Hakkapäälle
Op zaterdag 13 mei 2006 hield de NViF, afd. Länsi-Uusimaa, een bijeenkomst in Virkkala aan de Koninklijke handelsweg tussen Bergen, Stockholm, Turku en Wiborg (en verder…). Het feest was georganiseerd door Henriette van der Woude, ze had het goed gedaan en ook voor een hartig natje en een smakelijk droogje gezorgd. Wim van der Kooij, die er ook was en met ons volksdanste dat het een lieve lust was, had zijn Duitse vriend Detlev Pleiss -een half in Finland, half in Duitsland wonende historicus- uitgenodigd een praatje voor ons te komen houden over een Finse militaire ruitertroep die in 1633 Brabant en Limburg had bezocht.
De bijnaam van die Finse soldatencompagnie was op z’n Duits ‘Hakkapeliter’, op z’n Nederlands ‘Hakkapelieten’. Adriaan van der Hoeven van de UvG schrijft: “Dat de Finnen voor het merendeel Luthers zijn, komt doordat Gustaaf I Wasa in de eerste helft van de 16de eeuw brak met de Paus en koos voor de Reformatie. Dat Zweden zich in de eeuw daarop tot een grote Europese mogendheid kon ontwikkelen, was mede te danken aan Finse belastinggelden en Finse soldaten. Vol ontzag spraken hun tegenstanders van de hakapeliten, een bijnaam afgeleid van de kreet die ze uitten als ze ten aanval gingen: hakkaa päälle, sla erop! Een aantal van hen vocht nog als huurling voor Frederik Hendrik.” Dat laatste blijft wat vaag en kan ik nu in discussie met Detlev Pleiss wat nader preciseren.
‘Hakkapelieten’ (-houwdegens-) waren vooreerst legendarische, Zweeds-Finse ruitercompagnies uit de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Ze waren in het Europa van toen beroemd en werden vooral bewonderd om hun discipline, vechtlust, getraindheid, doortastendheid en zo. In de loop van de oorlog werden ze steeds meer legendair, dus beroemd zo niet berucht vanwege hun in het gevecht bewezen moed en gemotiveerd stoer doorzettingsvermogen (‘sisu’ bij wijze van spreken!). Moedige soldaten in het Zweedse leger waren ze – uit het machtige Zweden van toen, als beschermende en actief ondersteunende evangelische ‘peetoom’ van de overige protestants-lutherse, nog vrijwel uitsluitend Duitse landen. Ze vochten gezamenlijk tegen de dreigende en door velen gehate katholieke landen als Italië of Spanje, met de Keizer van het Heilige Roomse Rijk in Wenen en de Paus in Rome. Gustav II Adolf deed wel van harte mee aan deze ‘godsdienst’-strijd, om zijn eigen Koninkrijk Zweden verder uit te breiden tot een onbetwiste Europese grootmacht, het liefst tot aan de Rijn!
De soldateske ‘Hakkapelieten’ schreeuwden “Hakkaa päälle!”, telkens als ze zich in de strijd wierpen, om zichzelf moed in te spreken voor het komende gevecht van man tegen man, te paard of te voet. ‘Sla ze de kop in!’ lijkt me hier een juiste agressieve vertaling van hun gevechtsroep.
De krijgsroem van deze troep soldaten uit het noorden, verbonden met panische angst ervoor en gruwelverhalen erover, leefde onder het germaanse volk in ballades en geruchten. Het focuspunt ervan werd in de loop van de oorlog meer en meer toegespitst op de befaamde en succesvolle Finse ruitercompagnie o.l.v. Torsten Stahlhandschuh(Stallhans/a) uit Porvoo/Borgå –een geboren zweedstalige Fin- en zijn vooral uit zuidwest Finland bijeengegaarde manschap. Stahlhandschuh heeft, eerst onder Gustav II Adolf en na diens dood (eind 1632 te Lützen) onder Axel Oxenstierna (Rijkskanselier van Zweden) een glanzende carrière in het Zweedse leger in Duitsland gemaakt.
Deze ‘Stalen Hans’ was een ware mannetjesputter, door zijn soldaten op handen gedragen, hij was de onbetwiste en hoogbegaafde leider van zijn ruitercompagnie. Hij was ook een met ’n aureool van gezonde hardheid en eerlijke godsdienstzin (-goed Luthers dus!-) omringd. Voorts was hij uiterst communicatief en veeleisend, voor zichzelf maar ook voor zijn soldaten, en dat is me toch wat, nietwaar?
De mythische, bijna heidense sagenkrans rond deze troep soldaten werd gesymboliseerd in de steeds in bericht en lied terugkerende woordcombinatie ‘Finnen en Lappen’. De Laplanders waren in die tijd inderdaad nog maar nauwelijks be/gekend en heel vaag gedefinieerd, ze waren dus vooral ‘sagenumwoben’ (‘ in sagen gebaad’?pst). Misschien ook nu nog wel, denk maar aan de faam van iemand als Andreas Alariesto, de Lapse schilder van oude en hooginteressante Laplandse tradities. De eerdere woordcombinatie ‘Zweden en Finnen’ was tijdens de 30jarige Oorlog al gauw ‘out’. De in Duitsland binnengedrongen en de Duitse landen verwoestende Zweden werden al ras gehaat en veracht, de Finnen (en Laplanders dus) uit dat angstaanjagende Zweedse leger daarentegen werden bewonderd, gevreesd en via een soort mythe tot een groep ‘Lordi’s’ omgevormd (‘Der Teufel lass sich kratzen. Der Schwed hat Finlendische … Hund, spritzen Feuer wie die Katzen.’, citeert Detlev Pleiss uit een ‘Flugschrift aus Aschersleben’ 1631). (‘De Duvel laat zich krabben. De Zweden hebben Finse honden die vuur spugen als katten.’)
Maar de vraag is hier nu, wat deze Finse ‘Hakkapelieten’-elitetroep van het Zweeds-Duitse leger met de historie van Nederland te maken heeft gehad?
Op zich eigenlijk niks, maar onze Frederik Hendrik had al jarenlang bij Zweedse diplomaten in Den Haag en elders over hun elitetroepen gehoord en had erop aangedrongen, dit onderdeel van het Zweedse leger eens te mogen huren voor een maand of wat, om zo mogelijk op deze manier een beslissende slag tegen de Spanjaarden uit te kunnen voeren.
En toen in 1633 een groot deel van het ‘evangelische’ Zweedse/Duitse leger in Nederduitsland opereerde, was dit misschien een passende gelegenheid, aan deze wens van de prins tegemoet te komen. Gustav II Adolf was november 1632 in Lützen in de strijd gevallen, Axel Oxenstierna had toen het oppercommando van de Zweeds/Duitse strijdkrachten als ‘Oberdirektor des Evangelischen Bundes’ op zich genomen, de oorlog was nu even in wat rustiger vaarwater gekomen en zijn leger had behoefte aan geld en gezonde voeding. Vandaar dat hij en zijn collega’s de ruiterij (-o.a. de Finse-) wel voor twee maanden aan de prins van Oranja wilden uitlenen (-tegen stevige betaling uiteraard!-) om Frederik Hendrik zo vanuit het nu wat minder door de oorlog geteisterde Brabant en Limburg de kans te geven, een beslissende slag richting Brussel met de Spanjaarden en hun medestrijders te slaan.
Een korte opmerking nu terzijde. Prins Frederik Hendrik was een echte zoon van Willem van Oranje, de tolerante Zwijger, en eigenlijk wilde hij naar Brussel, om de Spanjaarden daar weg te jagen, dus ook wel om de verloren 10 Nederlandse provincies weer bij de zeven succesrijke Nederlanden van het Noorden te voegen. Dit wisten de Hollandse regenten eigenlijk ook wel, maar zij voelden er om regilieuze en economische redenen niet meer zo heel erg veel voor. Het Zuiden was zo katholiek en met de havens en de zeevaart in het Noorden ging het nu zó goed, dat ze liever de concurrentie uit het Zuiden niet meer terug wilden halen. Daarom was de samenwerking tussen de Prins van Oranje en vooral de Staten van Holland -maar ook wel de Staten-Generaal- niet zonder meer optimaal. Ook al werd Frederik Hendrik als veldheer ten zeerste bewonderd en bejubeld, door vriend en vijand.
