar de dominee gestationeerd was en waar Vincent min of meer in huis was tot voorjaar 1885, na de moeilijke jaren in De Borinage, in Den Haag met Sien en in Drenthe, overigens wel een heel mooie streek, maar ook heel eenzaam en koud. Daarna bleef hij eerst nog een paar maanden na vaders plotselinge dood (maart 1885) in de buurt, in Nuenen dus, maar toen trok Vincent kort naar Antwerpen, de stad van de beroemde Vlaamse schilder Peter-Paul Rubens, een machtige schilder, fantasie- en kleurrijk. En vandaar naar zijn broer Theo in Parijs, de stad met vele collega’s, schilders en bekenden van Theo, de bekende kunsthandelaar, de beste vriend niet alleen van Vincent, maar ook vriend van de moderne kunst en hun schilders. En uiteraard van het impressionisme, dat in het Parijs van toen nog naklonk. In Montmartre bijvoorbeeld.
Spoorbrug van Arles
Maar nu de thema’s. Wil heeft een stukje geschreven over ‘planten en de regen’. Ze wil misschien schrijfster worden. Daar komt opeens de ‘korenkorrel’ in de brief naar voren, de graankorrel, die rijp en een halm wordt, maar niet allemaal, de meesten jammergenoeg niet. Vincent spreekt dan over hun ‘kiemkracht’, “En het natuurlijk leven is dus kiemen. Wat de kiemkracht in het graan is, is de liefde in ons.” Mooi gezegd van hem, maar niet altijd volop gerealiseerd, noch bij Wil maar ook nog niet ten volle bij Vincent. OK, maar wie denkt er hier niet aan schilderijen van de ‘Zaaier’ of de ‘Maaier’, aan de graanvelden of de oogst, in vele werken van Vincent van Gogh geschilderd, uiteraard in later tijd, de tijd van Arles, Saint Rémy en Auvers-sur-Oise? Maar daar ging Vincent pas na Parijs naartoe!
Een Provençaalse boer, Milliet
Hier aansluitend citeer ik: “En de ziekten waaraan wij beschaafde lui ‘t meest laboreren, zijn melankolie en pessimisme. Zo bv. ik die zoveel jaren tel in mijn leven waarin de lust tot lachen me ten enenmale verging, of dit door mijn eigen schuld zij of niet terzijde stellende, ik bv. heb vooral behoefte om eens goed door te lachen.” En van de aloude ernstige ziekte melankolie of zwaarmoedigheid hadden Vincent zelf, maar ook Theo en Willemien en zelfs Cor heel veel last. En de ernst van vader en dominee Theodorus van Gogh gaat ook wel in die richting. Dit te relativeren ‘door te lachen’ is dan een levensnoodzakelijk geneesmiddel, maar dat werkt slechts een tijdlang, dan echter niet meer. Cor heeft het geweten, Willemien ook, Vincent is eraan gestorven en Theo een half jaar later. Dus zo onnozel was die ziekte niet. De opmerking ‘eens goed door te lachen’ was wel serieus bedoeld door de oudere broer tegen zijn jongere zuster. Maar of het definitief helpt? Ik weet het niet!
De bijbel komt in een domineesgezin natuurlijk ter sprake, zo ook in deze brief. “Wat zoekt ge de levende bij de doden?” Ik herinner me ergens uit Vincents brieven, dat hij zich verwonderd afvraagt, waarom in de wereld van toen (maar ook in de onze) dode schilders en hun schilderijen zo hoog gewaardeerd en letterlijk met veel geld beloond worden, maar de levende schilders nauwelijks gezien en vaak niet goed betaald worden. “(Mijn eigen lotgevallen …) Maar wat doet zulks ertoe; ik heb een vuil en lastig vak, het schilderen, maar zijnde zoals ik ben, werk ik dikwijls met plezier en ik zie de mogelijkheid doorschemeren om schilderijen te maken waarin wat jeugd en frisheid zit, zij mijn eigen jeugd een van die dingen die ik verloren heb. Als ik Theo niet had, zou het mij niet mogelijk zijn tot mijn recht te komen met mijn werk, maar daar ik hem tot vriend heb, geloof ik dat ik nog zal vorderen en het zal kunnen uitvieren.” Vincent is uiterst bescheiden ondanks zijn oprechtheid, ook tegenover zijn eigen zus. En zo’n opmerking na de geslaagde samenvatting in Brabant met de ‘Aardappeleters’ (april 1885) en de meesterlijke boerentekeningen uit die tijd! Vincent was werkelijk bescheiden en oprecht. En zijn jeugd was gelukkig, maar jammergenoeg voorbij. De afhankelijkheid van Theo, financieel gezien, is overduidelijk, maar daar lijdt Vincent nauwelijks onder, dat had hij met het zicht op de toekomst met Theo afgesproken. Hij is dus al wat zekerder geworden en is ervan overtuigd, dat hij wat kan: schilderen en tekenen!
