Gordon F. Sander, ”The Frank Family That Survived”
In de Finse vertaling: ”Pelastuneet. Franki perhe joka selvisi.” (2010)
Gordon Sander is een zoon van dochter Dorrit van de familie Frank, die de oorlog overleefde en gered werd. In Den Haag weliswaar en niet in Amsterdam, in de Pieter van den Zandestraat 12 en niet aan de Prinsengracht 263.
Gordon Sander is in Finland bekend als een Fins-vriendelijke Amerikaan, die lovend en met uitgebreide journalistieke kennis van zaken en veel gerichte interviews en bezoeken welbeslagen een goed en pro Fins boek over de Finse Winteroorlog heeft geschreven: Gordon F. Sander, ‘The Battle of Finland 1939 – 1940’/’Taistelu Suomesta 1939-1940’ (februari 2010). De oorspronkelijke titel van het boek in manuscript luidde: “What Free Man Can Do. The Untold Story of the Winterwar.” Vooral deze betiteling duidt de tendens van bewondering van Sander voor de Finse strijdkrachten tijdens de Winteroorlog goed aan.
Maar het is toch wel interessant en zeker niet vaak voorkomend, dat dezelfde Amerikaanse auteur binnen één jaar twee van zijn boeken in het Fins vertaald ziet. Over het tweede boek dus, over de redding van de andere familie Frank, gaat het nu hier. Over een familie Frank met vader Myril, stammend uit een Rijnlandse wijnbouwfamilie, moeder Flory, en hun twee dochters, Sybil en Dorrit. Het betreft hier vier geredden, ‘pelastuneet’, vier Joodse mensen, die gered zijn voor de dreigende ondergang in een concentratiekamp van Hitler, gered, door vanaf juli 1942 tot mei 1945 (zonder verraad weliswaar maar wel in grote spanning en ontbering) in onderduik in het hartje van Den Haag de oorlog overleefd hebben. Het boek is een degelijk, verantwoord en goedgeschreven journalistiek verhaal van Gordon Sander, zoon van Dorrit Sander-Frank, die in mei van dit jaar vanwege de publicatie van de Finse vertaling van het boek een paar dagen in Finland was (vgl. een goed interview in het tijdschrift Anna van 10 mei 2010), een verhaal met een brede opvatting van wat er in zo’n boek gezegd kan worden. Heus niet alleen het doen en laten van een naar Nederland gevluchte Duits-Joodse familie in een voor hen levensgevaarlijke oorlogstijd, bedreigd door de systematische idiotie van iemand als Hitler. In ‘Pelastuneet’ wordt vanuit de negentiende eeuw ook de Joodse problematiek in Duitsland belicht, onder Bismarck nog een tijdlang positief (dus eigenlijk historisch gezien verrassend jodenvriendelijk), maar na de Eerste Wereldoorlog al snel negatief, omdat velen in het verslagen Duitsland de oorzaken van de ellende in het Europa van toen bij een nabije zondenbok gingen zoeken. Steeds duidelijker kregen daarom de Joden – zeker bij de groeiende groep van extreem rechtsen – de schuld van alle ellende, die radicaal gewroken moest worden (denken we alleen bijvoorbeeld maar aan de volkomen onbegrijpelijke en gruwelijke moord op de zo begaafde Joodse minister van BZ Rathenau in 1922) en juist deze anti-Joodse neiging pikte de Nationaal Socialist Hitler op en bouwde die systematisch en zwart op wit geformuleerd uit (lees maar ‘Mein Kampf’) tot een dergelijke belichaming van jodenhaat, die felle en consequente jodenvervolging en dan zo mogelijk totale jodenverdelging tot resultaat zouden hebben, zoals iedereen nu eigenlijk wel weet.
In het boek van Sander worden eerst de gouden tijd van de jaren twintig, ‘die goldenen zwanziger Jahre’, in Berlijn aan de hand van de lotgevallen van de familie van Myrtil Frank uit Breitenheim, zijn vrouw Flory uit Frankfurt en hun dochters Sybil en Dorrit – beiden in de jaren twintig geboren in Berlijn – belicht. Dan treedt sterker en sterker de politieke dreiging van de nazi’s naar voren, het begin van de Joodse vervolgings-ellende in Duitsland wordt zichtbaar, het vertrek naar Nederland van vele Joden, o.a. twee (!) families Frank, wordt een feit, de ene familie Frank gaat eerst naar Scheveningen, vandaar via Bussum naar Amsterdam, om van daaruit uiteindelijk in Den Haag, in de Pieter van den Zandestraat 12, juli 1942 onder te duiken, terwijl de andere familie Frank een paar dagen eerder haar heil zocht in het Achterhuis aan de Prinsengracht 263 in Amsterdam. De oorlog wordt na juli 1942 dus in onderduik beleefd, en vooral de gebeurtenissen tijdens de hongerwinter 44/45 worden in dit boek van Gordon Sander uitgebreid uit de doeken gedaan, met alle spanningen binnen en buiten de familie, de bevrijding komt dan uiteindelijk en emigratie naar Amerika volgt tenslotte.
Allemaal goed en wel en Gordon Sander heeft dat alles uiterst consciëntieus en beeldend gereconstrueerd, maar hij heeft het niet zelf meegemaakt. Dit verhaal van de familie Frank blijft een verhaal onder vele en ontleent zijn extra impact vrijwel alleen aan de goed beschreven en samengevatte (voor)oorlogs-omstandigheden in Duitsland en Nederland en voorts indirect aan het feit, dat een andere familie Frank (de beroemde, die van het Achterhuis) ook in parellelle omstandigheden ondergedoken heeft gezeten.
Het boek de ‘Pelastuneet’ is, zoals gezegd, een interessant en met vlotte hand geschreven oorlogsboek, een boek dat ook stoelt op veel Engels/Amerikaans materiaal, wat op zich al interessant en positief is, het boek is dus een ‘aanrader’, jawel. Maar toch wil ik hier wat de vertaling en de taal ervan betreft wat opmerkingen maken.
De vertaling lijkt me over het algemeen goed, vlot en juist, al heb ik de oorspronkelijke Engelse niet in handen gehad. Maar … er staan in het boek tientallen zo niet meer Nederlandse en Duitse woorden, die zaken van de jaren dertig en veertig in Nederland en Duitsland benoemen en die dan als woord of begrip letterlijk geciteerd worden. Misschien om een ‘couleur locale’ aan het boek te geven? Alles goed en wel, maar dat is dan vermoedelijk in een Engelse tekst gemakkelijker en beter te waarderen dan in een Finse tekst en het is zelfs de vraag of het in een Finse tekst zin heeft, zulke citaat-woorden/citaat-begrippen letterlijk over te nemen. Zeker als in die woorden uitermate veel en vaak storende spellingsfouten staan. Hiervan een paar voorbeelden: Twee maal ‘de stilj’ voor De Stijl, een wereldberoemde kunstrichting uit Nederland; ‘2nd Klasse’ voor de 2eklasse van een trein; ‘Vilhelmiina (ok), Moeder das Vaderlands’ i.p.v. Moeder des vaderlands; ‘Overweenissa’ i.p.v. Overveenissa; ‘Erich Muhsam’, een Duitse schrijver met de naam Mühsam; ‘Felix der Katter’ i.p.v. der Kater etc. Maar erger voor mijn ogen/oren zijn zaken als: ‘Tunne aiheutti noille onderduikereille – eli “Maan alle meneville” – …; ‘onderduikereita’; ‘Februaristakingiin’; ‘koulua käyvien meisjejen’; ‘Ridderzalin’; ‘Vergeltungswaffejaan’; ‘Endlösungista’; ‘Nederlandse handelsmaatschappijin’ etc. Dat Fins verbuigen van zulke typisch Nederlandse of Duitse woorden respectievelijk begrippen zie ik niet zo zitten. Bij namen van steden, straten of personen is het normaal en vanzelfsprekend – ‘Hollannin’, ‘Haagiin’, Rivierenbuurtin’, ‘Stadhouderskaden’ (beter Stadhouderskade:n’?) etc. – maar … een historisch woord, dat mogelijk wel vertaald kan worden, zou ik gewoon in het Fins vertalen en niet (of wellicht slechts als onverbogen woord) citeren en ik zou het voorts zo nodig eventueel in een voetnoot onder aan de bladzijde voor de Finser lezer/es verklaren: ‘piloutuja’ (onderduiker), ‘nälkätalvi’ (hongerwinter), ‘helmikuulakko’ (februaristaking) etc. Overigens, dat kort en duidelijk verklaren ter plekke (via een voetnoot bijvoorbeeld of als woord met korte uitleg in een toegevoegde verklarende woordenlijst) van Nederlandse en zeker ook Duitse oorlogsbegrippen is voor een Finse (en Nederlandse?) lezer/es bij zo’n populariserend historisch boek eigenlijk een noodzakelijk iets, lijkt me. Dat gebeurt wel af en toe, maar in dit boek jammergenoeg veel te weinig. Welke (jonge) doorsnee-lezer in Finland (en Nederland) weet precies wat ‘Februaristaking’, ‘Dolle dinsdag’, ‘Bijltjesdag’ of ‘Gauleiter’, ‘Sturmabteilung’, ‘Reichsprotektor’ en zo betekent? Soms volgt er in het boek wel een Finse vertaling of woorduitleg, maar heel vaak ook niet. En een woordvertaling is niet hetzelfde als een preciese en korte woordverklaring in een voetnoot op dezelfde bladzijde! Deze lacune lijkt me daarom een gemiste kans. Zulke voetnoten zouden een boek als dit veel rijker en leesbaarder hebben kunnen maken, de citaat-woorden in het Nederlands of Duits in de tekst zelf storen en irriteren zo zonder nadere verklaring te veel. Ook een goede personen- en zakenindex zou een hele hulp bij het gebruiken van het boek hebben kunnen zijn. Het betreft hier toch niet een roman, maar meer een historisch non-fictie boek, een ‘Sachbuch’.
Eén vertaling van een in Holland verspreide spandoektekst (belangrijk in de loop van het boek) lijkt me nogal aan de zwakke kant: “V=VICTORIE, WANT DUITSLAND WINT VOOR EUROPA OP ALLE FRONTEN”, in het Fins vertaald als: “V = voitto Saksalle kaikilla rintamalla.” Juist de clou van die slagzin is toch, dat Duitsland dat alles, wat het toen deed, ‘voor Europa’ overhad, ter redding, ter verlossing van Europa, en die clou wordt nu juist weggelaten, jammer …
Ook al wil ik het leed van de andere familie Frank niet onderschatten of het boek als oninteressant of niet zo waardevol boek hier afvallen, nee, dat helemaal niet, ik wil het boek zelfs – zoals gezegd – het Finse (en na verschijnen van een Nederlandse vertaling het Nederlandse) lezerspubliek aanraden, maar één langer citaat aan het eind van het boek wil ik toch geven, dat me enigszins verbaasd de ogen opende: “Olisivatko Anne Frank ja hänen perheensä selviytyneet hongerwinteristä, kuten hollantilaiset sitä nimittävät, ellei heitä olisi kavallettu edellisinä kesänä? Oli vähällä, että heidän sukunimikaimansa eivät selviytyneet Haagissa. Sama päti Länsi-Hollannin neljään ja puolen miljoonaan asukkaaseen, jotka kokivat tuon helvetillisen talven.” (blz. 239). En … ”Jollakin tavoin Frankit selviytyivät viimeisestä talvesta. Melkoinen saavutus.’” (blz.261).In het Nederlands vertaald: ”Zouden Anne Frank en haar familie de hongerwinter – zoals de Nederlanders die winter (van 1944/45) noemden – overleefd hebben, als ze niet verraden waren in de zomer ervoor? Het scheelde niet veel of hun naamgenoten in Den Haag hadden het niet geklaard. En hetzelfde geldt voor die viereneenhalf miljoen bewoners van West-Nederland, die de hel van die winter hebben meegemaakt.” En: “Op de een of andere manier zijn de Franks deze winter doorgekomen. Een hele prestatie.” Of Anne Frank en haar gezin die ellendige hongerwinter in Amsterdam ook overleefd zouden hebben, is niet positief of negatief te beantwoorden. Maar wel weten we, dat Anne en haar zus Margot in Auschwitz erg geleden hebben en in Bergen-Belsen omgekomen zijn in uiterst ellendige omstandigheden, zie daarover bijvoorbeeld de indrukwekkende hoofdstukken in het nieuwe boek van Carol Ann Lee van 2009/2010, ‘Anne Frank, 1929-1945’ (verschenen zowel in een Nederlandse als een Finse uitgave). En …of het overleven van de hongerwinter voor Joodse onderduikers een grotere prestatie dan voor de vele anderen in het nog niet bevrijde Nederland van 1944/1945 was, kan ik eigenlijk ook niet beantwoorden. Misschien hebben ze gewoon geluk gehad. God zij dank!