Maar goed, Prins Frederik Hendrik en de Staten-Generaal gingen wat de hulptroepen uit het Zweedse leger betreft toch akkoord. De leiding van het Zweeds/Duitse leger in Nederduitsland liet nu haar ruiterij –met aan de kop ervan de Finse stoottroepen en ruiters o.l.v. Stahlhandschuh!– naar Wesel aan de noordzijde van de Rijn trekken. Daar staken ze dan via de schipbrug naar de zuidkant van de Rijn over, richting ’s Hertogenbosch, dat in 1629 na een roemrijke belegering in handen van de ‘stedenbedwinger’ Frederik Hendrik was gevallen. In het achterhoofd van de willige Zweedse leiding stak zeker ook nog de ‘aloude’ Gustav II Adolf-wensdroom, de Rijn als grens te bezetten en voor de Zweden veilig te stellen! De Rijn was toch ooit ook de grens van het Romeinse Rijk met het Germaanse geweest? Een magische en toch verdedigbare grens dus! Gustav II Adolf wilde daarom zo graag de noordkant van de Rijn veroveren en zo een nieuwe grens vastleggen tussen het Zweedse Rijk en de rest van Europa, het katholieke Zuiden laten we maar algemeen zeggen. Samenwerking met de machtige ‘Republiek der Zeven Provinciën/Nederlanden’ bood nu wellicht na twee mislukte mogelijkheden een nieuwe kans, deze wensdroom van een groot Zweeds Rijk toch weer een stap nader bij de verwerkelijking te brengen. Het liep echter anders.
De veldtocht eind 1633 van de Zweeds/Duitse ruiters -met op kop de ‘Hakkapelieten’ uit Finland- kriskras door Staats-Brabant en Limburg, tegen de Spaanse troepen richting Brussel (-als centrum van het katholieke Spaanse Rijk in het noorden-) mislukte volkomen.
Misschien door het barslechte weer, misschien door de in het vrije veld onzekere leiding van de prins, misschien ook door de onwil van Spaanse zijde, nu een open veldslag te leveren, maar misschien ook wel door demotivering van bijvoorbeeld de Finse elitetroepen, de ‘Hakkapelieten’. En bij dat laatste is wel wat op te merken.
De soldaten was goed geld als loon voor werken beloofd, ruim genoeg om te leven en ook om wat voor later over te houden, maar de Generale Staten van de Republiekwaren erg langzaam bij het uitbetalen van deze schuld, ze aarzelden veel te veel.
En dat betekende demotivatie van de gewone soldaat en dan ook plundering door man en paard van de Finse Compagnie -en niet alleen door hen hoor, maar ook door de andere soldaten uit Zweden en Hessen. En dat als wraak voor het geleden ‘onrecht’. Die gewone soldaat moest toch zelf ook (ervan) leven en had daarom geen medelijden met de mooie en welvarende streken waar ze doorheen trokken of met de weldoorvoede boeren, boerenmeiden en stedelingen die daar woonden.
En … plundering betekende toentertijd verwoesting, verkrachting, vernieling en ander onrecht, dat wel, maar … waarom betaalden de Staten niet ‘cash’, oftewel snel en contant, zoals was afgesproken, toen ze de hulptroepen in dienst namen. En verder … zulk gedrag was bij de toenmalige oorlogsvoering normaal. Maar nogmaals … waarom aarzelden die Hollanders zo lang met de uitbetaling?
Misschien wel vanwege onze niet zo positieve, maar toch wel traditioneel typisch ‘hollandse’ eigenschappen als overleg, spaarzaamheid of zelfs gierigheid. Per slot waren de Zeven Provinciën zelf al min of meer veiliggesteld en leefden ze in welvaart buiten het strijdgewoel van die wilde jaren in Westeuropa om. Bovendien wilden ze ook wel graag, dat woeste huursoldaten buiten hun eigen grenzen -dus liever in de wingewesten of generaliteitslanden Brabant en Limburg bijvoorbeeld!- hun ‘republikaanse vrijheid’ op bredere basis veilig zouden stellen, maar dan zonder er zelf direct onder te hoeven lijden. Maar … er goed voor betalen, snel en in klinkende munt, nee dat deden ze niet zo graag of niet zo van harte, ofschoon ze het geld daarvoor heus wel bezaten. Nou goed, dit is maar een mogelijke en misschien ook wel een eigengereide verklaring, ik weet het.
In het onderhavige geval betaalden ze in ieder geval veel te langzaam, zodat het wel tot onnodig plunderen moest komen. Soldaten zijn geen fijne burgers of welvarende boeren, maar volkse en wat ruwe soldaten, die geld willen zien, of anders …‘hakkaa päälle’!!! Overigens … op zich stonden de gedisiplineerde troepen van Stahlhandschuhtoentertijd erom bekend, niet méér te plunderen en te vernietigen -met man en paard, dat wel- dan strikt noodzakelijk was. ‘Strikt noodzakelijk’ was toen uiteraard met een korreltje zout te nemen en … ‘uitzonderingen daargelaten’ (-zoals in Limburg misschien-) want oorlogvoering was in die woeste tijden niet zo heel erg beschaafd en fijn naar onze moderne smaak. Overigens … is het vandaag de dag dan zonder meer dan wel beter en humaner?
Omdat ik geboren lijk Finnen te willen verdedigen, geef ik ter verontschuldiging van het uitbuitende wangedrag van de soldateska van Fins/Zweeds/Duitse origine nog het volgende te bedenken. Begin oktober 1633 hadden de soldaten bij Visé/Wiset -zuidelijk van Maastricht, stroomopwaarts aan de Maas gelegen- drie dagen hard gewerkt om een scheepsbrug te bouwen over de rivier. Het materiaal en ook de proviand kwamen uit de stad Liège/Luik. Die toen inderdaad ook met bezetting bedreigde stad wilde niet meer van harte meewerken en liet het al snel wat voedselaanvoer voor de Zweeds-Duitse troepen betreft afweten. Is het dan verwonderlijk, dat die soldaten boos en beledigd richting stad en omgeving trekken om daar -nogal hardhandig uiteraard- bij boeren en boerinnen en anderen aan hun trekken te komen? Want zonder afdoende betaling hard te moeten werken en niet verzorgd te worden met stevig voedsel, dat werkt frustrerend. Zo waren die eenvoudige knullen nu eenmaal! Verder is het maar de vraag of het gebied daar in de buurt van Luik wel zo Staats en niet eerder Spaans was. In het laatste geval dus ‘gebied van de vijand’ en dat mag je toch wel uitbuiten en plunderen, nietwaar? Denk maar eens aan de stad Duinkerken en hun zeerovers! En heeft de grote Hollandse rechtsgeleerde Hugo de Groot ook niet gezegd, dat je de schepen van de vijand mag kapen, tenminste in tijd van oorlog? En, mijn beste lezer, dat kapen ter zee van toentertijd leek toch wel vermepte veel op plunderen van het platteland. Dus waarom dan niet het vette, vijandige land aan de Maas bij Luik kapen of plunderen, zeker als die rijke en zo welvarende stad Luik en ook anderen niet mee wilden werken? ‘Foei toch!’ of nu net ‘juist zo!’, ik weet het niet meer.
Maar goed, ook de Finse ‘hakkapelieten’ zijn toen stout geweest, toegegeven, maar zeker niet extreem voor die tijden, en toen ze eenmaal hun geld echt zouden krijgen op onvoorwaardelijke prinselijke belofte -als ze maar zo snel mogelijk teruggingen de Rijn over naar huis- toen werden ze poeslief en gingen braaf (-nou ja braaf …-) in Büderich/Wesel aan de samenloop van de Lippe en de Rijn hun geld ophalen en weg waren ze, op mars naar het noordoosten, met hun rug naar de Nederlanden. Zo liep de ‘verkering’ van de Finse ruiters met het Staatse leger o.l.v. Prins Frederik Hendrik met een sissertje af. Veel heeft de prins overigens aan die ruiters echter niet gehad, maar ja … dat was heus niet hun schuld, geloof me nou. Veel plezier heeft ook de Zweedse Rijkskanselier Axel Oxenstierna er niet aan beleefd. Van toen af hebben de Zweden hun wensdroom van de Rijn als grens van hun Europees Zweedse Rijk maar opgegeven. Goed zo, lijkt me!
In het boek van Pirjo Poutanen ‘Hämeen Härkätiellä” (‘op de ossenbaan van Häme’) lees ik op bladzijde 114: “Hakkapeliittatapahtuma on vietetty Tammelassa Mustialan vanhassa puistossa jo 1970-luvun lopulta lähtien. Tapahtumalla kunniotetaan 1630-luvulla 30-vuotiseen sotaan lähteneitä taistelioita.” (‘Al vanaf de jaren zeventig van de afgelopen eeuw wordt in het oude park van Mustiala in Tammela het Hakkapelieten-evenement gevierd. Hiermee worden de soldaten geëerd, die in de jaren dertig van de 17e eeuw de 30jarige oorlog introkken.’) Zo zie je maar, vergeten zijn de Finnen het nog steeds niet. En ik moet hierbij natuurlijk ook meteen denken aan de uitnodiging van onze Jos voor de ‘Hakkapeliitta in Tammela’ op 5 augustus. Een gezellige markt met alles erom en eraan. Daar zal hij zeker wel een of andere foto van hebben!