Een volgend thema is de kleur. In Antwerpen (met het zicht op Rubens) en in Parijs merkt Vincent, dat hij wat betreft kleurgebruik nog heel veel leren kan. Hij bestudeert het nu theoretisch en brengt het ook in zijn concrete werk tot uiting. Denken we maar aan de schitterende bloemstukken, die hij tussendoor tot stand brengt. Bloemen zijn in hun pracht van kleuren, bomen in hun typische vormen in winter, voorjaar en zomer Vincent dierbaar, dat constateert hij zelf: “En toen ik deze zomer te Asnières landschap schilderde, zag ik er meer kleur in dan vroeger.”
Een soort conclusie van dit alles zou men kunnen lezen in een opmerking als “Er komt veel vanzelf, men groeit en ontwikkelt vanzelf. Studeer en blok niet te veel want dat maakt onvruchtbaar, amuseer u liever te veel dan te weinig en til de kunst of de liefde evenmin te zwaar. Men kan er zelf weinig aan toe- of afdoen, ‘t is een kwestie van temperament vooral.” Wijze woorden van een broer, die allerhand meegemaakt en ondervonden heeft, en die zo wijzer is geworden! Grappig wel als men bedenkt hoeveel Vincent zelf gelezen heeft en probeerde te verwerken over kleur en vooral Franse moderne literatuur.
Regelmatig in zijn andere brieven aan zus Wil benadrukt hij de kleur en schoonheid van de natuur en het gebruik ervan in zijn kunst. Tuinen en buitennatuur hebben Vincents aandacht vooral en bovendien typen van mensen. Vooral die, die hij zo vaak als het mogelijk is in portretten als typen vastlegt. Hij noemt met name Roulin, de postman en zijn vrouw en kinderen, de postbode in dit geval dus, bijzonder belangrijk voor Vincent, wiens communicatie vaak bestaat in brieven schrijven of beanwoorden. Postbode Roulin blijkt in Vincents leven vaak een enorme steun bij moeilijkheden en ongelukken, en ook Roulins vrouw is een troost en toeverlaat voor hem. Portretten als ‘mousmé’ (het meisje uit de Provence), de ‘zoeaaf’ (soldaat) en ook anderen.zijn uiterst belangrijk voor hem. Dat is juist wat hij wil als kunstenaar.
De slaapkamer van Vincent in het Gele Huis
Met een korte beschrijving van de vierde brief aan Wil van middenzomer (juni 1888) in Arles wil ik dit artikel eindigen. Het bericht begint al goed: “Lieve zuster, welbedankt voor uw brief waarnaar ik reeds had verlangd. Ik durf mij niet naar mijn gevoel te laten gaan om u dikwijls te schrijven of dit uit te lokken uwerzijds.” Wat mooi en liefdevol van de eenzame Vincent, die in de hitte en de krachtige en de vaak bij zijn schilderen storende wind (mistral) volop aan het werk is in de mooie natuur rond Arles. Hij voegt er inzichtsvol aan toe: “Al die correspondentie draagt niet altijd bij om ons die zenuwachtig van gestel zijn, krachtig te houden in gevallen van eventuele onderdompelingen in de de melancholie van de soort die ge noemt in uw brief en die ik zelf zo nu en dan ook heb.” Jammer dat die brief van Wil niet bewaard is gebleven! Dit zegt Vincent al lang voordat hij met kerstmis 1888 samen zal breken en zijn geestesziekte zich zal uiten in herhaaldelijk terugkomende vlagen van waanzin.
Dan praat hij over zijn leermeester in Den Haag, Anton Mauve, van wie Wil bericht heeft dat hij gestorven is. Vincent is er oprecht van ondersteboven, al is zijn opvatting van echte schilderijen heel anders dan zijn leermeester, met wie hij uiteindelijk gebroken heeft. Ook heeft hij het in positieve en lovende zin over zijn collega Paul Gauguin, die beloofde naar Arles, naar ‘het gele huis’ van Vincent te komen en die veel met de eerste ernstige aanval van waanzin van Vincent aldaar te maken heeft. Hij voelt zich verplicht Willemien in te lichten over de impressionisten, die hij nu kent, Bernard, Pisarro bijvoorbeeld, en over portretkunst en kleur, over het verschil tussen fotograferen en schilderen en zo.
Dit lijkt me een goed moment met dit verhaal te stoppen. Veel plezier met de waarlijk troostende kunst van Vincent van Gogh en tot een volgende keer.
Peter Starmans