Peter Starmans, lehtori
Vertaalde literatuur
Het is al een keer ter sprake gekomen, dat het misschien nuttig zou zijn eens wat meer informatie te geven over vertaalde literatuur. Wat nauwkeuriger gezegd over literatuurvertalingen van het Nederlands naar het Fins en van het Fins naar het Nederlands.
Nu wil ik hier niet ingaan op het woord ‘literatuur’, want het is moeilijk te zeggen wat er wel en wat er niet toe behoort. Het gaat in ieder geval meestal over boeken met een min of meer fictieve en vertellende inhoud. Verder beperken we ons hier tot proza-vertalingen uit het Nederlands naar het Fins. Voor de beoordeling van vertalingen uit het Fins naar het Nederlands zijn anderen veel bevoegder!
Ik zou in dit inleidende artikel eerst gewoon wat willen zeggen over enige boeken die de laatste jaren vertaald zijn. Ik streef hier echter geen volledigheid na en verder ben ik van plan later in een Noorderlicht of op de website op één of ander boek wat nader in te gaan. Als overigens anderen de behoefte hebben over een boek het een en ander te zeggen, heel erg graag, want ik pretendeer heus niet de enige te zijn die er wat over kan of mag schrijven, integendeel. Dus namens de redactie van het Noorderlicht en de website: je bent van harte welkom met een boekrecensie, wanneer dan ook. Verder heb ik er geen behoefte aan de waarde van de vertaling zelf te bespreken. Dat moet elders gebeuren.
Uiteraard zijn de vertalingen uit het Nederlands naar het Fins weinig in getal. We kunnen ons nu eenmaal niet meten met literatuur uit het Engels, Frans, Duits, Russisch of zelfs het Zweeds; dat is overigens begrijpelijk en wellicht ook goed zo, al wil ik hier helemaal niet mee zeggen, dat de kwaliteit van de Nederlandse boeken minder is dan die van boeken uit grotere talen. Dat niet, maar het is nu eenmaal zo, dat uit die talen ‘natuurlijk’ het meest vertaald wordt en waarschijnlijk ook het meest verkocht. En dit koopmansstandpunt speelt altijd en misschien wel terecht een grote rol in de praktische wereld van nu.
Traditioneel zijn ook vertalingen uit het Nederlands frequenter dan die uit het Vlaams, en hiermee bedoel ik niet het Vlaams als zelfstandig dialect, maar het (vaak prachtige) Vlaamse Nederlands. Omdat ik op deze vertalingen nu niet bijzonder inga, noem ik alleen maar het grootse werk van David van Reybrouck, ‘Congo, een geschiedenis’, een indrukwekkend boek, vertaald door mijn vriend Antero Helasvuo, een boek over de Belgische koloniale geschiedenis in Congo dus. Het heeft me zo geboeid, dat ik alleen maar kan hopen, dat er ooit ook zo’n (kritisch) boek over de Nederlandse koloniale geschiedenis of over onze Zuid-Afrikaanse geschiedenis geschreven zal worden.
Een bestsellerauteur is ook de jonge Vlaamse schrijfster Annelies Verbeke, onder andere met een vertaling van haar ‘Slaap’. Modern en vlot geschreven. Hierbij zou ik weer een andere opmerking willen maken, dat namelijk tegenwoordig schrijfsters gelukkig en volkomen terecht een veel grotere rol spelen dan vroeger; denken we in Nederland dan maar aan vrouwen als Tessa de Loo of Margriet de Moor, beider werken naar het Fins vertaald. Maar er zijn ook andere schrijfsters die jammer genoeg nog niet vertaald zijn, ofschoon hun kwaliteit hoog en boeiend is: bijvoorbeeld Anna Enquist, Simone van der Vlugt, Vonne van der Meer, Jessica Durlacher en anderen, zoals de historica Nelleke Noordervliet. Het gezonde feminisme lijkt hier doorgebroken te zijn.
En daarmee beweer ik toch weer niet, dat schrijvers van het mannelijk geslacht nu stukken minder waard geworden zijn, nee nee, maar er is wel steeds meer sprake van gezonde en goede gelijkberechtiging. Ik denk dan maar aan Bernlef (voor wie ik een groot zwak heb en van wie ik het jammer vind, dat hij nooit naar het Fins vertaald is), aanTommy Wieringa met zijn ‘Joe Speedboot’ (naar het Fins vertaald). Bij hem is het jammer, dat er geen verdere vertalingen zijn gekomen van zijn boeiende latere romans. Karel Glastra van Loon is al met twee boeken in Finse vertaling aanwezig: ‘De Passievrucht’ en ‘Lisa’s adem’. Het is erg jammer, dat deze begaafde schrijver zo jong gestorven is. En zo kan ik wel doorgaan: Arthur Japin, Geert Mak, of Jan Wolkers, enzovoort.
Welk criterium gebruiken uitgevers bij de keuze van te vertalen boeken? Een goede vraag! De laatste jaren vrijwel altijd het criterium van de populariteit. Bestsellers worden snel en in vele talen vertaald. We kunnen bijvoorbeeld denken aan ‘Het volgende verhaal’ van Cees Nooteboom (van hem is eind jaren negentig ook het boek ‘Rituelen’ vertaald) of ‘De tweeling’ van Tessa de Loo. Bij de laatstgenoemde roman weten we ook, dat de verfilming ervan een reden was om het boek te vertalen. En dit boek is in samenhang met de film in Finland een groot succes geworden.
Bij Renate Dorrestein, de schrijfster die vaker op bezoek in Finland was en van wie al meerdere boeken vertaald zijn, is de bestseller-reden ook duidelijk. Eerst kwam ‘Een hart van steen’, later zijn dan vertalingen verschenen van ‘Zolang er leven is …’ of beter en juister gezegd van ‘… Is er hoop’, want vreemd genoeg is het tweede boek wel vertaald, maar het eerste niet. Jammer wel, want het eerste is zeker zo goed als het tweede boek en verder wordt er veel van het tweede boek duidelijker door het eerste. Maar ja, hier is weer de vraag, waarom juist dit boek gekozen is ter vertaling? Een antwoord hierop heb ik helaas niet. Verder is ‘Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor’ door Titia Schuurman vertaald, een geestig en vlot geschreven boek, dat ik eenieder kan aanraden. Kort geleden heeft Sanna van Leeuwen het boek ‘De stiefmoeder’ vertaald, ik heb het echter nog niet gelezen, dus kan er hier weinig over zeggen. Waarom Dorrestein zo veel vertaald werd? Omdat ze in Nederland razend populair is en vaak op de bestsellerlijst staat, maar ook, omdat ze zo vlot, geestig en af en toe nogal zot schrijft over allerhand, wat niet zonder meer voor de hand ligt. Boeiend, goed gecomponeerd en knap geschreven, zonder erg veel taalexperimenten. Dat laatste geldt eigenlijk voor vrijwel alle vertalingen, die hier genoemd zijn. Dorresteins boeken hebben een thrillerkarakter en dat is in de moderne leeswereld nu eenmaal populair. Vaak lijken het zelfs detectiveromans, en die zijn op dit moment erg in trek: Henning Mankell, Anne Holt, Matti Rönkä … Denken we verder maar aan de populariteit van de genoemde Mankell, of Arto Paasilinna en anderen. Bij Renate Dorrestein zou ik toch ook wel de literaire kwaliteit van haar werk willen benadrukken, ze kan erg goed en spannend schrijven en beheerst haar stof en haar taal tot in de finesses.
Herman Koch is een vlot, aangenaam en rechttoe rechtaan schrijver, die werkt zonder veel experimenteren met taal of moeizame romanconstructies, maar zijn boeken zijn wel goed, overtuigend en spannend, het soms wonderlijke plot is ondanks dat aannemelijk. Zijn boeken zijn internationaal een groot succes: ‘Het diner’ en ‘Zomerhuis met zwembad’. Op dit laatste boek wil ik graag in een volgend artikel nader ingaan. Ook het boek van Gerbrand Bakker, ‘Boven is het stil’, is mooi en typisch Hollands, ook daar wil ik een volgend keer op ingaan.
Hopelijk heeft de lezer/es nu enigszins een overzicht gekregen, zij het onvolledig, over de boeken, die de laatste tijd in het Fins vertaald zijn. Een apart genre is misschien veroorzaakt door het boek van Tracy Chevalier, ‘Meisje met de parel’ (‘Girl with a Pearl Earring’), dat ook als film internationaal een succes werd en de Nederlandse historie van de zeventiende eeuw levend naar voren wil brengen. Het gaat dan vaak over schilders of schilderijen (zoals hier over een werk van Vermeer), over de tulpengekte of over meester Rembrandt. Wat een Finse vertaling betreft wil ik hier wijzen op het boek van Danielle Hermans, ‘Het Tulpenvirus’; en hier zou ik de wens willen uiten, het prachtige en onroerende boek van Margriet de Moor, ‘De schilder en het meisje’, te vertalen; het tragische verhaal van het Deense dienstmeisje, de ter dood veroordeelde Elsje Christaens, en onze beroemdste Nederlander, Rembrandt Harmenszoon van Rijn. Een schitterend boek, werkelijk de moeite waard om het ooit eens naar het Fins te vertalen.
Peter Starmans, lehtori, juni 2014
NB vetgedrukte namen in mijn bovenstaande artikel zijn namen van schrijvers die naar het Fins vertaald zijn; vetgedrukt en cursief zijn de namen van huidige vertalers in Finland.
Nieuws rond Anne Frank
Alweer Anne Frank, hè nee, dat weten we toch al lang, zal de een zeggen. De ander fluistert: ja, want wellicht is er in 2010 toch wel iets nieuws over Anne Frank te vertellen, bijvoorbeeld wat de Finse perceptie van deze historisch symboolfiguur van de jodenvervolging tijdens de tweede wereldoorlog betreft. De lezer/es hoeft geen angst te hebben, dat ik het verhaal van het begin af aan weer ga vertellen, dat kennen we al … ofschoon … lees alleen laten we zeggen de biografie van Melissa Müller, Das Mädchen Anne Frank (1998) / Anne Frank, elämäkerta (1999) / Anne Frank, de biografie (1998), er maar weer eens op na. Wellicht staat daar toch wat nieuws in. Maar goed … de reden dat ik nu weer eens op het thema Anne Frank terugkom, is, dat – ten eerste – Anne Frank de laatste tijd weer regelmatig in de Finse media verschijnt, dat – ten tweede – vanwege het vijftigjarig jubileum van het Anne Frank Huis een uitvoerige en gloednieuwe site in vele talen (dus ook in het Fins) is opgezet, die veelbelovend is en vooral jonge gebruikers de juiste weg wijst in deze uitgebreide materie en dat – ten derde – er weer een nieuw boek (uit het Engels vertaald, ook in het Nederlands verschenen) in het Fins is verschenen, dat de moeite van het bespreken waard is. Dat zijn dus de drie zaken, waar ik het hier over wilde hebben.