Kerava, 30 juni 2006
Peter Starmans
lehtori
Begin van de Nederlandse Vereniging in Finland 07.01.1937
DEEL 1: eerst wat algemener
Op het jubileumfeest van onze vereniging op 17 november 2012 in de Nederlandse residentie wierp onze nieuwe ambassadeur, Henk Swarttouw, in zijn vriendelijk en weldoordacht welkomstwoord een verrassende vraag in de ronde van een vijftigtal toeluisterende Nederlanders: ”Weet u, geacht publiek, waarom de Nederlandse Vereniging in Finland eigenlijk precies op 7 januari 1937 is gesticht?” Een hooginteressante en verrassende vraag, dat wel! Maar nog verrassender, (en voor sommigen zelfs beschamend, ik geef het toe ;-), was de reactie van het publiek: niemand van de toehoorders kon het juiste antwoord geven.
Het initiatief voor een nieuwe vereniging is inderdaad in januari 1937 genomen en de club werd begin februari 1937 officieel gesticht, OK, maar waarom precies op 7 januari? De aap kwam gelukkig al snel uit de mouw van de nieuwe Nederlandse ambassadeur, de vertegenwoordiger van de Koningin der Nederlanden in Finland, meneer Henk Swarttouw: op 7 januari 1937 stapten Prinses Juliana en Prins Bernhard namelijk in het huwelijksbootje. Op die doorluchtige avond van de zevende januari 1937 was er in de ruimtes van het Nederlands gezantschap of in de woning van meneer Huender, consul van Nederland in Finland, een feestelijke bijeenkomst, waarbij in ieder geval de heer Spaens van Philips aanwezig was en zeker ook nog wel een paar andere in Helsinki wonende en werkende Nederlanders in hogere posities.
Op 7 januari 1937 zijn prinses Juliana en prins Bernhard dus getrouwd. Natuurlijk, dat weet toch iedereen :-). Een leuk filmpje van een minuut of elf à twaalf van deze gebeurtenis in Den Haag is te vinden op YouTube: ”De huwelijksdag van Prinses Juliana en Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld”. En … als de lezer/es een goede tekst of mooie foto’s bij deze Haagse gebeurtenis zoekt, kan hij/zij bijvoorbeeld en voorbeeldig terecht op de site van van het Koninklijk Huis of op die van de Koninklijke Bibliotheek.
De koninklijke familie had in die jaren overigens zeker een grote symbolische betekenis. Centraal stond uiteraard Koningin Wilhelmina en daarom werd Koninginnedag op 31 augustus zo mogelijk uitbundig gevierd; direct naast Wilhelmina stond haar latere troonopvolgster Prinses Juliana met haar man Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld (de toen al populaire prins, met later dan de symbolische anjer in het knoopsgat van zijn revers, als sympathiek bewijs van zijn pro-Nederlanderschap tijdens de oorlog); al gauw kwam daar op 31 januari 1938 als eerstgeborene Beatrix bij (de prinses van de ballonnen in Kärsämäki, wacht maar af 🙂 en op 5 augustus 1939 als tweede dochter prinses Irene. Het vieren van de verjaardagen van hen allen stond als vanzelfsprekend regelmatig en centraal op het programma van de ‘Nederlandsche Vereeniging’ in die dagen. En terecht, toen dus al.
De ‘Nederlandsche Vereeniging’ in Finland was principieel wel bedoeld als vereniging van de bijeengebrachte belangengroep van Nederlanders, die toen in Finland woonden. De eerste ledenlijst van 1 december 1938 voert 38 namen op (archiefdocument 025). We zien er namen van zakenmensen met als primus Koen Spaens van Philips en voorts van heel wat vertegenwoordigers van de katholieke kerk o.l.v. bisschop Gulielmus Cobben. Namen van diplomaten als die van H.M. Gezant Baron van Nagell ontbreken echter. Wilden zij toen liever niet als lid van een officiële Nederlandse vereniging in het buitenland geregistreerd worden of wilden ze alleen maar zo veel mogelijk op de achtergond blijven? Een antwoord heb ik niet, maar Baron van Nagell droeg de vereniging in ieder geval jarenlang een warm hart toe. De naam van Dr. W. Huender, de eerste voorzitter van de vereniging, ontbreekt hier ook, maar hij was toen al uit Finland vertrokken, nadat hij door de ledenvergadering van 1938 tot Eere-Voorzitter benoemd was.
Deel 2: wat preciesere gegevens voor de liefhebber van historie
Omdat het begin van onze NViF nog steeds wat onscherp omlijnd is, hier ter aanvulling voor de liefhebber van historie een paar nadere preciseringen. Die komen grotendeels uit het archief van de vereniging en enigermate uit het internet.
Op 7 januari 1937 besloot een ‘voorloopig comité’ in een bijeenkomst ter gelegenheid van het huwelijk van Prinses Juliana en Prins Bernhard bij de Nederlandse Gezant Baron van Nagell (in Stockholm) of de Nederlandse consul in Finland Dr. Huender een nieuwe vereniging op te richten. Op 28 januari 1937 schreef K. Spaens namens het ‘voorloopig comité’ een brief aan alle Nederlanders in Finland en nodigde hen uit, begin februari ter vergadering te komen. Op 4 februari volgde toen de bijeenkomst en daarmee de oprichting van de ʻNederlandsche Vereenigingʼ (in Finland) en daarbij werd het eerste bestuur benoemd. Doc.001 van ons archief luidt zo: ”Helsingfors, den 26 Januari 1937. L.S. Naar aanleiding van onze bijeenkomst op 7 Januari, waarbij tot oprichting van de Nederlandsche Vereeniging werd besloten, stelt het voorloopig comité zich voor, op Donderdag 4 Februari om 20 uur bijeen te komen in lokaal n° 4 van ”Handelsgillet”, Kaserngatan n° 23. Op de aanwezigheid bij deze bijeenkomst van U en Uwe dames, stellen wij hoogen prijs. (…). Namens het voorloopig comité, K.Spaens”. En doc.006 gaat hierop verder:”Helsingfors, den 3 april 1937. L.S. Hierbij doe ik U toekomen een kort verslag van de eerste bijeenkomst van de Nederlandsche Vereeniging op 4 Februari 1937. Verslag: Dr. Huender opende de bijeenkomst en heette alle leden hartelijk welkom. Hij verheugde zich er over, dat met eenige uitzonderingen alle Nederlanders aanwezig waren, en sprak de hoop uit, dat ook voor de toekomst alle leden even voltallig en met hetzelfde enthusiasme zouden verschijnen. Hierna werd de voordracht van het bestuur bij acclamatie aangenomen: Dr. W. Huender (Voorzitter), H.D. Stelwagen (Vice-Voorzitter), K. Spaens (Secretaris-Penningmeester), Mevr. Huender, Mevr. Palmberg. Het aantal bijeenkomsten werd voorlopig op vier per jaar vastgesteld, te weten, in Januari, April, Augustus en December. Dit sluit natuurlijk niet uit, dat dit aantal bij voldoende interesse vermeerderd kan worden. De secretaris ontvangt hierover gaarne Uwe voorstellen en zal na overleg met het bestuur dan zoo spoedig mogelijk hierop terug komen. Hiermede was het officieele gedeelte afgeloopen en werd de rest van den avond in gezellig tezamenzijn doorgebracht. (…) De Secretaris-Penningm. K. Spaens”.
Een eerste vraag hierbij is wel: Wie was Dr. W. Huender?
Uit het archief van de vereniging krijgen we een nog wat onvolledig antwoord. Op 18 juni 1937 ondertekent de heer Huender een brief aan het Bestuur van het Algemeen Nederlandsch Verbond als ʻVoorzitter, Dr. W. Huender, Consul Generaal der Nederlandenʼ. Daarmee weten we dus zijn status in Finland in 1937/1938. Als secretaris van de vernoemde brief ondertekende tevens ”K. Spaens, Directeur Finska A/B.Philips” (doc.013). Huender werd op 4 februari 1937 tot eerste ʻVoorzitter van de Nederlandsche Vereeniging in Finlandʼ gekozen. Hij trad op 10 februari 1938 als voorzitter terug, omdat hij naar elders geroepen werd. De aftredende voorzitter, Dr. W. Huender,wordt dan de eerste ʻEere-Voorzitterʼ, en K. Spaens wordt tijdens dezelfde vergadering gekozen tot de tweede ʻVoorzitter van de Nederlandsche Vereeniging in Finlandʼ (doc.017). Uit doc.025 blijkt, dat Huender eerst spoedig erna naar Bergen in Nederland is gegaan.