Om – ter inleiding – iets te citeren, dat laat zien, hoe alert de media en het lezerspubliek in Finland is (wat het genoemde thema Anne Frank betreft) het volgende: zelfs een onlangs gevonden nieuwjaarskaart van Anne is de moeite van het vermelden in een waardevol Fins tijdschift waard. In Historia 11/2008 lees ik onder ‘korte nieuwsberichten’ op bladzijde zes: “Anne Frankin uudenvuodenkortti. Hollantilainen opettaja on löytänyt Anne Frankin allekirjoittaman uudenvuodenkortin. Frank oli lähettänyt kortin kahdeksanvuotiaana ollessaan vierailulla isöäitinsä luona Saksassa vuonna 1937. Aidoksi todettu kortti löytyi antikvaariaatista Naardenista.” / ” Nieuwjaarskaart van Anne Frank. Een Nederlandse leraar heeft een door Anne Frank ondertekende nieuwjaarskaart gevonden. Frank heeft als achtjarige de kaart verstuurd tijdens een bezoek bij haar oma in Duitsland in het jaar 1937. De als authentiek erkende kaart werd gevonden in een antiquariaat in Naarden.” Overigens ook bijvoorbeeld Iltalehti berichtte hierover en zelfs in het nog te bespreken boek van Carol Ann Lee wordt het feit vermeld.
1) Ten eerste. In 2008 werd in de internationale media de kastanjeboom op de binnenhof voor de ramen van het Achterhuis van Anne Frank uitvoerig besproken. De boom komt voor in het dagboek (bijvoorbeeld op 23 februari 1944) en is daarom als symbool van hoop op telkens nieuw leven ‘heilig’ verklaard. De vakmensen in Amsterdam zeiden in 2008 al, dat de boom gekapt moest worden, vanwege gevaar van omvallen bij harde wind. Overal toen protest uiteraard en uiteindelijk werd de boom verstevigd nog een kans gegeven. Maar de vakmensen kregen gelijk, tijdens een storm dit jaar op 23 augustus is de boom inderdaad omgewaaid (zonder gelukkig ernstige schade te veroorzaken) en nu is dit symbool dus weg, of we dat nu willen of niet. Jammer maar waar. Dit werd uitvoerig in Iltalehti – met foto’s en al – bericht, maar ook in HS, bij Yle.fi en bijvoorbeeld in Kainuun sanomat. Internationaal opgemerkt nieuws was het duidelijk! De kastanje is kennelijk zo beroemd, dat zaad ervan nu na lange quarantaine zal ingezaaid worden in de tuinen van het Witte Huis. Barack Obama en zijn vrouw zullen er dus nog wel plezier aan beleven, hoop ik, in ieder geval zijn jonge dochters. Overigens heb ik dit laatste nieuws niet in Finse maar wel in Nederlandse bronnen gevonden.
Op 13 januari 2010 werd de dood van de honderdjarige Miep Gies gemeld, in HS en ook elders. “Anne Frankin päiväkirjan pelastaja kuoli satavuotiaana/De redster van het dagboek van Anne Frank stierf als honderdjarige.“ Miep Gies was inderdaad een centrale figuur in het Frank-drama en Gies’ boek (in samenwerking met Alison Leslie Gold) van 1987 ‘Anne Frank Remembered’ (met documentaire film en voorts als boek in het Fins vertaald in 1988 onder de titel ‘Anne Frank, suojattini’/Anne Frank, mijn beschermelinge) en tevens zijn de gegevens over Anne, die Miep Gies in talloze interviews heeft doorgegeven, nog steeds een van de belangrijke uitgangspunten voor biografieën. À propos, de biografie van de Engelse Carol Ann Lee uit 1997 is in 2010 in het Fins opnieuw uitgegeven onder de titel ‘Anne Frank. 1927-1945’. In het Nederlands (en later pas in het Engels) verscheen het (als eerste versie) in 1998 en 1999 met als titel: ‘Pluk rozen op aarde en vergeet mij niet. Anne Frank. 1929-1945’ / ‘Roses from the Earth: The Biography ofAnne Frank’. Nou, wat dat vergeten betreft, kunnen we wel zeggen, dat Anne Frank meer dan vijftig jaar na datum internationaal nog steeds niet vergeten is, integendeel. Goed, maar over deze herdruk verder onder ten derde.
Het feit dat het Anne Frank Huis op 3 mei 2010 vijftig jaar oud werd, is de media ook niet ontgaan. In Iisalmen sanomat stond zelfs een heel verhaal erover met allerlei uitleg erbij. Niet onvermeld bleef daarbij uiteraard, dat Koningin Beatrix persoonlijk het vijftigjarig jubileum mee kwam vieren en ook, dat de dagboeken van Anne Frank nu definitief en uitvoerig te bekijken zijn in het Anne Frank Huis in Amsterdam, met goedkeuring van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
2) Ten tweede. Omdat het Anne Frank Huis op 3 mei 2010 vijftig jaar bestond, heeft de Anne Frank Stichting een zeer goede site ontwikkeld voor jonge mensen, in de eerste plaats om nader kennis te maken met Anne Frank, haar leven en haar lotgevallen, maar voorts tegelijk met de Tweede Wereldoorlog (waar de Finse oorlogen ook een plaats in gekregen hebben), die tevens uitvoerig aan bod komt. Ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van het Anne Frank Huis is er al een pedagogisch bedoeld boek verschenen, dat ik wel in handen heb gehad, maar nog niet gekocht: ‘Het leven van Anne Frank (in stripvorm) – de grafische biografie’ door Eric Heuvel (in samenwerking met de Anne Frank Stichting getekend en van tekst voorzien).
De Anne Frank Stichting heeft natuurlijk al langere tijd een goede site in zes talen (www.annefrank.org), die door deskundigen telkens wordt bijgewerkt, die zeer overzichtelijk is, maar die niet speciaal bedoeld is voor de schoolgaande jeugd, voor het geschiedenisonderwijs of de tegenwoordige behoefte aan geleide werkstuk-mogelijkheden. Om deze lacune te vullen heeft de Stichting nu een nieuwe site in – als ik het goed geteld heb – 20 talen gelanceerd, ook in het Fins en Zweeds, die uitgebreid en verantwoord materiaal aanbiedt voor het zich verdiepen in de thema’s Anne Frank, de tijd eromheen, de Tweede Wereldoorlog en vooral het thema ‘vervolging’, o.a. de jodenvervolging( maar ook bijvoorbeeld de vervolging van zigeuners, homoseksuelen en invaliden). Het adres ervan is www.annefrankguide.net. Via een goede ‘site-inhoud’ (‘sivukartta’) krijg je een voortreffelijk overzicht van de behandelde thema’s. Heel positief vind ik ook de uitgebreide ‘woordenlijst’ (‘sanasto’), die op zich al leerlingen/studenten, die wat afweten van de hoofdthema’s ‘Anne Frank’ en ‘De Tweede Wereldoorlog’, direct verder kunnen helpen. Het is een moderne site met tamelijk veel beeldmateriaal, zelfs een paar video-clips en vooral korte, duidelijke, verantwoorde en inspirerende teksten met ruime doorklik-mogelijkheden naar samenhangende onderthema’s. Het team achter de site is vakkundig, zowel wat de inhoud als wat de pedagogische presentatie van de thema’s betreft.
Nu ter oriëntering een paar slagzinnetjes, die ik tijdens het van links en rechts en van boven naar onder bekijken van de site heb genoteerd: het betreft telkens korte, goed geformuleerde en begrijpelijke stukjes, vaak treffend geillustreerd; er is veel verhelderend materiaal bijeengebracht; het geheel is goed en breed opgezet, behandelt niet alleen Anne Frank en haar familie, maar ook de wereld eromheen, Nederland, Duitsland, de jaren dertig, de jaren veertig, het dagboek, de vervolgingen (niet alleen de jodenvervolging!) etc.; de site is in vele talen opgezet, dus bedoeld voor het geïnteresseerde buitenland, vooral dan voor onderwijs-instituten; het geheel is overzichtelijk en steeds dieper verdervoerend, zo de lezer dat wil, dus de scholier/student kan ophouden waar hij/zij wil en kan gemakkelijk ook een speciaal thema uit het geheel pikken, zonder te verdwalen. Zelfs wordt er voor werkstukken op school of elders vanuit Amsterdam hulp aangeboden, een werkstuk kan via deze site van de Anne Frank Stichting gemaakt, opgeslagen en eventueel ook gepubliceerd worden ter lering van anderen waar ook ter wereld. Ook al heb ik het nog niet uitgeprobeerd in school of groep, mij dunkt als geroutineerd en ervaren docent, dat de site goed is en werken zal. Maar het eist wel een gemotiveerde inzet, van de docent en van de student. Maar ja, als je een goed werkstuk wilt afleveren, dan lijkt me dat een normale zaak. Ik schat de leeftijd van doelgroep tussen de vijftien en vijfentwintig. En … zelfs ik, als gepensioneerd lector, geniet van de site en heb er zelfs het een en ander waardevols bijgeleerd .
3) Ten derde. Bij een nieuw verschenen Fins boek met het thema Frank wilde ik kort even stil blijven staan. Het betreft hier de biografie van Carol Ann Lee, Anne Frank, 1929-1945.