De volgende info komt uit: http://journals.cambridge.org. Vanuit Nederland is de heer Huender waarschijnlijk al snel (weer?) naar Nederlands-Indië vertrokken. Dr. W. Huender heeft, wordt ons bericht, jarenlange ervaring in koloniale, consulaire en diplomatieke dienst voor Nederland in het buitenland opgedaan. Vóór de oorlog was hij in Manila, waar hij door de Japanners geïnterneerd werd; hij, zijn vrouw en zijn kinderen kwamen toen naar Londen met het eerste schip, dat diplomaten in het voorjaar 1943 naar Engeland heeft gebracht. Het wanneer en de omstandigheden van deze op zich interessante info worden echter verder niet nader gepreciseerd. Verder gegevens van zijn persoon zijn: Dr. W. Huender, doctor in de politieke wetenschappen van Leiden; hij is assistent-resident in Nederlands-Indië geweest en is later in buitenlandse Nederlandse diplomatieke dienst gegaan. De schrijver van dit artikel schat, dat het assistent-residentschap in Nederlands-Indië in de jaren dertig heeft plaatsgevonden, wellicht voordat hij als Consul Generaal naar Finland kwam of misschien tussen zijn consulschap in Finland tot 1938 en zijn terugkeer naar Europa in 1943). Jammer genoeg weten we niet, wanneer W. Huender geboren is. Na Finland is hij kennelijk (weer?) naar Nederlands-Indië gegaan, om daar voor de Nederlandse belangen te werken. In 1943 is hij dan chef van het kabinet van de Secretaris Generaal van het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken (in Londen) geworden. Hij werd aldaar ook benoemd tot lid van het interim-comité van het Internationale Instituut in Londen (of Cambridge), dat verantwoordelijk was voor de ”International Discussion Meetings”, een belangrijk internationaal discussieforum van het toenmalige Europese centrum Londen. Het thema van een van die meetings op 24 februari 1943 was: ”Training Courses for Service in the Netherlands East Indies”, ingeleid door Dr. W. Huender als vertegenwoordiger van het Nederlands Bestuur in Londen. Deze lezing is gedeeltelijk op internet te vinden en gaat over de planning van de scholing voor dienst in het Nederlands-Indië na de oorlog. Was hij daarom al in 1938 vanuit Finland naar Nederland teruggeroepen? Misschien wel, maar goed, vragen zullen er altijd wel blijven bestaan; toch hebben we nu al vrij veel informatie over Dr. W. Huender bij elkaar gevonden. Wat Finland betreft kunnen we hier samenvatten: hij was in 1937 Nederlands Consul Generaal in Finland, door het Ministerie van B.Z. aldaar benoemd, en hij werd op 4 februari 1937 de eerste voorzitter van de ʻNederlandsche Vereenigingʼ in Finland. In 1938 is hij uit Finland naar elders vertrokken.
Nu zijn we dus weer terug bij de NViF. In het algemeen heb ik al gezegd, dat Oranje voor de vereniging een grote rol speelde. Voor de derde bijeenkomst van de jonge vereniging in 1937 worden de leden bijvoorbeeld als volgt uitgenodigd: ”Het Bestuur der Nederlandsche Vereeniging stelt zich voor op 31 Augustus 1937, ter gelegenheid van de viering van den verjaardag van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, hare leden een middagmaaltijd aan te bieden in een der zalen van Hotel Torni te Helsinki des avonds te 19 uur.” (doc.014). De vereniging was in die jaren expliciet oranjegezind, wat in die moeilijke tijden van zoeken naar eigen identiteit en naar onderlinge steun van (door grote buurlanden) bedreigde kleine landen als Nederland en Finland wellicht vanzelfsprekend was. Zoals boven dus al gezegd: centraal voor Nederlanders (in het buitenland) stond Koningin Wilhelmina en haar Koninginnedag op 31 augustus; in waardeschaal direct ernaast stond haar latere troonopvolgster Prinses Juliana met haar man Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld; gevolgd op 31 januari 1938 door prinses Beatrix en op 5 augustus 1939 door prinses Irene. Het vieren hiervan stond regelmatig en nadrukkelijk op het programma van de vereniging. Dat ook nu nog wel enigszins, maar toch had het vieren van Oranje in die tijd een andere kleur dan nu wellicht. In het archief van de NViF vinden we uit begin 1941 een wat onduidelijk document (doc.047, een typoscript van een lang telegram, zonder datum echter). Het ging daarbij over uitdrukkelijk trouwbetoon aan de Koningin op 31 augustus, maar tevens en tegelijkertijd over het vieren van de dag van de vrijheid. Particulier initiatief in Londen stond erachter; met name worden genoemd Unilever, Philips, Brenninkmeyer e.a. Aan het eind van het telegram wordt dan de afzender van het telegram vermeld: ”(stop) eerevoorzitter Nederlandsch gezant (stop)”. Dat kan alleen maar Baron van Nagell uit Stockholm zijn. Baron van Nagell was namelijk al op 8 december 1938 tot ʻEere-Voorzitter der Vereenigingʼ benoemd. Dus het ging in dit telegram ook om een verzoek van de Nederlandse gezant aan de ʻNederlandsche Vereeniging in Finlandʼ, om mee te doen met dit initiatief en dus de Koninginnedag te vieren als ”Neerlands vrijheidsdag, Netherlands Day of Freedom”. De initiatiefnemers van dit initiatief verbleven in Londen. Het begin van het telegram is het duidelijkst: ”Van particuliere zijde is een plan om (bij) gelegenheid Koninginneverjaardag op grootsche wijze spontaan trouw doen bewijzen door Nederlandsche onderdanen geheele wereld onder aandacht regering gebracht (stop) regering plan tegenover zeer sympathiek (stop) reeds gevormd voorloopig comité zal zich telegrafisch tot U wenden verzoekende ten Uwent vorming particuliere ondercomités stimuleeren. …”. (Sorry, beste lezer/es, maar dit is een prachtvoorbeeld van diplomatieke telegramstijl ;-). Hoe dit toen verder gelopen is, blijkt jammer genoeg uit het verdere schaarse archief niet meer. Maar de centrale plaats van Oranje en het verlangen naar vrijheid van het toen al bezette Nederland in binnen- en buitenland is hier overduidelijk in verwoord.
Interessant hierbij is tenslotte nog, dat doc.043 op 1 februari 1941 aan Baron van Haersolte via het Gezantschap der Nederlanden in Helsingfors gestuurd werd. Deze baron werd al eerder vermeld op de achterzijde van de ledenlijst 1/1 van 1939 (doc.040). De vraag is nu, wie deze baron is, want Baron van Nagell is zeker tot 31 januari 1941 nog H.M. Gezant der Nederlanden in Zweden en Finland, met als vestigingsplaats Stockholm (doc.048). Is Baron van Haersolte dan de opvolger geworden van Baron van Nagell per 31 januari 1941, zoals in het commentaar van het archief verondersteld wordt? Heel onwaarschijnlijk, want op de presentielijst van de bijeenkomst in hotel Torni van 31.01.1941 worden de heer en mevrouw Van Haersolte als aanwezig aangegeven zonder bijvoeging van enige status en het telegram van Spaens vanuit Stockholm van dezelfde dag werd ondertekend door Baron van Nagell. Dit document luidt als volgt: (tijdstip 31 januari 1941, gericht aan de ‘Legation Hollande’, Helsinki): = VAN SPAENS VOOR NEDERLANDSCHE VEREENIGING KAN TOT ZIJN SPIJT NIET AANWEZIG ZIJN DOCH WENST U ALLEN EEN AANGENAME AVOND LEVE DE KONINGIN LEVE VRIJ NEDERLAND = NAGELL”. Na dit telegram van januari 1941 zwijgt het archief van de NViF verder tot september 1945 in alle talen. Was Koen Spaens als voorzitter van de ʻNederlandsche Vereenigingʼ toen in Stockholm bij de gezant, om de zaak rond de vrijheidsdag met hem te bespreken? Waarschijnlijk JA! Maar verder doe ik er hier maar beter met het archief het zwijgen aan toe.
Deel 3: algemene afsluiting
Overigens komen de namen van geen van de twee laatstgenoemde baronnen voor op de ledenlijst van de vereniging van januari 1941 (doc.46), maar wel bijvoorbeeld de namen van de heer en mevrouw Nikolai en Saga van Gilse van der Pals (zie ons nieuwe boek ʻCulturele banden van Finland met Nederlandʼ) en ook die van het echtpaar Spaens; en verder verschijnt de naam van bisschop Gulielmus Cobben; maar bijvoorbeeld niet die van Rob of Armand de Caluwé, waarover we uitgebreid geschreven hebben (bijvoorbeeld in het boek ʻFins-Nederlandse relaties – vroeger en nuʼ van 2010 en in de Finse vertaling ervan). De twee De Caluwés, als ʻpaterʼ en ʻpastoorʼ hier betiteld, dus pater Rob en pastoor Armand de Caluwé, waren echter wel aanwezig op de bijeenkomst in hotel Torni van 31 januari 1941 (doc.042), waarover we al gesproken hebben. Wat was dat dus eigenlijk voor een bijeenkomst? Het juiste antwoord moet ik de lezer/es schuldig blijven. Dit alles roept weer allerhand andere vragen op. Maar … omdat de vragen vaag zijn en de schriftelijke gegevens ter oplossing van de vragen schaars tot nihil, zijn er ook nauwelijks zekere antwoorden te geven. Dat is vaak het probleem van iedere historicus ;-), daar moet hij zich dan maar bij neerleggen.
Eind goed ‒ al goed: misschien was dit lange verhaal toch een lichtgevende adstructie bij de hooginteressante vraag tijdens het jubileumfeest van ambassadeur Henk Swarttouw, waar we in dit artikeltje van uit zijn gegaan :-).
Kerava, 26 december 2012.
Peter Starmans, lehtori
De Petronella Legende
Diep verscholen in de barre uitgestrektheid liggen de “Petronellan Kukkulat”. Onopvallend steekt de vierhonderd meter hoge heuvel met zijn twee glooiend in elkaar overlopende toppen boven de wildernis uit. Bij dit rotsmassief, waar ’s zomers verweerde, soms eenzelvige mannen met houwelen de rivierbeddingen uithakken op zoek naar goud, begon het mysterie rond Sylvia Petronella van der Moer.
Een update, de Petronella droom leeft, staat in deze pdf file.
In het “Noorderlicht” (Jaargang 6, nummer 3, november 2000), het blad van de Nederlandse Vereniging in Finland, stond een opmerkelijk stuk van de hoofdredacteur, Harry Maat, over een Nederlandse vrouw die een legende geworden is in Finland, Petronella Antoinette van der Moer (in Finland gebruikte zij de voornamen Sylvia, Petronella, Antoinette). Ik neem een deel van zijn tekst over:

“Het is nog maar ruim vijftig jaar geleden dat de grondslag werd gelegd voor een nieuw Fins sprookje. Alle ingrediënten waren er voor aanwezig. Vooral het mysterieuze droeg daar belangrijk aan mee. Het begon allemaal eind 1949, toen een jonge Nederlandse vrouw ergens in het hoge Noorden in Lapland in een goudzoekerskamp in Lemmenjoki terechtkwam, daar gedurende langere tijd verbleef om daarna ook weer opeens te verdwijnen. De ouderen onder U, die langer in Finland wonen, zullen dit verhaal wel kennen, omdat van tijd tot tijd hierover in de Finse bladen wordt geschreven. Maar toch…”
Zo een twintig jaar geleden knipte ik het volgende verhaal uit het Nederlandse blad “Panorama”. Het werd geschreven door Gertjan Verwijk, en verscheen onder de titel: Sylvia, waar ben je?
“In Finland is ze een legende. Boten, restaurants dragen haar naam. Een berg met twee toppen werd vernoemd naar haar borstpartij. En dat alles omdat in 1949 ene Sylvia Petronella van der Moer in de barre verlatenheid van Lapland intens samenleefde met een groep goudzoekers. Die droegen haar op handen, totdat ze spoorloos verdween.
Diep verscholen in de barre uitgestrektheid liggen de “Petronellan Kukkulat”. Onopvallend steekt de vierhonderd meter hoge heuvel met zijn twee glooiend in elkaar overlopende toppen boven de wildernis uit. Bij dit rotsmassief, waar ’s zomers verweerde, soms eenzelvige mannen met houwelen de rivierbeddingen uithakken op zoek naar goud, begon het mysterie rond Sylvia Petronella van der Moer.
Wat na haar verdwijning bleef waren de opgewonden verhalen. Deze werden al snel aaneen gesmeed tot een legende, waarin waarheid en verdichting dus hand in hand kranten en boekwerken bereikten. Volgens de goudzoekers was zij eigenlijk met iedereen verloofd. Ze werkte hard, hielp mee met koken, hield de boel schoon, herstelde de kleren en deed iedere week inkopen. Maar, meer dan wat verkreukelde foto’s, boten en restaurants, die haar naam dragen en enkele schimmige vertelsels van overgebleven gouddelvers zijn er niet. Verder zijn er nog die “Petronellan Kukkulat”, de heuvel die door een in de eenzaamheid naar ronde vormen hunkerende geest als wellustige borsten moet zijn gezien en daarom werd voorzien van de toepasselijke naam: Petronella’s Heuvels.
Als Sylvia na een verblijf van enkele maanden terugkomt in Ivalo voor het doen van inkopen, wordt ze door de politie opgepakt. Haar verblijfsvergunning is verlopen. In een hotel waar ze enige tijd verbleef, heeft ze een valse naam opgegeven. Ook de rekening blijkt niet betaald te zijn. Die was inmiddels aardig opgelopen.
Hoewel de goudzoekers meteen actie ondernemen, de rekening en een forse boete betalen, wordt de avontuurlijke Nederlandse, die dan rond de 25 jaar oud is, snel uitgewezen.”
De reden waarom Harry Maat juist nu over Petronella heeft geschreven en de oude tekst uit “Panorama” opnam, is dat er begin oktober in het blad “Inarilainen” (gedateerd 5-10-2000) een stukje had gestaan over een bericht dat uit Nederland was gekomen waarin was vermeld dat Petronella kortgeleden is overleden. Mijn nieuwsgierigheid werd geprikkeld. Ik vond op internet de website van “Inarilainen” en ook het e-mail adres van de hoofdredacteur, Markku Arvelin. Ik stuurde hem een mail waarin ik vroeg hoe hij aan het nieuws over Petronella was gekomen. Ik kreeg als antwoord dat Tapio Hietala, eigenaar van een hotel in Inari, was gebeld door een man in Nederland. Deze man vertelde hem in het Duits en in “niet zo goed” Fins dat Petronella was begraven in een plaats die “Harlem” heet (tenminste zo verstond hij het) en dat de begraafplaats “Parkland” heet of iets dat daar op lijkt. Dichtbij of tegenover de begraafplaats zou iets staan dat heel bekend is, misschien een monument. Tapio Hietala schreef dit op en vertelde het aan Jaakko Kangasniemi, de vroegere voorzitter van de Lapse Goudzoekers Vereniging (Lapin Kullankaivajain Liitto), die het op zijn beurt vertelde aan de secretaris van deze vereniging, Pekka Salonen, en die vertelde het aan Markku Arvelin. Ongeveer tegelijkertijd werd Anna Mari Jomppanen, een vrouw op leeftijd die Petronella nog had meegemaakt, uit Nederland gebeld (ongeveer een week voordat het bericht in de “Inarilainen” verscheen). Deze vrouw belde vanuit Amsterdam en zij vertelde aan Anna Mari Jomppanen dat Petronella was begraven op een nieuwe begraafplaats buiten Amsterdam. Zij hadden tussen de spullen van Petronella een brief gevonden waarin zij vroeg om naar de Lapse Goudzoekers Vereniging en Mevrouw Jomppanen te bellen en te vertellen dat zij was overleden.
Ik heb vervolgens naar de gemeente Haarlem gebeld (vanwege de naam “Harlem”) en gevraagd of er afgelopen najaar een Petronella van der Moer is begraven, maar niemand met die naam is begraven op een gemeentelijke of Rooms Katholieke begraafplaats en er is in Haarlem geen begraafplaats die “Parkland” heet of iets wat er op lijkt.
Markku Arvelin had ondertussen ook een stuk over het overlijden van Petronella geschreven in het blad van de Lapse goudzoekers, “Lapin Kullankaivaja” (no. 5 Lokakuu 2000). Hierin stond ook een foto van Petronella die een journalist indertijd van haar had gemaakt toen zij door de politie werd ondervraagd. Op mijn verzoek heeft hij mij deze foto gestuurd die nu bij dit stukje staat afgebeeld.
Kort hierna kreeg ik een e-mail van Bart Braafhart, een Nederlander die in Salla woont en die via Harry Maart had gehoord van mijn interesse voor Petronella. Bart Braafhart vertelde mij dat er in 1987 een boek is geschreven over Petronella door een zekere Mauno Pyhtilä uit Oulu. Bovendien vertelde hij dat er op de etiketten van het LEGENDA bier van Lapin Kulta een tekst staat over Petronella. In een karton met zes flessen staat op iedere fles een tekst over de goudzoekers, één van deze zes teksten gaat over Petronella en staat hierbij afgebeeld (met een Nederlandse vertaling).
De week voor Kerstmis was ik in verband met mijn werk in Oulu en tussen de bedrijven door belde ik naar Mauno Pyhtilä. Het boek had ik intussen met behulp van mijn collega Seppo Hellsten kunnen lenen uit de bibliotheek van Oulu. Bovendien had ik een fles LEGENDA bier gevonden met de Petronella tekst. Ik kon een ontmoeting organiseren met Mauno Pyhtilä die eerst de verhalen over het overlijden van Petronella niet wilde geloven. Maar hij belde naar Anna Mari Jomppanen en de tweede redacteur van “Lapin Kullankaivaja”, Ritva Savela, die hem uitgebreid vertelden over de telefoontjes uit Nederland en hij leek nu ook overtuigd dat dit geen verzinsel was. In zijn boek stond ook een foto van de “Petronellan Kukkulat”, die ik van hem mocht gebruiken voor Aviisi (zie hierbij afgedrukte foto).