In 2009 verscheen in Nederland de vertaling – op basis van een grondig bijgewerkt en geactualiseerd manuscript – van het boek van Carol Ann Lee, ‘Anne Frank: 1929-1945. Het leven van een jong meisje’. Lee is een Brits schrijfster, en de ondertiteling van deze herschreven biografie (van 1998) draagt in het Nederlands als typerende ondertitel: ‘De definitieve biografie’. Dat is misschien wat veel gezegd, maar toch, ondanks de bezwaren wat de eerste versie van dit boek en vooral de theorie over het verraad betreft (wat in de bijgewerkte versie vrijwel weggelaten is) … zo grondig en uitgebreid gedocumenteerd is er over Anne Frank tot nu toe niet geschreven. Om de tekst van historiek.net (bij de bewerkte herdruk) te citeren: “Carol Ann Lee werd met name bekend door haar boeken over de familie Frank. Tien jaar geleden bracht ze ’Pluk rozen op aarde’ uit, de enige biografie van Anne Frank die werd onderschreven door het Anne Frank Fonds. In de periode hierna schreef Lee verschillende boeken over de holocaust, en over de familie Frank in het bijzonder. Op de tachtigste geboortedag van Anne Frank bracht ze de ‘definitieve’ biografie van Anne Frank uit. Het boek bevat onder meer nieuwe interviews met mensen die Anne Frank gekend hebben; niet eerder gepubliceerde foto’s van Anne Frank; niet eerder gepubliceerde brieven en documenten, waaronder de onlangs ontdekte brieven van Otto Frank waarin het hele verhaal van de wanhopige poging van de familie om weg te komen uit Amsterdam in 1941; nieuwe informatie over het leven van de Franks voor de oorlog, in het Achterhuis en in de kampen; het verhaal van Annes ‘ware liefde’ Peter Schiff; het verhaal van het verraad. Volgens Buddy Elias, een neef van Anne Frank, is de Britse auteur van de vele schrijvers en historici die ooit over Anne Frank schreven, het best geïnformeerd.” Veel hieraan toe te voegen heb ik eigenlijk niet. Deze flaptekst klopt wel. De Finse vertaling ervan uit het Engels is verschenen in 2010 onder de titel: Carol Ann Lee: ‘Anne Frank: 1929-1945’. De vertaling is goed en verzorgd, al is het toch wel irriterend, dat te veel Nederlandse en Duitse termen onnodig in het Finse taalsysteem met verbuiging en al zijn opgenomen, ook waar dit niet normaal of zelfs een beetje vreemd aandoet. Twee voorbeelden:’ … Ordnungsdienstin (juutalaisen poliisin) …’, waarom niet : ‘… juutalaisen poliisin (‘Ordnungsdienst’) …’, dan blijft het Duitse woord als eigen woord beter en natuurlijker bewaard, met eventueel een voetnoot erbij wat de betekenis ervan betreft. Een ander voorbeeld is een Nederlands: ‘… Bureau Joodse Zakeniin …’, waarom niet ‘ … juutalaisasioiden toimisto (‘Bureau Joodse Zaken’) …? Maar goed, zoals gezegd, dit soort kleinigheden storen in deze vertaling niet erg. Indrukwekkend wordt in de uitgebreide proloog van het deel van het boek de dood van Margot en Anne in het kamp Bergen- Belsen (goed gedocumenteerd) beschreven, en in hoofdstuk 14 wordt de barbaarsheid van het kamp Auschwitz (ook goed gedocumenteerd) en het zware leven van Anne en Margot aldaar samen met hun moeder (die daar wat later sterft) aangrijpend uitgebeeld. Verder komt de algemene politieke en militaire achtergrond van de gebeurtenissen rond Anne in Duitsland en Nederland bij Lee beter tot haar recht dan bijvoorbeeld in het boek van Müller. Maar toch nog wat te weinig naar mijn smaak. Dit laatste boek van Carol Ann Lee is een aanrader, het is bedoeld voor de rijpere jeugdlezer/es en heel goed geschikt als boekaanvulling bij de onder ten tweede al behandelde site. Heel jammer is het hier echter, dat er achter in het boek geen index is opgenomen (bij Müller wel) over personen en zaken die in het boek met name besproken worden. Dat zou het boek bijvoorbeeld voor werkstukken en spreekbeurten veel handzamer hebben gemaakt. Maar goed, niet alles is perfect op deze aarde en – zoals al gezegd – de regelmatig uitgebreide voetnoten (voor de doordenkertjes) en de woordenlijst achterin maken wel het een en ander goed. Voor geïnteresseerden, zie ook: http://kotiliesi.fi/kirjat/lukijoiden-arviot/carol-ann-lee-anne-frank-19291945 .
Overigens … het verhaal van Anne Frank zelf is een goedgeschreven en direct dagboek-verhaal van een jong meisje, een ‘gewoon’ verhaal dus, waar je je kunt inleven, het is een verhaal van een Joodse familie in moeilijke omstandigheden, die het lang in Nederland in onderduik volhoudt, maar uiteindelijk toch verraden en de vernietiging ingestuurd wordt. Slechts vader Otto Frank komt levend terug, krijgt dan het bewaard gebleven dagboek van dochter Anne via Miep Gies in handen en dan begint het verhaal zich stapje voor stapje internationaal via publicatie te ontpoppen als het verhaal van een jeugdige jonge vrouw, die weliswaar het slachtoffer van de holocaust is geworden, maar die in haar dagboek zelf ‘slechts’ het ongemak en de spanning wat betreft relaties en communicatie in onderduik eenvoudig weergeeft via het leven van alledag in die geheime vleugel, het Achterhuis, van de Prinsengracht 263 in Amsterdam. Dat maakt een zich als lezer/es inleven pas echt mogelijk.
Om dit laatste iets duidelijker te maken even een omweg. In 2002 heeft een jonge Finse schrijver, Petri Tamminen, een verhalenbundeltje uitgegeven met de sprekende titel ‘Piloutujan maa’, de plek van de verstopper. Jezelf ergens verstoppen, jezelf anoniem willen maken, wegkruipen in een hoekje, je verschuilen achter de rug van een ander of op zolder bijvoorbeeld, onderduiken, omdat je je niet lekker of bedreigd voelt, daar gaat het hier om. En zo zijn we terug bij het thema. En jawel hoor, bladzijde 105 – 107 draagt als opschrift: Anne Frank. In alle onthutsende nuchterheid luidt de eerste alinea van dit hoofdstukje: “Otto Frankin ja Hermann van Pelsin perheet piiloutuivat juutalaisvainoilta kesäkuussa 1942.”/ “De families van Otto Frank en Hermann van Pels verstoppen zich voor de jodenvervolgingen in juni 1942.” Ze duiken dus onder. “Piilopaikka oli amsterdamilaisen toimistorakennuksen pihan puoleisessa siivessä.”/” Hun verschuilplek bevond zich in het achterhuis van een Amsterdams bureaugebouw aan de kant van de binnenplaats.” Natuurlijk is dat een ‘geheime’ achtervleugel van het huis, maar je moet er wel iets voor doen, om daar verdekt te kunnen leven. Het huis zelf is echter in principe ‘slechts’ een achterhuis, zoals er wel meer zijn in het oude Amsterdam. Feit blijft uiteraard, dat juist dit achterhuis Het Achterhuis is geworden. “Siiven neljä huonetta eristettiin konttorista ja sisäänkäynti naamioitiin kirjahyllyllä.”/ “De vier kamers van het achterhuis werden van het huis afgescheiden en de ingang ervan werd verdekt door een boekenkast.” Daarmee zijn ze dan hopelijk afdoende van de buitenwereld afgeschermd. “Talo oli Otto Frankin yrityksen käyttössä. Hänen toimistovirkailijansa toimittivat piiloutujille ruokaa.”/” Het huis was in gebruik van de firma van Otto Frank. Zijn bureaumensen brachten de onderduikers hun voedsel.” en “Piiloutujien piti liikua varovasti, sillä varastossa huoneiden alapuolella työskenneltiin.”/”De onderduikers moesten zich voorzichtig bewegen, want in het magazijn onder de kamers werd er (overdags) gewerkt.” Ja, dat is nogal logisch, als je niet ontdekt wilt worden. Het voordeel nu van het bericht van Petri Manninen is, dat hij de feiten zo nuchter en eenvoudig zegt, dat is indrukwekkend, dat is realiteit, daar kun je mee meevoelen, zoals ook met de verhalen van Anne in haar even nuchtere en persoonlijke dagboek. Opvallend is bij Manninen voorts, dat hij niet alleen de familie Frank, maar ook de familie van Pels noemt, dat is juist en relativeert of normaliseert de zaak nog meer. Manninen gaat dan in de tweede alinea van het hoofdstukje over Anne Frank verder met het verraad en het transport naar het concentratiekamp. Dat was uiteraard vreselijk, dat weten we heus wel. Dan zegt Tamminen verrassend, dat je eigenlijk zo moeilijk mee kunt leven met de verhalen van de echte holocaust, de ruwe jodenverdelging, je kunt je die ellende eigenlijk niet eens goed voorstellen, onvoorstelbaar zelfs blijft het ondanks de vele foto’s die we erover bezitten. “Paljon helpompaa on eläytyä niihin, jotka onnistuivat pakenemaan ja piiloutumaan, heihin jotka hetkeksi välttivät kauhut. He tuntuvat läheisiltä ja todellisilta. Heissä toivo saa hahmon.”/” Het is veel gemakkelijker je in die mensen in te leven, die het lukte weg te vluchten en zich te verstoppen, mensen die voor een ogenblik ontzettende dingen ontliepen. Die mensen zijn ons nabij en hun gevoelens zij navoelbaar. In hen neemt hoop gestalte aan.” En dan volgt bij Tamminen heel eenvoudig, dat dit ook dan geldt, als de onderduikpoging mislukt, zoals bij de Achterhuis-Joden, de Franks en Van Pelsen. Ik zou zelfs durven
beweren, dat de mislukking en de wegvoering met dodelijke afloop van zeven van de acht van de Achterhuis-bewoners deze inlevingswerkelijkheid juist sterker hebben gemaakt. Ik kan me in ieder geval niet voorstellen, dat het Dagboek zo’n wereldsucces geworden zou zijn, als Anne Frank werkelijk teruggekeerd was. Niet dat ik het haar niet gegund had, nee nee, maar dan zou de werking van het Dagboek en eventueel andere schrijfsels van Anne Frank volkomen anders en wellicht niet zo breed geweest zijn, vermoed ik. Zo is ze een internationaal symbool van waarheid en echtheid geworden. We weten toch, dat Anne en haar zus Margot in Auschwitz erg geleden hebben en in Bergen-Belsen omgekomen zijn in uiterst ellendige omstandigheden, zie hierover bijvoorbeeld de indrukwekkende hoofdstukken erover in het boek van Carol Ann Lee. Daarmee zijn ze ‘martelaar’ geworden, ‘heilig’ verklaard als je wilt, maar dat maakt volgens Tamminen empathie of meeleven pas echt mogelijk. Wie weet, maar misschien bewijst het succes van het eenvoudige en op zich qua directe gebeurtenissen wel spannende maar niet tragische dagboek, het Achterhuis, van Anne Frank juist deze theorie. Best mogelijk.
Peter Starmans, lehtori
Riikka Pulkkinen, "Echt waar"
Riikka Pulkkinen, Echt waar
Totta, Otava, 2010
Echt waar, Arbeiderspers, 2011
(in het Nederlands vertaald door Annemarie Raas)
‘Echt waar’ is een boek dat me erg aangesproken heeft. Het is de tweede roman van Riikka Pulkkinen, ‘Totta’, vertaald als ‘Echt waar’, die evenals de eerste roman (‘De grens’) en haar derde roman (‘Vreemdeling’) alle drie in het Nederlands vertaald zijn. En dat zonder meer terecht, want het literair niveau van alle drie boeken is hoog en thematisch zijn ze modern en interessant geschreven. Aanraders dus.
Bij ‘Echt waar’ staat een ouder echtpaar, Martti en zijn vrouw Elsa, centraal; maar tevens hun dochter Ella (of Eleonoora) en haar man Eero, met hun twee dochters Anna en Maria. Tevens speelt een vroegere geliefde (uit de jaren zestig) van Martti, Eeva, een wezenlijke rol in het boek.
Het boek is overzichtelijk en logisch opgebouwd, zonder al te veel moderne experimenten; het is tevens geschreven in een uiterst duidelijke en zowel in het Nederlands als in het Fins gemakkelijk en vlot leesbare stijl en taal.
De grootmoeder Elsa, een internationaal bekende opvoedingspsychologe, was vaak op pad als gastsdocente in binnen- en buitenland, maar nu is ze al oud en gepensioneerd; er is bij haar kanker in een vergevorderd stadium geconstateerd en veel tijd van leven is haar niet meer beloofd. Ze bereidt zich voor op haar dood, positief en bewust, samen met haar man en hun dochter Ella, die arts is; ook vooral samen met hun kleinkinderen, waarvan de oudste dochter Anna gek is op haar grootouders, maar vooral dan op grootvader, met wie ze een hechte band had en heeft; de jongste dochter Maria is practisch en nuchter aangelegd en is zo een grote hulp bij het verzorgen en begeleiden van het sterfbed van Elsa, de grootmoeder.