Mauno Pyhtilä vertelde mij dat hij in 1987 onderzoek in Nederland had gedaan en te weten was gekomen dat Petronella Antoinette op 11 september 1923 geboren is in Den Haag. Na haar verblijf in Finland heeft zij weer in Den Haag gewoond, waarna zij verhuisd is naar Leidschendam. In 1969 is zij samen met haar dochter, Solange Marguerite Joyce van der Moer, die in 1955 geboren is in Marseille, verhuisd naar de Verenigde Staten en in 1987 woonde zij niet in Nederland. Hier was het spoor doodgelopen. Wel bleek er in 1987 een radioprogramma gemaakt te zijn door de VPRO over Petronella in Lemmenjoki. Dit programma was gemaakt door Jacqueline Maris, die nog steeds bij de VPRO werkt, maar bij het insturen van deze tekst naar Aviisi, had ik haar nog niet kunnen bereiken. Ik vraag mij af of zij iets meer weet over de lotgevallen van Petronella na haar vertrek uit Finland.
De grote vraag is natuurlijk of Petronella werkelijk in Nederland is overleden (dit zou in augustus of september van het afgelopen jaar moeten zijn geweest, een datum die genoemd werd door Markku Arvelin was 26 augustus). Ik zal doorgaan met de naspeuringen. Bart Braafhart vond via internet alle namen uit overlijdensadvertenties van het afgelopen jaar. Hierbij was wel een Cathalina Pieternella van der Moere uit Oud-Beijerland, die ongeveer even oud was, maar dit bleek een andere persoon te zijn. Na ongeveer een jaar worden alle persoonskaarten met gegevens van in Nederland overleden personen naar de Nederlandse Genealogische Vereniging gestuurd en dan zouden we misschien ook meer te weten kunnen komen. In het volgende deel van de “Lapin Kullankaivaja” (no. 6 Joulukuu 2000) heeft Markku Arvelin opnieuw een lang stuk over Petronella geschreven waarin mijn plannen om het één ander in Nederland uit te zoeken, ook staan vermeld.
Ik hoop dat er onder de Aviisi lezers iemand is die meer licht kan werpen op de levensloop van Petronella, of zouden haar verdere lotgevallen in het duister gehuld moeten blijven, om de legende voort te laten leven?
Arnold Pieterse
Zie o.a. op internet over Petronella de websites:
http://yliopistolehti.helsinki.fi/1997_2/ylart5.htm
Banden tussen de Nederlanden en Rusland (en af en toe ook Finland) (deel 1)
Het is me wat met die relaties van Finland met Nederland, nu en vroeger! Daar hebben we het al vaker over gehad, maar dit thema is zo rijk. En telkens weer komen er nieuwe feiten om de hoek kijken.
Nu in deze herfst bijvoorbeeld was tijdens Slush 2017 prins Constantijn te gast bij de Nederlandse afdeling. Hij kwam als vakkundig spreker op bezoek en sprak als vakman met veel jonge ondernemers. Ook heeft hij voor een internationaal publiek zijn ideeën over modern ondernemerschap uiteengezet. Zo vinden we in de actualiteit vaak verrassend of soms uit ervaring verwacht telkens weer wat nieuws.
De laatste tijd was ik weer bezig met de genoemde relaties, dit keer via Sint-Petersburg: tussen de Rotterdammer Hendrik van Gilse van der Pals met zijn gezin, eerst in Rusland en later in Finland. Daar is (zelfs in twee talen, het Nederlands en het Fins) een boek over verschenen, ‘Paloniemi’, dat twee jaar geleden door mij, in goede samenwerking met Henriëtte van der Woude, de eerste vrouwelijke voorzitter van de NViF, en met mijn goede vriend Antero Helasvuo, is uitgegeven. Sergey uit Sint-Petersburg vroeg me vorig jaar eens, of ik niet wat meer kon vertellen over relaties tussen Nederland, Rusland en Finland. Een interessante vraag was dat, dat wel. Een vraag, waar (zoals ik keer op keer ontdekte) veel meer over te zeggen valt, dan de meesten vermoeden. Voor een geinteresseerd publiek heb ik er daarom kort geleden een lezing over gehouden in de bibliotheek van Hyvinkää. De aanwezige groep, een man/vrouw of 25 uit Finland, Nederland en Rusland, vond het interessant en boeiend en Sergey vroeg me zelfs, of ik er wellicht later wat meer over kon vertellen. Dat zou zonder meer wel kunnen, maar dan moet ik er eerst nog wat meer over nadenken en het geheel nader onderzoeken; want ook daar is het materiaal veel uitgebreider dan op het eerste gezicht lijkt.
Dit keer wil ik me beperken tot de banden tussen Rusland en Nederland en voorts tot (soms wat indirecte) banden met het Finland, dat eerst lange tijd (vele eeuwen lang) deel uitmaakte van het Zweedse koninkrijk en vanaf 1809 van het Russische tsarenrijk, voordat het in 1917 zijn zelfstandigheid als staat aanvroeg en kreeg. Daar weten we in dit Finse jubileumjaar 2017 alles van en misschien komen we daar nog meer van te weten, als de erkenning van Finland als staat door Nederland in januari 1918 in 2018 elders en wellicht ook in Finland gevierd zal worden.

Oude kaarten en open deuren
De Vlaamse en Hollandse kaartenmakers van de zestiende en zeventiende eeuw eerst in Antwerpen later in Amsterdam of Leiden waren Europees beroemd. De internationale handel kwam toen steeds beter op gang en producten van oost en west, van Amerika en Azië, werden via de havens van Vlaanderen, Zeeland en Holland toentertijd overal heen in Europa vervoerd; door Portugezen, Fransen, Engelsen, vooral echter door Vlamingen, Zeeuwen, Hollanders en ook wel Friezen. Maar veilig scheepsvervoer ging niet zonder betrouwbare kaarten, en die werden toen geleverd door Vlaanderen en Holland. Peper en zout, keramiek en noem maar op, dát waren gewilde artikelen in de landen aan de Oostzee, aan de Middellandse Zee, en in West-Europa aan de Atlantische Oceaan. Als retourartikelen uit de landen rond de Oostzee (want daartoe beperken we ons nu) kwamen bijvoorbeeld graan, bont, teer, hout en zo in aanmerking. Producten, die in onze landen van West-Europa voor brood, scheepsbouw en kleding gevraagd waren. Zo functioneerde de handel, toen en ook wel nu op een moderne manier: in principe als ruilhandel, maar meer en meer ook als geldhandel. Dus zeker niet eenzijdig van: dat brengen we jullie wel! En zij dan maar betalen. Nee nee, brengen en halen, dat was het devies.
Als we zulke oude kaarten van onder anderen Waghenaer, Ortelius, Mercator, of van vader Willem respectievelijk zoon Joan Blaeu goed bekijken, zien we interessante zaken. Ook al waren de kaarten van toen, die in Vlaanderen en Holland gedrukt werden, overal in Europa bekend, beroemd en verspreid, nog niet op alle punten waren deze vaak zo fraai uitgegeven kaarten zo nauwkeurig als tegenwoordig, dat natuurlijk niet! Dat kon uiteraard ook niet, want vele landen (ook nog in Europa) en zeeën of kontinenten van de wereld werden toen pas echt ontdekt en dan zo nauwkeurig mogelijk in kaart gebracht; langzaam maar zeker ging dat en wat vooral de kusten en de havens van toen betreft (voor de noodzakelijke zeekaarten) door en ter informatie via zeekapiteins steeds beter, nuttiger en nauwkeuriger.
De handel op de Oostzee (ten oosten van grote handelslanden als Engeland en de Nederlanden, vandaar oostzee?!), die handel was altijd belangrijk geweest, al vanaf de tijden van de Hanze (of reeds eerder), met als Oostzee-centrum Lübeck in Noord-Duitsland. Honderden schepen van Noord-Duitsland, Vlaanderen, Holland of Friesland gingen bijvoorbeeld naar en van Visby, Danzig (Gdansk), Tallinn (Reval) of Stockholm hun waren brengen en halen. Wat de internationale handelscontacten betreft kunnen we hier tevens ook rustig denken aan Turku, Wiborg (Viipuri), Narva. En vanaf 1555 (de tijd van Hans van Sanden overigens) begint Helsinki zelfs een rol mee te spelen.
Omdat we hier vooral de relatie Nederland-Rusland behandelen, zien we op die genoemde kaarten meerdere handelsdeuren (of vensters) naar het centrum van Rusland, naar Moskou dus. De eerste deur bevindt zich in Danzig in Polen. De tweede deur in Riga in Letland. De derde deur was Tallinn, dat ons via Tarto (Dorpat) of Pskov (Pieskau) of ook Nowgorod naar Moskou brengt. De vierde deuropening ligt in Narva, dat ons dan meestal via Nowgorod naar Moskou voert. De Vlamingen en vanouds vooral de Hollanders als zeevracht-vervoerders waren daar zoals altijd heus wel present, maar moesten zich graag of niet buigen in hun handelsactiviteit met Moskou naar de handelsvoorschriften en vooral de handelsbeperkingen van de Hanze, ze konden dus niet vrij handel met Rusland drijven. Dat zinde hun niet zo. Wiborg, Turku (en na 1555 zelfs Helsinki) waren weliswaar wat minder aan de Hanze gebonden, dus boden wat meer directe en open handelsmogelijkheden, maar toch: ook daar was de Hanze aanwezig en wilde een woordje meespreken. Helsinki stond echter pas aan het begin van zijn stads- en havencarrière, dus stelde nog niet zo veel voor. Overigens is hier juist de koopman Hans van Sanden interessant: hij werkte en woonde toch tussen ongeveer 1550 en 1590 in Finland, vooral in het door Gustav I Wasa pas gestichte Helsinki; en Hans had waarschijnlijk zo zijn contacten in Tallinn, Narva en Wiborg. Het fijne hiervan weten we echter niet, maar misschien komen we daar ooit achter, wie weet!
Een opmerking terzijde is nog, dat de handel via de Oostzee altijd door de smalle openingstoegang via de Sont verliep. En daarbij eiste de koning van Denemarken van ieder schip dat door de Sont heen en weer voer bij in- of uitvoer zijn tol, onverbiddelijk en eeuwenlang. Ook daarom zocht de internationale zeevaart naar andere mogelijkheden voor handelsactiviteiten met Rusland.
Iwan IV en Peter I
Twee Russische tsaren zochten letterlijk en met verve naar een plaats, van waaruit direct met de rest van Europa handel gedreven kon worden. Deze tsaren waren Iwan IV (jaja, de ‘Verschrikkelijke’) in de zestiende eeuw en Peter I, de Grote, eind zeventiende, begin achttiende eeuw. Iwan IV veroverde zelfs in 1558 Narva, en kon die stad met veel strijd en moeite slechts behouden tot 1582, dus slechts een twintigtal jaren. Toen kon inderdaad via die oude Hanzestad Narva directe handel plaatsvinden tussen bijvoorbeeld de Nederlanden en Rusland, buiten de begerige klauwen van de Hanze om. Maar toch ook wel moeizaam, want de Zweden waren erg jaloers en probeerde die handel zoveel als ze konden te boycotten. Toch werden vooral de Hollanders in Narva meteen actief, vandaar mijn bovenstaande opmerking over Hans van Sanden. Maar een bewijs ervoor heb ik nog niet gevonden. Peter de Grote kapte de knoop nog radicaler door dan zijn voorvader Iwan. Door het Ingermanland (Inkerinmaa),
de Baltische landen, Polen gedeeltelijk te veroveren (en ook wel Finland aan de overkant, maar dat is een andere, veel pijnlijker zaak; daar gaat het ons hier niet om) en vooral door aan het uiteinde van de Finse golf de havenstad Sint-Petersburg te stichten in 1703. En daar kwam al snel (zeker na ongeveer 1710) de internationale handel met Rusland goed op gang; de Hollanders vooral waren er van het begin af aan als de kippen bij en deden goed zaken.
Maar toch … de Engelsen, de Nederlanders en handelslieden uit overige West-Europese landen zochten andere en vooral nieuwe wegen, om met Rusland en elders (Azië) ongestoord handel te kunnen drijven. De mensen in Rusland (vooral misschien de tsaar met zijn elite in Moskou en de Russische adel, maar toch niet alleen die), die mensen hadden behoefte aan westerse waren zoals textiel, kruiden, zout en vaak ook wapens; en in het westen had men behoefte aan hout, teer, bont, leer of andere producten zoals graan, die Rusland in ruime mate bood. Veel producten uit Zuid- en Noord-Amerika, uit India, China of Japan werden statussymbolen in oost en west (denk maar aan kruiden, porcelein,zijde en zo) en waren daarom gevraagd in alle landen, of dat nu Rusland, Beieren of Oostenrijk betrof. De zeevaartwegen via Kaap de Goede Hoop naar Azië of via de Atlantische Oceaan naar Amerika waren om vele redenen gevaarlijk. De Portugesen of Spanjaarden waren er altijd als de kippen bij, om het op de een of andere (vaak oorlogszuchtige) manier eventuele concurrenten lastig te maken. Vandaar zocht men, vooral in Engeland en de Nederlanden, al in de zestiende eeuw naar een bevaarbare doorvaart via het noorden naar Azië, China of Japan en vandaar uiteraard verder of terug! Was dat wel mogelijk vanwege ijs, sneeuw en kou? Was er werkelijk ergens wel een echte doorvaart naar Azië? Niemand wist het toen precies! Een zeevaartweg langs de Noorse kust (toen nog in handen van de Denen) was wel mogelijk vanwege de warme golfstroom, dat wist de handelslieden van de Hanze al (denken we slechts aan Bergen, Trondheim of Tromsø), maar kon het nog verder? Bestond er een bevaarbare weg via het noorden, via de IJszee, langs de kusten van Siberië en dan via een ruime doorgang naar Azië? Niemand wist het precies, maar velen dachten van wel. Maar hoe en vooral hoe gevaarlijk was die weg? Maar toch … menig avonturier van toen waagde het een doorvaart te zoeken door het gevaarlijke ijs en in barre kou. Vrijwel allen mislukten jammergenoeg in hun dappere pogingen. De Engelsen, de Hollanders, de Denen en anderen. Pas in 1878 lukte het de Zweedsfinse Nils Adolf Erik Nordenskiöld de doorgang vanuit de Beringzee te vinden, te bevaren en vandaar verder via China, Japan en Azië naar Stockholm terug te keren. Zo moeilijk waren de gestelde vragen, dat het een driehonderd jaar moest duren, voordat het antwoord gevonden werd.
Archangel en Kola
De Engelsman Richard Chancellor met schip en bemanning probeerde rond 1550 via de noordkaap verder naar Siberië en Azië te komen, maar hij belandde ten noorden van het Russische schiereiland Kola in een zware storm, zijn schip zocht beschutting in de Witte Zee en kwam daar terecht in het mondingsgebied van een grote rivier, de Noordelijke Dwina. Daar kwam hij na veel winterse avonturen in de Russische handelsstad Cholmogory terecht en vandaar arriveerde hij na een moeizame en langdurige reis van een duizendtal kilometers in ijs en sneeuw uiteindelijk in Moskou en werd in het Kremlin als zeldzame buitenlander ontvangen door tsaar Iwan IV. Die was, zoals al opgemerkt, zeer geïnteresseerd in de handel tussen Engeland en Rusland, eventueel ook via het noorden van zijn land; dus hij kwam met Chancellor overeen, dat Engelsen handelslieden via Noord-Rusland met Moskou handel mochten drijven. Maar de Vlamingen en Hollanders waren er uiteraard als de weerga bij en wilden en kregen hetzelfde: ook zij voeren naar de Witte Zee, gingen daar voor anker en dreven (ruil)handel met de Pomoren, die daar in relatieve vrijheid, welwillend en tamelijk welvarend woonden, maar ook met Russische handelslui uit Moskou, dat alles in Cholmogory aan de Dwina. Dit uiteraard in de loop van de tijden met steeds meer overleg en in concurrentie met de Engelsen. Cholmogory was toen nog de belangrijkste marktplaats van het
Russische noorden. Voor de Russische partners en voor de tsaar zelf (die had toen nog vrijwel alles over de handel te zeggen!) was een internationale, noordelijke handels- en marktplaats en dus een nieuwe deur naar het Westen zo belangrijk, dat al in 1583 de havenstad Archangel werd gesticht (genoemd naar het aan de Dwina gelegen aartsengelklooster Sint Michael). Archangel als internationaal marktcentrum eens per jaar in de zomer voor de ruilhandel tussen Rusland en de westerse partners. Al snel werden de Nederlandse handelsschepen (vanuit Antwerpen, en na 1585 steeds meer vanuit Middelburg en Amsterdam) dominerend en ook de Hamburgers kwamen al snel meedoen. De handel via Archangel met Rusland werd tot ongeveer 1720 (toen Peter de Grote tsaar was) via ups en downs steeds uitgebreider, door partners aan beide kanten almaar beter gestructureerd en georganiseerd, en daarom ook steeds bloeiender. Pas na de vrede van Rusland met de Zweden in 1721 ging het met Archangel bergafwaarts, omdat tsaar Peter Sint-Petersburg tot voornaamste havenstad en internationaal handelscentrum van het moderne Rusland had gebombardeerd. En de wil van de tsaar was toentertijd in Rusland de wet!