Ofschoon het huwelijk tussen Martti en Elsa van buiten af gezien in orde is, ze zijn immers altijd gelukkig geweest met elkaar en kunnen elkaar tot op zekere hoogte nog steeds bevredigen, is er in de lang vervlogen periode van de woelige studentenjaren zestig (de internationale jaren van studentenrevolte in Parijs, Amsterdam en Berlijn) een kindermeisje in huis geweest tijdens de langere periodes, waarin professor Elsa Ahlquist in het buitenland werkte (en dat was nogal vaak). Dit kindermeisje droeg de naam Eeva; zij werd door de moderne revolutiegeest in het studentenmilieu en de vrijheid die daar heerste gedreven, maar zorgde ook goed voor ‘het meisje’ (= Ella), Eeva houdt echt van ‘het meisje’ en voedt haar natuurlijk op. Met de studentenrevolte leeft Eeva indirect (in Helsinki, waar het ook een beetje onrustig werd) en direct (in Parijs en Amsterdam, later ook in Berlijn) intensief mee. Haar instelling in het leven is radicaal, geen burgerlijkheid maar leven in overgave en socialiteit, lichamelijk en geestelijk gezien dus een ware Eva! Martti, een in Finland bekende kunstenaar, die nog steeds op zoek is naar zijn ware aard en kunst, wordt stapel verliefd op haar, jarenlang; maar hij weet dat voor zijn vrouw Elsa lange tijd verborgen te houden, tot het uiteraard uiteindelijk uitkomt.
Pas dan kiest Martti (die in zijn contact met Eeva in de roman altijd ‘de man’ genoemd wordt, Adam dus) – niet van altijd harte maar toch – voor zijn burgerlijk, elkaar respecterende huwelijk met Elsa, dat overigens gelukkig is en dat ook blijft, tot aan de dood van Elsa. Dat laatste wordt zelfs ontroerend beschreven in de roman. Want zo’n burgerlijk huwelijk laat meer vrijheid aan de twee huwelijkspartners en biedt een grotere persoonlijke ruimte dan het drukkende, alles eisende en in volledige overgave aan elkaar radicale liefdesideaal van Eeva. Eeva gaat echter innerlijk en ook wel lichamelijk aan haar eigen idealen letterlijk kapot; en sterft een zelfgekozen dood in het meer bij haar ouders in Oost-Finland. Elsa en Martti hebben zich dan al lang verzoend en leefden verder in harmonie van toen af (na 1968) nog lang en gelukkig met elkaar. Maar toch, een taboe, een familiegeheim blijft het gebeurde, onbekend aan dochter Ella en haar kinderen en hun partners.
Kleindochter Anna is intuïtief de vrouw die het taboe in hun familie tijdens het sterfproces van haar grootmoeder doorbreekt. Ella niet zo, want zij heeft een vrij afstandelijke verhouding met haar ouders; waarom weet ze eigenlijk niet; Eleonoora (= Ella) herinnert zich van het verleden van haar vader met Eeva en van haar eigen gelukkige jeugd, ook regelmatig met diezelfde Eeva, weinig wezenlijks en het is maar de vraag of dat altijd goed is. Dat boven water halen van de waarheid bij haar oprecht geliefde grootvader, bij haar nu stervende grootmoeder en bij haar gerespecteerde moeder breekt Anna een tijdlang op. Ella lijkt dus nogal gefrusteerd in het leven te staan, al is ze een geslaagde arts; maar gelukkig heeft ze een zeer harmonieuze en haar en hun dochters liefhebbende man Eero, die zijn vrouw Eleonoora telkens en telkens maar weer opvangt en uiteindelijk daarbij wint. Maar Anna gaat aan dit doorbreken van het familiegeheim bijna te gronde, gelukkig maar, dat ze met behulp van haar opa en oma en hun openheid, en ook met de ondersteuning van haar geschrokken maar ook liefdevolle moeder, die wakker aan het worden is, boven water geholpen wordt en uiteindelijk de familie redt en zegeviert en gelukkig met haar Matias haar eigen leven kan opbouwen.
Nu een paar algemene opmerkingen bij ‘Totta’, ‘Echt waar’:
- Het humane karakter van het boek is overtuigend. Het gaat niet over sterke en zwakke mensen, en zeker niet over sterke vrouwen en zwakke mannen. Nee, iedere mens, man of vrouw, jong of oud, heeft zijn/haar zwakke en sterke kanten, en dat is juist goed zo en typisch voor de mens, daarmee moet hij of zij leren leven, in Nederland en in Finland.
- Het goede van dit boek is, dat het voor mannen en vrouwen geschreven is, dat het door mannen en vrouwen gelezen kan worden, dat het door mannen en vrouwen gewaardeerd wordt. Dus wel gezond feministisch, maar zonder extreme standpunten van beter en slechter. Dat is het sterke van dit boek. Ik heb me bij het lezen geen moment verveeld. Het boek is boeiend, goed en vlot geschreven; maar ook menselijk, zodat er heel wat bij de lezer/es beklijft. Mijn bezwaar bij moderne boeken is vaak, dat het vlot en goed leest, maar dat je er achteraf niets meer van onthouden hebt of kunt navertellen. Als dat zo is, is het wel ontspannend en eventueel goed geschreven, maar kunnen we niet van beklijvende literatuur spreken. Dat laatste geldt voorlopig wel voor de boeken van Riikka Pulkkinen.
- ‘Totta’ heeft de betekenis van waar(heid). In dit boek begrijp ik het zo, dat de waarheid uiteindelijk te voorschijn treedt, en dat is goed. Bij de Nederlandse vertaling ‘Echt waar’ heb ik mijn bezwaren. Als ik iemand van iets wil overtuigen dan zeg ik: of je me gelooft of niet, het is echt waar, wat ik je vertel. Dat is in dit boek niet bedoelt. Verder kun je achter ‘echt waar’ een vraagteken denken, en dat stel je het hele boek in vraag. Ook dat is door Pulkkinen niet bedoelt. Je kunt het natuurlijk ook begrijpen als: zo was het, dit is de waarheid.
- Van de ene kant is het thema van het boek algemeen, internationaal, dus ook Nederlands en Fins. Maar van de andere kant is het boek zo echt Fins, door het milieu, waarin het speelt. Het centrum van Helsinki, een zomerhuis in Zuid-Finland, een sauna aan een groot meer, heerlijk zwemmen of door de sneeuw rollen, de Finse natuur en de heldere zomernachten. Vooral de betekenis van de sauna bij het zomerhuis speelt in dit boek een grote en sympathieke rol. In weinig boeken die ik ken is de sauna zo overtuigend en vanzelfsprekend aanwezig, Ook bij de gesprekken in de hitte van de sauna of bij de ontspanning erna op het terras of op de steiger aan het meer spreken aan. Dit Finse van de sfeer is lijkt me een van de positieve kanten van dit boek. Ook in het Nederlands.
- Het interessantste thema van het boek is de spanning tussen een voorwaardelijk en onvoorwaardelijk huwelijk, tussen een burgerlijk en een ‘ideaal’ huwelijk. In de roman voert het ‘ideale’ huwelijk tot dood en taboe, maar overtuigend en echt wordt die radicale overgave in liefde hier wel beschreven en gevoeld. Tja, waar ligt de waarheid van echte liefde?
- De namen in de roman (ook de vertaalde) blijven Fins, goed zo: Martti, Elsa, Anna, Eero, Eleonoora, Eeva, Tammilehto, Rautalampi, Lauttasaari enz. Dat past wel en stoort helemaal niet in de Nederlandse vertaling. Riikka Pulkkinen is een jonge Finse schrijfster, geen internationale of kleurloze auteur zonder eigen voorkeur of vaderland. Dat is goed zo en troostend.
- Het boek is vooral goed geconstrueerd en geschreven, al blijven inderdaad sommige karakters ervan wat bleek en onuitgewerkt. Dat geldt een beetje voor de oudste kleindochter Maria, zelfs voor Eero en Matias, maar zeker niet voor de hoofdfiguren, al had ik bij het meisje = de jonge Ella = Eleonoora wat meer diepgang verwacht of gehoopt. De meest stralende figuren in deze roman zijn die van Martti, van Eeva en vooral ook die van Anna. Die overtuigen helemaal. In hun doen en laten, in hun spreken en denken.
- De Finse en ook de Nederlandse Wikipedia-tekst onder Riikka Pulkkinen zijn als inleiding voldoende. Het is me overigens een raadsel, hoe een relatief jonge auteur (geb. 1980) zo indringend de jaren zestig op kan roepen (in Nederland bijvoorbeeld verwoord door Harry Mulisch in zijn ‘Bericht aan de Rattenkoning’ uit 1966) en hoe zij met overtuiging in een roman zoveel echte levenswijsheid ter sprake kan brengen. Mijn pet ervoor af!
Een aanrader dus, dit boek ‘Totta’ van Riikka Pulkkinen, echt waar!
Ik wens de lezer/es veel leesplezier.
Kerava
Peter Starmans, lehtori
Finland 100 jaar onafhankelijk
In het kader van Suomi/Finland 100 wordt door de VNF (Vereniging Nederland-Finland) een boek uitgegeven met de ondertitel ‘Terugblik op een bewogen eeuw’.
Het thema van het boek is de geschiedenis van 100 jaar Finland. Tevens worden verschillende maatschappelijke en culturele relaties in Finland in de tijdsperiode 1917-2017 belicht. Finse en Nederlandse auteurs geven een kleurrijk beeld van de politieke, sociale en culturele ontwikkelingen van die tijd. De relatie tussen Finland en Nederland komt uiteraard in het boek ook duidelijk naar voren.
Het boek (hardcover) is rijk geïllustreerd en wordt in november 2017 uitgegeven in twee talen (Nederlands, Fins en zelfs een deel ook in het Zweeds) als onderdeel van het officiële Finland 100-programma.
Het boek kost 25 euro plus eventuele porto- en verpakkingskosten.
Uw bestelling graag zo spoedig mogelijk via emailadres: petrus.starmans@pp.inet.fi
Het boek zal op vrijdag 24 november ‘s middags in de residentie van de ambassadeur gepresenteerd worden.
Degenen die een boek besteld en betaald hebben, zijn daarbij via uitnodiging van harte welkom en ontvangen hun exemplaar ter plekke.
Een korte aankondiging in over dit boek in het Nederlands, Fins en engels is te vinden op de Finse site van Suomi/Finland 100 (http://suomifinland100.fi/project/juhlakirja-suomihollanti) en ook op de Nederlandse site van Finland 100: http://www.finland100.nl/events-post/vnf-book-finland-100-years. Op deze sites is ook meer informatie over Finland 100 jaar te vinden.
Historiaa nykypäivälle, Anne Frank
De Anne Frank-tentoonstelling van de Anne Frank- Stichting/Amsterdam
van 3.3.2001 – 13.5.2001
in het Kansallismuseo/Helsinki.
Anne Frank, een stukje Europese geschiedenis met een duidelijke boodschap ook voor onze tijd. Zo zou ik de titel van de tentoonstelling willen omschrijven.
Op vrijdag 2 maart 2001 heeft presidente Tarja Halonen de tentoonstelling rond Anne Frank in het Nationale Museum van Helsinki geopend. Het was een sobere plechtigheid in de prachtige hal van het museum, pal onder de warmkleurige fresco’s van Gallen Kallela.