Voordat ik hier een tweede naam noem, eerst even iets tussendoor, wat met Finland te maken had. Niet alleen de monding van de Dwina, maar ook het schiereiland Kola met de Moermansk-kust (met al snel de aan een veilig fjord gelegen havenstad Kola) waren voor uitwisseling van waren aantrekkelijk. Daar waren kloosters, het beroemdste ervan is Petsjenga. De orthodoxe kloosters waren toentertijd actieve handelscentra, daar was veel vis (zalm en kabeljauw), daar waren rendieren, daar waren walvissen in de open zee enzvoorts, alles dus waren, die in het westen zeer gevraagd waren. Ook daar werd na 1550 eerst door de
Vlamingen, later door de Hollanders veel handel gedreven. Handel met de kloosters, maar ook handel met de Samen, de Lappen en de Kareliërs, die daar in die uitgebreide streken naar het zuiden woonden en ook bereid waren samen te werken, in ruilhandel meestal. Die vroege contacten tussen de Nederlanden en Noord-Finland (op de kaarten staat daar vaak Finmarchia en Lappi aangegeven) is de moeite van het noemen waard, dit vraagt echter om meer onderzoek.

De tweede naam, die nu genoemd moet worden, is die van Willem Barentsz, de wereldberoemde cartograaf (hij heeft schitterende kaarten gemaakt, dat was eigenlijk zijn vak, bijvoorbeeld een bekende kaart van het Noorden van Europa en kaarten van de Middellandse Zee en haar kusten). Willem Barentsz was een ras-zeeman en in de jaren 1590 een volhardende zoeker naar een noordelijke doortocht naar Azië. Daar is hij en zijn medereizigers, zoals we wel weten, tot drie maal toe helemaal niet in geslaagd. Zijn schip en de bemanning strandde in 1596 in een zee vol ijsbergen en ijsberen, aan de noordoost kust van Nova Zembla. Daar hebben ze toen moeten overwinteren en van daar probeerden ze, toen het in 1597 weer zomer en licht was geworden en omdat hun schip door het winterijs in wrakstukken uiteengedrukt was, met zelfgemaakte sloepen naar Kola en vandaar met een handelsschip naar Amsterdam te komen. De meesten van de bemanning slaagden daar gelukkig wel in, maar niet Willem Barentsz zelf (het hart van de expeditie). Die is tijdens deze barre tocht, zwak en ziek door de vele ontberingen, temidden van zijn mannen overleden. Zijn reisverslag kennen we via een bemanningslid, Gerrit van Veer, die een boeiend verhaal heeft geschreven over deze overwintering op Nova Zembla, waardoor Willem Barentsz wereldberoemd is geworden.
Peter de Grote, Nicolaes Witsen en Cornelis de Bruyn
Tsaar Peter I, beter bekend als Peter de Grote, hebben we al genoemd. Hij had van jongs af aan in buitenlandse handels- en zeevaartkringen rond Moskou enorm veel contacten met en toonde groot interesse voor met name Hollanders en Engelsen. Op de eerste plaats werd voor de jonge tsaar Nicolaes Witsen uit Amsterdam belangrijk. Een van de redenen, dat de jonge tsaar Peter Nederlands wilde leren (en hij heeft het vrij behoorlijk geleerd), was overigens, dat hij met de kennis van die taal Nederlandse vakboeken kon lezen en met voor hem interessante Nederlanders kon praten. In 1671 was het bekende boek van Nicolaes Witsen verschenen, ‘Aeloude en hedendaegsche scheepsbouw en bestier’ (over scheepsbouw, scheepvaart en scheepstypen), en dit boek werd in Europa al snel een soort encyclopedisch vakboek. Dat boek wilde Peter grondig in het Nederlands lezen, met de schrijver ervan wilde hij nader kennismaken. Dat boek heeft hem de kennis en stimulans gegeven, de scheepsbouw en scheepvaart op gang te brengen in Rusland, met de effectieve hulp – vooral later – van veel naar Rusland geëmigreerde vakmensen uit Holland. In 1693 liet hij bijvoorbeeld op het eiland Solombala bij Archangel, waar hij als tsaar op bezoek was, een oorlogsschip bouwen naar Witsens aanwijzingen. Tsaar Peter correspondeerde toen al jaren met Nicolaes Witsen. Om zijn kennis uit eerste hand te vergroten en om met de wetenschappers rechtstreeks te kunnen spreken, ging hij voorts als eerste tsaar van Rusland incognito op reis naar Holland en Engeland, met het Grote Gezantschap van 1697/1698; vooral dan naar Amsterdam en London, waar hij het bouwen van schepen en alles wat daarmee samenhing met eigen ogen kon zien en met eigen handen kon beoefenen, waar hij vakmensen kon aanwerven voor de geplande opbouw van de werven in Archangel en elders, waar hij waardevolle voorwerpen van kunst en wetenschap en vooral ook boeken kon kopen en waar hij last but least met geleerde vrienden zoals Witsen en vele anderen urenlang kon discussiëren.
Nicolaes Witsen was een van de weinige voorbeelden van humanistische allround-geleerden van Holland en West-Europa en bovendien was Witsen burgemeester van de machtigste stad van het Europa uit die tijd. En dat ontsloot vele deuren voor tsaar Peter in Holland en elders. Dat structureel en mentaal moderniseren van Rusland gebeurde bij tsaar Peter wonderlijk snel, op zich in enige jaren. Al ging het dan ook ten koste van veel mensenlevens vanwege de immense en onstuimige dadendrang waarmee Peter de Grote in onmogelijk snel tempo de ontwikkeling van Rusland wilde forceren. Het gevolg was wel, dat Rusland zich gedeeltelijk in hoog tempo (voorlopig vooral militair) moderniseerde; dat Rusland tussen 1700 en 1721 een tragische en bloedige oorlog met de Zweedse koning Karel XII en met de Zweden uitvocht en die uiteindelijk won; en dat het mondingsgebied van de Neva in de Finse Golf de plek werd, die hij in 1703 in het Ingermanland voor zijn nieuwe hoofdstad bepaalde, de plek, die bij haar geboorte de Nederlandse naam Sint-Pietersburg kreeg.

Nogmaals met behulp van de tijdens zijn jeugd en tijdens het Grote Gezantschap vergaarde kennis, met behulp van de talloze contacten met vaklieden op vele terreinen en ook dankzij de opgedane vaardigheden overal, waar die maar te krijgen waren, slaagde tsaar Peter (na een zeer zwak begin van de Grote Noordse Oorlog) erin, de Zweden te overwinnen en van aanvang af Sint-Petersburg een belangrijke plaats in de Europese geschiedenis als havenstad en nieuwe hoofdstad van Rusland te geven. Dat de Engelsen en de Hollanders van deze buitenkans van gunstige internationale handel graag en vrijwel meteen gebruik maakten, sprak in die tijd als vanzelf.
Dat deze gebeurtenissen rond die Grote Noordse Oorlog ook iets met Finland te maken hadden, blijkt wel uit de ellende, die de Russische zeelieden en soldaten vooral in de zuidelijke en westelijke kuststreken van Finland door verovering en vooral ook uitbuiting teweeg brachten, de grote ellende, waaruit de op zich duidelijke, gevleugelde uitdrukking van ‘de grote haat’ (van de Finnen op de Russen) toentertijd voortkwam. Verder werd de kuststreek (het Oude Finland) met het Fins-Zweedse Wiborg tot aan Hamina al toen bij de vrede van Nystad (Uusikaupunki) in 1721 bij het Russische rijk ingelijfd. En dat vanwege dezelfde reden als later tijdens de Winteroorlog en de Vervolgoorlog in de twintigste eeuw: namelijk om de Russische hoofdstad Sint-Petersburg bij aanvallen van buitenaf meer ademruimte te geven.
Een laatste link met Finland voor het verhaal van nu is het Hollandse fregatschip ‘Huis te Warmelo’, dat twee jaar geleden in de wateren voor Zuidwest-Finland werd getraceerd, een typisch Hollands oorlogsschip om handelsschepen in oorlogstijd te konvooieren en
beschermen; het enige fregatschip uit die tijd, dat min of meer gaaf op de bodem van de Oostzee ligt. Wat met dat wrak verder gaat gebeuren, is nog steeds een open vraag. Evenals de nog vele vragen rond de goed geconserveerde wrakken van de Sint-Mikael en de Vrouw Maria, waarover we het onder andere in het volgende deel van deze serie zullen hebben.
Met groet,
Peter Starmans