De tentoonstelling zelf is misschien nog soberder en staat als een samengepakt brok beeld- en tekstmateriaal in de kelderruimte van het museum opgesteld. Het is een wel zeer passende en wat enge plaats voor zo’n tentoonstelling rond het jonge wereldberoemde jodinnetje ANNE FRANK. Ze heeft een jaar of twee in Amsterdam in het voor acht mensen wel erg krappe ACHTERHUIS, boven achter het bureau van haar vaders firma, in de schaduw en het welluidende klokkenbereik van de zo statige Westerkerk, met haar familie en vier anderen ondergedoken gezeten. Hun schuilplaats werd uiteindelijk toch verraden aan de Duitse bezetter Ze werden afgevoerd naar Auschwitz en later naar Bergen- Belsen, waar Anne en haar oudere zus Margot stierven.
Dit is een tentoonstelling die aan het denken zet en die verborgen vragen naar boven haalt. „Nooit weer!“ of „Nooit meer!“, zo luidde een kort commentaar van Tarja Halonen, nadat de officiële inleidster, Elisabeth Rehn, dit historische zinnetje al in de juiste context had geplaatst.
De opening werd in- en uitgeleid door een paar prachtige liederen in het Roemeens en niet – zoals misschien te verwachten was – in het Hebreeuws. Waarom niet? Ik weet het niet, maar ook deze liederen klonken (aan)klagend mooi en werden fraai gezongen door een jonge vertegenwoordigster van het Roemeense volk, een zigeunerin uit Finland. De zigeuners zijn in het Finland van nu een duidelijk aanwezige minoriteit en ze worden in Finland ook niet altijd even onbevooroordeeld benadert. Zij waren toen ook een andere, door Hitler even fel als de Joodse minderheid vervolgde minoriteit. Zo vertegenwoordigde deze zangeres – passend bij het thema Anne Frank – de vervolgde mens van toen, maar ook die van nu, door b.v. te verwijzen naar de tragedie van onze tijd in Zuid-Europa, in het voormalige Joegoslavië. Een tragedie die even tragisch is als de gruwelijke actualiteit in het Israel en Palestina van nu. De boodschap van deze tentoonstelling zou – zoals zowel Tarja Halonen als Elisabeth Rehn met nadruk naar voren brachten – de boodschap van de tolerantie kunnen zijn, een woord dat in onze eigen vaderlandse geschiedenis met Erasmus en zijn humanistische idealen verbonden is, blijft en zal blijven. Maar hopelijk wordt er ook iets van dit ideaal gerealiseerd.
Het eerste deel van de tentoonstelling behandelt de Europese gebeurtenissen tussen medio 1929 en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op tien mei 1940.
Een algemeen beeld van de toenmalige politieke (en hopelijk ‚einmalige’) gebeurtenissen in Duitsland. In het bijzonder wordt de satanische toespitsing ervan – door. de Nationale Socialisten o.l.v. Adolf Hitler – gericht op het achtervolgen en kwetsen van het Joodse deel van de Europese bevolking, indrukwekkend in beeld gebracht.
Anne Frank werd begin juni 1929 in Frankfurt a.M. uit Joodse ouders geboren.Zij verhuisde in 1933 met haar ouders en haar oudere zusje Margot naar Amsterdam, om er een zekerder bestaan te vinden. Dat ze dat op den duur ook daar niet vonden en vooral het waarom daarvan, is een ander verhaal, dat hier niet thuis hoort. Een verhaal, dat zelfs in het zo open Nederland van nu nog niet goed verteld kan worden.
Het algemene eerste deel van deze tentoonstelling zet het verhaal van Anne Frank in een breder kader.
In deel twee van de tentoonstelling komt het eerste gedeelte van de Tweede Wereldoorlog ter sprake. De wel erg korte strijd van het Nederlands leger tegen de Duitse overvaller in mei 1940, het leven in Amsterdam tijdens de bezetting erna, het begin van de razzia’s tegen de Joden en de moedige, maar meestal ook bange reacties daarop in de bevolking en tenslotte het besluit van Otto Frank om met zijn familie in het achterhuis van zijn bureau onder te duiken, om daar op beter tijden te hopen en te wachten. Miep Gies, van geboorte een Weense en secretaresse van Otto Frank, is zonder meer bereid de familie te helpen in deze tijd van nood. Zij verzorgt ze twee lange en bange jaren lang met voedsel, nieuws en geestelijke moed. Ze noemt zichzelf geen heldin maar een vrouw die alleen maar deed wat er van haar gevraagd werd in de moeilijke omstandigheden van toen. Maar toch was ze wel erg moedig, zou ik zo zeggen. Wie zou haar dit nadoen?
In het boekje „ONDER ONZE OGEN“, verhalen over de oorlog, verzameld door Margo Minco – Marga Minco, die haar ouders voor haar jonge ogen heeft zien wegvoeren, maar die zelf door toeval in leven is gebleven – vond ik een treffende tekst van M.Vasalis, een van onze grootse dichteressen uit de 20ste eeuw. Ik kan het niet nalaten, een fragmentje eruit te citeren.
6-6-42. De tweede hete dag. De K.straat met mevrouw P. De straat was breed en zonnig, maar al stoffig-zonnig. Langzame zware joden met sterren, dunne profeten met sterren en tenslotte spelend en naarstig zwoegend op een driewielertje twee dunne jodenjongetjes van een jaar of zes in gele badpakjes. Onder hun sleutelbeendertjes een gele ster en daarop stond jood, bijna op hun blote gouden huid. Hun schouderbladen staken uit als dichtgevouwen vleugels. Ze hadden kostbare ogen. Het leken onaardse wezentjes, door domme reuzen niet herkend en gemerkt met een scheldwoord.
(uit. M.Vasalis, uit „Fragmenten uit een journaal“/1945)
Deel drie van de tentoonstelling betreft dan het Achterhuis, zoals het er toen tussen 1942 en 1944 uitzag en gebruikt werd door de acht daar ondergedokenen en ook zoals het er nu – ‚mit allem drum und dran, leider!’ – uitziet als een van de meest bezochte musea van Amsterdam. Het leven van alledag in dit Achterhuis wordt er getoond en de allerdaagse realiteit, waarover het Dagboek van Anne schrijft, wordt er in beeld gebracht. Twee jaar lang lukte het de familie – vooral ook met de daadwerkelijke ondersteuning van Miep Gies en haar medehelpers – onopgemerkt ondergedoken te blijven en niet door de Duitse bezetter ontdekt te worden. Maar dan worden ze begin augustus 1944 door iemand verraden, gearresteerd en weggevoerd naar het concentratiekamp Westerbork in Drenthe. Miep Gies bleef vanwege haar Weense afkomst vrij en kon zo voor Anne, en later dan voor haar vader Otto – die als enige het transport naar het Oosten overleefde – en tenslotte uiteraard voor ons, voor de wereld erna het Dagboek vinden, bewaren en redden. betreft dan het Achterhuis, zoals het er toen tussen 1942 en 1944 uitzag en gebruikt werd door de acht daar ondergedokenen en ook zoals het er nu – ‚mit allem drum und dran, leider!’ – uitziet als een van de meest bezochte musea van Amsterdam. Het leven van alledag in dit Achterhuis wordt er getoond en de allerdaagse realiteit, waarover het Dagboek van Anne schrijft, wordt er in beeld gebracht. Twee jaar lang lukte het de familie – vooral ook met de daadwerkelijke ondersteuning van Miep Gies en haar medehelpers – onopgemerkt ondergedoken te blijven en niet door de Duitse bezetter ontdekt te worden. Maar dan worden ze begin augustus 1944 door iemand verraden, gearresteerd en weggevoerd naar het concentratiekamp Westerbork in Drenthe. Miep Gies bleef vanwege haar Weense afkomst vrij en kon zo voor Anne, en later dan voor haar vader Otto – die als enige het transport naar het Oosten overleefde – en tenslotte uiteraard voor ons, voor de wereld erna het Dagboek vinden, bewaren en redden.
In een boeiend boek van de nu zo bekende Geert Mak „OOGGETUIGEN van de vaderlandse geschiedenis in meer dan honderd reportages“ is de arrestatie van de Franks en het vinden van het dagboekje roerend door Miep Gies zelf later in haar herinneringen beschreven.
Het was een doodgewone vrijdagmorgen, 4 augustus 1944. Het eerste wat ik die morgen deed was naar het Achterhuis gaan om de boodschappenlijst te halen. Na een lange nacht met elkaar opgesloten te hebben gezeten, snakte iedereen altijd naar een leuk bezoek. Anne had zoals gebruikelijk een heleboel vragen en wilde per se met me praten. Ik beloofde dat ik s middags gezellig´op bezoek zou komen nadat ik de boodschappen had gedaan. Nu had ik geen tijd om te praten. Ik ging terug naar het kantoor en begon mijn werk.
… Het moet even na elven zijn geweest dat ik opkeek en een man in burger in de deuropening zag staan. Ik had de deur niet gehoord. Hij hield een revolver op ons gericht en stapte het kantoor binnen. „Blijf zitten,“ zei hij in het Nederlands. „Verroer je niet.“
Toen liep hij naar het kantoor waar Kraler werkte. We waren verstijfd van angst.
Jo zei tegen me: „Miep, het is zover.“
… Ik had geen idee waar hij – de Duitser met een onmiskenbaar Weens accent – naar toe was gegaan. En evenmin wist ik, wat er zich in de rest van het huis afspeelde. Ik was totaal verward, alsof ik in een bodemloze put viel. Wat moest ik doen? Ontredderd ging ik weer zitten.
Toen hoorde ik over de gang langs Kralers kantoor over de oude houten trap naar beneden de voetstappen van onze vrienden. Aan het geluid te horen liepen ze als geslagen honden naar beneden.
Ik zat als versteend. Ik had alle besef van tijd verloren. … Ik weet nog niet hoe de uren voorbij zijn gegaan. Eerst was het tussen elf en twaalf geweest, toen de Nederlandse nazi was binnengekomen. Het moet een uur of halftwee geweest zijn toen ik de voetstappen hoorde op de binnentrap.
We gingen met zijn allen naar de boekenkast en schoven hem opzij, zodat de deur naar het Achterhuis zichtbaar werd. Hij zat op slot, maar was niet verzegeld. Gelukkig had ik een reservesleutel bewaard, die ik ging halen. We maakten de deur open en gingen de schuilplaats in.
Ik zag meteen dat de kamers overhoop waren gehaald. Laden stonden open, spullen lagen over de grond verspreid. Alle meubels waren omvergegooid.
Daarna liepen we de slaapkamers in van meneer en mevrouw Frank. Op de grond, tussen een chaos van papieren en boeken, ontdekte ik het oranje-roodgeruite dagboekje in linnen band dat Anne op haar dertiende verjaardag van haar vader had gekregen. Ik maakte Elli erop attent en zij bukte zich om het op te rapen en gaf het me in handen.
(uit: Miep Gies, Herinneringen aan Anne Frank, 1987)
Deel vier van de tentoonstelling betreft de tragedie van het Joodse volk, de vervolging en realisering van de ‚Endlösung’ door Adolf Hitler en zijn trawanten, de ellende van de transporten naar de concentratiekampen in Polen en Duitsland en tenslotte – ‚last but not least’, zou ik hier kunnen zeggen – het kampleven in Auschwitz/Polen of in Bergen-Belsen ‚auf der schönen Lüneburger Heide’. Hier zien we vreselijke beelden van ziekte, dood en waanzin. Dit was dus de wereld, waarin moeder Edith in Auschwitz stierf en waar daarna de twee dochters Margot en Anne in het concentratiekamp Bergen-Belsen omkwamen.
Mijn vraag is altijd, wat voor leven deze mensen hebben geleid en hoe ze hebben gedacht. We weten het niet van Anne, want het dagboek is al uit, maar wel van anderen. Dus we kunnen er ons iets bij voorstellen, al is en blijft de realiteit voor ons ongrijpbaar. Op zaterdag 3 maart 2001 keek en vooral luisterde ik naar het programma van 3sat.boulevardbio, nauwkeuriger naar een interview van de sympathieke empathische tv-redacteur Alfred Biolek met de twee zussen Lasker – Renate en Anita – van wie de laatste celliste was in het bekende ‚Mädchenorchester’ in Auschwitz en later tegen het eind van de oorlog in Bergen- Belsen. Beiden hebben het samen overleefd en beiden waren tegelijkertijd ook daar, waar Anne en haar zusje Margot stierven, en beiden vertelden over hun verschrikkingen in die hel van toen. Het was shockerend en bood tevens een kijk op het leven van Anne Frank 1944/1945 in het kamp van Auschwitz en Bergen- Belsen.
Een derde citaat wilde ik hier graag invoegen. Het komt uit een van de pareltjes van de naoorlogse Nederlandse literatuur. Het is van de hand van de Joodse professor J. Presser – ja, die van het indrukwekkende boek „De ONDERGANG“ – en heet „De Nacht der Girondijnen“. Het is autobiografisch en gaat hier over de trein die vertrekt van Westerbork/Drenthe naar Auschwitz/Polen, de transporttrein van de Joden naar de vernietiging, en dat wisten of voelden ze echt.
De trein. Ik kan het woord niet meer ontlopen; het moest komen en nu is het er en ik voel: het zal blijven tot het eind van dit verhaal.
Hij komt en hij gaat, maar nog onduldbaarder dan die aankomst, dan dat vertrek, is de regelmaat, waarmee ze plaatsvinden. Het mag stormen, sneeuwen, ijzelen; de trein rijdt. Geen luchtalarm houdt hem tegen: de trein rijdt. Onze bondgenoten gooien hele spoorwegknooppunten in elkaar, vernielen bruggen en loodsen, reparatie- werkplaatsen en materiaal, maar de trein rijdt. Men heeft in Amsterdam gestaakt om de wegvoering van een paar honderd Joden, maar hier voert hij ononderbroken duizenden weg en iedereen doet zijn plicht en geen mens weigert; geen dwarsligger gaat van zijn plaats en geen moer zit los.
De trein is de duivel. Zoals hij uit het duister opdoemt met zijn dofglorende koplampen, zoals hij met een schril gefluit zijn triomf over ons uitgilt, zoals hij klotsend bonkend langzaam langs het peroon glijdt en eindelijk stilstaat in heet gesis en trillende nadreun, lijkt hij een voorwereldlijk dier van ontzaggelijke kracht, de draak uit een boosaardige mythe. Plotseling staat hij midden in het kamp, als door een toverspreuk uit de hel omhoogbezworen.
(uit: Jacques Presser, de Nacht der Girondijnen, 1974)
Het deel van de tentoonstelling, dat erna zou moeten komen, deel vijf bij wijze van spreken – de tijd na de oorlog dus – en de lotgevallen van de Joden van toen tot nu, komt in deze tentoonstelling nauwelijks meer ter sprake. Jammer misschien, want dat zou ons hebben kunnen leiden naar de problematische actualiteit van Israël en Palestina van nu. Maar goed, dit heeft inderdaad ook niet meer direct met Anne Frank of met haar Dagboek of met haar het kamp overlevende vader Otto of met de helpster Miep Gies te maken. Maar daarmee is de link naar nu zeker niet weggewist.
Een thema, dat in deze tentoonstelling kort wordt aangesproken, is het thema: Nationalisme, toen en nu? De vraag ernaar wordt hier wel gesteld, maar niet uitgewerkt.
Een tweede thema, dat hier wordt aangesproken, is het thema: Zuiveringen, toen en nu? Ook deze vraag is een brandende, zeker ook in ons Europa van na 2000, van het nieuwe millennium dus. Ook deze vraag wordt hier wel gesteld, maar niet verder uitgewerkt. De vraag zal dus wel bedoeld zijn als een vraag, die ons tot verder nadenken moet leiden.
Hulp aan de naasten, toen en nu?Ook hier is de vraag actueel temidden van natuurcatastrofen en ook wel van tragedies door mensenhand veroorzaakt. De vraag wordt slechts gesteld en met deze vraag worden we dan naar huis gestuurd.
Een algemeen thema, dat overal doorheen klinkt, is het thema: Hoe is dit kunnen gebeuren en zou het nu nog kunnen gebeuren? De eerste vraag is er een, waarmee heel Europa zich al vijftig jaar bezig houdt.Het antwoord is er nog steeds niet en zal er waarschijnlijk ook nooit komen. Maar zou zoiets nog kunnen gebeuren? Het gebeurt! En daarom is b.v. de oproep van de president „In Gods naam, nooit meer/weer!“ of haar benadrukken van tolerantie iets actueels en iets, waar we wat mee kunnen doen, als we dat willen.
Nog iets, en weer … last but not least. Door de hele tentoonstelling klinkt de vraag: Heeft dit jeugdige meisje, deze puber eigenlijk, de moderne jonge mens nog wat te zeggen? Toch wel, hier wordt ons een meisje getoond – jong, levendig en ondanks de opsluiting en de dreiging van vervolging optimistisch – dat naar de toekomst blijft kijken, niet bij de pakken gaat neerzitten en vecht voor een normaal bestaan. Ze wilde zelfs schrijfster worden en heeft daarom in het Achterhuis de tweede versie van het dagboek al voor druk klaargeschreven. Een gewone jonge springlevende mens, die onder de dreiging van de dood, dag in dag uit, spattend van leven blijkt en blijft. Is dat niet wonderlijk en wellicht een stimulans voor de jonge mens van nu?
Kerava, 9.3.2001
Drs.lic. Peter Starmans
lehtori
Van steentijd tot Nokia; de geschiedenis van Finland
Van steentijd tot Nokia; de geschiedenis van Finland.
Lees hier een bespreking over dit eerste Nederlanstalige geschiedenisboek over Finland.
Peter Starmans bespreekt in dit artikel het boek van Arnold Pieterse over de Finse geschiedenis: “En toch, ondanks deze woorden van kritiek wil ik hier graag en nogmaals herhalen, dat het goed is dat er nu voor het eerst in het Nederlands een breder overzicht is geschreven over de Finse geschiedenis ‘van het begin tot nu toe’ op een heldere, duidelijk en zeer goed leesbare manier. “
Van steentijd tot Nokia
Geschiedenis van Finland
Eerste geschiedenisboek over Finland vanuit Nederlands perspectief!
De achterflap van de pocket begint dus zo:
“De geschiedenis van Finland voor het eerst uitgebreid beschreven in het Nederlands! Finlandkenner Arnold Pieterse presenteert in dit boek de Finse geschiedenis van de prehistorie tot de tegenwoordige tijd. Fragmenten waarin markante historische personen en/of gebeurtenissen nader worden uitgelicht illustreren de tekst.
Finland is meer dan 600 jaar deel van Zweden geweest, in 1809 werd het een autonoom groothertogdom onder de Russische tsaar en sinds 1917 is het onafhankelijk. Maar hoe is dit allemaal in zijn werk gegaan? En hoe groeide Finland uit tot een van de modernste staten ter wereld?”
Arnold Pieterse heeft inderdaad een vrij uitgebreid en goed geschreven boek gemaakt over de geschiedenis van Finland tot nu toe. “Vanuit Nederlands perspectief” lijkt me echter een beetje teveel gezegd, maar in ieder geval hebben we hier een kijk op de Finse historie van een Nederlandse Finlandkenner, die anders en gedeeltelijk objectiever tegen de Finse geschiedenis aan kan kijken dan een Fin zelf wellicht. En hij kijkt er ook anders tegenaan dan een Engelsman, een Fransman of een Duitser. Accoord. Vanuit laatst genoemde perspectieven zijn er – zeker in het Engels en het Duits – al boeken genoeg verschenen. We kunnen er Arnold alleen maar dankbaar voor zijn, dat hij ons nu eindelijk eens iets in het Nederlands voorschotelt, vlot geschreven en als samenvatting vanuit historisch-politiek standpunt grotendeels verantwoord en helder. Vandaar is het zonder meer de moeite waard, dit boek nauwgezet te lezen en zo een enigszins verantwoord beeld ervan te krijgen hoe de golven van de historie over Finland heengespoeld zijn. Deze bufferstaat, geklemd of gelegen toch tussen de grootmachten Zweden en Rusland in, die dan uiteindelijk onafhankelijk geworden is en (min of meer) zelfstandig zijn eigen geschiedenis in handen heeft mogen nemen.
Vanaf de komst van de eerste Zweedse migranten (ridders, soldaten, avonturiers en priesters) rond 1150 tot aan 1809/12, toen Finland bij het Russische rijk werd ingelijfd, kwamen de golven van invloed op het Finse gebied vooral vanuit het westen, dus door Zweden en Denemarken – het centrum van het heersende westrijk van de Oostzee tot rond 1500 – en zeker ook via Noord-Duitsland en de Baltische kuststreken, de kerngebieden van de Hanze.
Na 1500 werd de invloed vanuit Denemarken wezenlijk zwakker en kwam Zweden als zelfstandig koninkrijk onder o.a. de Wasa’s naar voren – en wat de zeehandel betreft ook bijvoorbeeld Holland. Van het begin af aan (vanaf 1150 dus) werd de kerkelijke organisatie in Finland veelal parallel met de staatkundige en economische organisatie vanuit Kopenhagen, later Stockholm zeer autoritair bepaald en legden zo West-Finland, Zuidwest-Finland en meer en meer ook Zuidoost-Finland een structuur van bovenaf op. Het wat ongrijpbare, zwaar beboste en bemeerde Middenfinland werd pas langzaamaan en beetje bij beetje op de natuur en de daar wonende mensen ‘veroverd’.
Bij de laatste gebiedsaanduiding ‘Zuidoost-Finland’ is het al duidelijk, dat we de Finse zaken niet alleen vanuit het westen, maar zeer zeker ook vanuit het oosten moeten bekijken, want Novgorod en later Moskou en nog later Petersburg hadden van meet af aan ook grote interesse voor Finland. In (vooral Oost-)Finland botsten daarom de kerkelijke en staatkundige belangen van oost en west nogal eens op elkaar. Met oorlog en alle ellende van dien. Dat geeft wel de positie van het Finse grondgebied weer als bumper (of buffer = stootkussen!) tussen twee grootmachten in, en wel grootmachten, die juist in Finland regelmatig – keer op keer en keihard – op elkaar botsten en het land en het volk van deze bufferstaat veel leed hebben berokkend. Zich over het land ontfermen, het beschermen en de mensen bij hun ontwikkeling verderhelpen, is mooi gezegd of gedacht, maar komt jammergenoeg vaak weinig overeen met de brutale realiteit van de overheersing. Nu niet en toen niet! Over de ups en downs van het Finse volk had ik in de tekst eigenlijk graag wat meer willen lezen!
De Finse prehistorie van vóór 1150 – wat Zweedse of Latijnse schriftelijke bronnen betreft – en zelfs die van vóór 1500 – wat Finse bronnen betreft – wordt gelukkig in dit boek maar kort behandeld, al is het wel zeker, dat de bewoning van Finland veel ouder is dan 1150 en dat de Vikingen bijvoorbeeld zeer zeker via de zuidkust van Finland – nawijsbaar zijn ze bijvoorbeeld in Wiborg – handel met het nabije en verre oosten gedreven hebben. Gelukkig gaat Arnold ook niet te diep in op de herkomst van het Finse volk en de Finse taal, want daarover wordt tussen vakgeleerden nog steeds fel gestreden en het is dan wel goed dat de historische buitenstaander voorzichtig is.
De directe invloedgolf vanuit Rusland begint concreet al rond Wiborg in 1710 en wat heel verder Finland betreft rond 1810. Deze overwelvende golf duurde dan tot 1917, toen het ‘Oude en Nieuwe Finland’ grotendeels zelfstandig werd en gelukkig ook bleef. Tot nu toe dus, van Steentijd tot Nokia, van een primitief dunbevolkt gebied met boeren, vissers en houthakkers tot een hoogmoderne en technologisch verontwikkelde EU-staat.
De behandeling van de golvende politieke bewegingen tussen 1150 en 2000 is nu in dit boek – zoals al gezegd – geslaagd en helder gebracht. Dank daarvoor Arnold.
Een paar opmerkingen mijnerzijds kunnen misschien helpen, te weten waar de grenzen van deze pocket liggen.
De volksstem mis ik wel wat, het zogenoemde sociale element. Het gaat vaak over koningen, tsaren, hertogen, generaals en soldaten, over kartano-(grootgrond)bezitters en rijke kooplui, maar het gewone Finse volk, de gewone man, de boertjes en buitenlui, de torpparit en pikuporvarit en de kleine luiden in de steden, waar blijven die? Wat hebben die geleden en hoe hebben ze gereageerd? Soms opstandig, soms onderdanig, soms fel en soms meegaand. Daar had ik graag wat meer over gehoord. De politieke gebeurtenissen (ook ruzies en oorlogen) waren vaak van bovenaf of buitenaf doorgevoerde Zweedse of Russische Finlandpolitiek. Maar de heersende klasse had ook echt Finse onderdanen, die een Fins dialect spraken en in een Finse traditie opgevoed waren. Hoe leefden en reageerden die mensen en mensengroepen?
Het gebied Finland is ook – en militair-politiek gezien zelfs vaak – met name de oostelijke streken van het land geweest, vooral dan Karelië en Savo. Bij Arnold wordt bijvoorbeeld wel apart en uitvoerig Helsinki behandeld, maar deze stad werd eigenlijk pas na 1800 belangrijk voor heel Finland, ervóór was het klein en onbetekenend, ook al was het door koning Gustav I Vasa persoonlijk in 1555 in het leven geroepen. Ik zou ook wel graag wat meer en samenvattende berichten gezien hebben over de stad Turku (toch rond 650 jaar de belangrijkste stad in Finland!) en bijvoorbeeld over de stad Wiborg (militair en vanuit het standpunt van de handel lange tijden minstens even belangrijk dan Turku en zeker dan Helsinki), wellicht ook over de burcht Savonlinna en het stadje Lappeenranta en misschien zelfs over steden als Tampere en Lahti als belangrijke Finse industrieplaatsen. Dus mijn bezwaar tegen de tekst is hier vooral de te sterke beperking tot Helsinki, ook al is het moeilijk binnen een klein raam veel meer te behandelen.
Arnold zei me overigens zelf, dat hij dát in zijn boek heeft behandeld wat hem in de loop van zijn kennismaking met Finland is gaan interesseren en dat is uiteraard zijn goed recht. Ik denk dus ook dat hij dit boek niet ziet als een nu al afgewogen en volledig uitgewerkt geschiedkundig overzicht van de hele Finse geschiedenis, maar als een eerste poging ertoe. En dat kan ik alleen maar positief benoemen. Als zodanig ben ik het helemaal met hem en zijn boek eens.
Jammer is het voorts dat er geen illustraties in het boek zijn. Maar dat wilde de uitgever om financiële redenen niet, Arnold had er uiteraard juist wel op gehoopt. Maar hij moest buigen voor de wens en het budget van de uitgever, jammer misschien maar waar en realistisch. Een beeld zegt echter vaak meer dan vele woorden, vandaar mijn illustratieve wens.
De kaarten bij de respectievelijke periodes zijn verder wat mager en niet echt verhelderend. Iedere periode heeft zijn eigen grenzen, zijn eigen gebieden en zijn eigen steden van belang. Die had ik er telkens graag op gezien. Maar ook hier is de verklaring gewoon het kleine budget van de uitgever, zei Arnold me. Telkens de kaart grondig veranderen kost geld. En de uitgever kon niet veel investeren in dit boek vanwege eigen financiële problemen, vandaar. Ter verklaring ook schrijft Arnold me: “De uitgever, KIT Press, heeft er toch maar voor gezorgd dat het boek kon worden uitgegeven, alle andere uitgevers die ik heb benaderd, zagen er geen brood in.” Dit kan ik – ook van de kant van de uitgever – alleen maar billijken en accepteren. Maar daarbij blijft mijn opmerking wat de kaarten betreft wel staan als wens. Bij een herdruk bijvoorbeeld?
Tot slot had ik graag een kritische en de genoemde werken besprekende bibliografie gezien met wat boeken en artikelen die voor de Nederlandse lezer eventueel bereikbaar zijn. De gegeven bibliografie is wat chaotisch en willekeurig. In het Duits en Engels bijvoorbeeld is er meer aan te geven als hier wordt gedaan.
En toch, ondanks deze woorden van kritiek wil ik hier graag en nogmaals herhalen, dat het goed is dat er nu voor het eerst in het Nederlands een breder overzicht is geschreven over de Finse geschiedenis ‘van het begin tot nu toe’ op een heldere, duidelijk en zeer goed leesbare manier. Dank hiervoor, mijn beste Arnold.
6 januari 2007, Peter Starmans, lehtori
Van steentijd tot Nokia De geschiedenis van Finland
A Pieterse
ISBN 9068326287 | Paperback | 272 p. | 2006 | € 24.50 |
Mannerheim familie komt uit Hamburg!
De familie van Mannerheim komt oorspronkelijk uit Hamburg en is via Zweden naar Finland gekomen, hebben Arnold Pieterse en anderen uitgezocht.
De Mannerheim familie komt oorspronkelijk uit Noord Duitsland, en niet, zoals algemeen werd aangenomen, uit Nederland.
In een studie, gesponsored door Finlands Adelsförbund and Suomen Marsalkka Mannerheimin Perinnesäätiö, hebben Arnold Pieterse, Georg Haggrén en Peter Starmans bewezen dat de Mannerheim familie oorspronkelijk afkomstig is uit Hamburg, in Noord Duitsland.
De stichter van de Mannerheim familie, Henrik Marhein, die zich omstreeks 1648 gevestigd heeft in de Zweedse stad Gävle, is op 28 december 1618 gedoopt in de St Jakobi kerk in Hamburg. Zijn vader, Henning Marhein, werd in 1607 burger van deze stad.
De reden waarom tot nu toe werd aangenomen dat Henrik Marhein uit Nederland afkomstig was, is gebaseerd op een studie van de Finse onderzoeker Lesch in 1924. Lesch had brieven van Marhein gevonden die in het Nederlands waren geschreven. Bovendien had hij documenten gevonden, die er op wezen dat Henrik Marhein nauwe handelsbetrekkingen had met kooplieden in Amsterdam.
In alle Mannerheim biografieën zijn de conclusies van Lesch (1924) overgenomen.
Het opnieuw bestuderen van Henrik Marhein’s Nederlandse brieven in de Zweedse archieven heeft uitgewezen dat hij de brieven niet zelf heeft geschreven. Een belangrijke aanwijzing hiervoor waren Duitse onderschriften, in een zeventiende eeuw’s handschrift dat duidelijk verschilt van het zeventiende eeuw’s Nederlandse handschrift in de brieven zelf. Uiteindelijk kon vastgesteld kon worden welk handschrift door Marhein zelf was geschreven en welk handschrift niet.
Nadat op deze indirecte manier was aangetoond dat Henrik Marhein vermoedelijk afkomstig was uit Duitsland, werd het onderzoek, dat eerst op Nederland en België gericht was geweest, naar Duitsland verplaatst. Hierbij werd Hamburg gezien als een van de mogelijke plaatsen waar Marhein vandaan was gekomen, omdat volgens een oud document in een archief in Stockholm, zijn Zweedse zwager, Johan Gammal, daar een bepaalde tijd gewoond heeft.
Nadat contact op was genomen met het nationale archief in Hamburg, werd het duidelijk dar er een goede kans bestond dat Henrik Marhein uit die stad afkomstig was. Via e-mail werd een bericht ontvingen dat inderdaad een familie Marhein in die stad had gewoond in de zeventiende eeuw. Tijdens een bezoek aan dit archief werd in een kerkboek van de St. Jakobi kerk de notitie gevonden die betrekking heeft op de doop van Henrik Marhein op 28 decmber 1618. De familie Marhein woonde van 1607 tot 1653 in de Steinstrasse op de hoek van Spersort. Het huis bestaat niet meer, maar op de zelfde plaats staat nu het kantoor van het weekblad ‘Die Zeit’.
Het eindrapport zal op maandag 26 maart om 18.15 worden gepresenteerd in de geschiedenis faculteit van de Universiteit van Helsinki (Historian laitos, Unioninkatu 38 A, 2 kerros).
Watersnood 1953

Ondanks het dramatische en tragische van de herinnering aan deze gebeurtenissen toch wel wonderlijk: er kwam in mij een gevoel van nostalgisch heimwee en ook wel van een beetje nationale trots op, toen ik merkte dat Helsingin Sanomat tussen 2 en 17 februari vrijwel dag in dag uit in de rubriek “Helsingin Sanomat 50 vuotta sitten” (HS vijftig jaar geleden) met foto’s en al berichtte over de tragische gebeurtenissen daar rond dat zuidelijk bekken van de Noordzee. Over deze HS-berichten direct nog iets uitvoeriger.
Vreemd toch eigenlijk dat bij het memoreren in een Finse krant van een zo grote catastrofe gevoelens van nostalgie over dit verleden en heimwee ernaar en zelfs emoties van nationale trots opkomen. Hoe kan dat eigenlijk? En treurigheid heb ik niet of nauwelijks gevoeld!

Nostalgisch heimwee?
Ik was toen erbij en ook niet erbij. Ik woonde in het oosten van het land en niet in het getroffen westen. Ons goed katholiek gezin leefde in Nijmegen, hoog en droog voor Nederlandse begrippen.
Onze innerlijke banden vanuit die zo lang onderdrukte generaliteitslanden in het zuiden met Holland en Zeeland waren nog steeds niet zo innig en hartelijk, Holland en Zeeland stonden in katholieke kring nog immer te boek als te streng en calvinistisch, dat was ons zo door opvoeding en school ingeprent, vreemd eigenlijk, niet waar? En dit alles werd nog benadrukt via het beroemde Canisiuscollege van de paters Jezuieten waar ik op school ging, een burcht van goed katholiek rijk Rooms leven.
En toch deed deze ramp ons toen iets, het doorbrak weer eens een beetje meer de nog steeds bestaande muur tussen Oost/Zuid- en West/Noord-Nederland. Goed zo! Ook wij zaten vaak bij de radio, onze Gelderlander berichtte met foto’s en al uitvoerig over de gebeurtenissen. En bijvoorbeeld de bezoeken van Koningin Juliana aan het rampgebied en haar indrukwekkende radiotoespraak staan me nog levend in herinnering. Dus nostalgie is toch wel op z’n plaats en misschien ook het heimwee naar de beschermde wereld van toen, toen we nog hart hadden voor de naaste, ondanks allerhand nog gedeeltelijk onverwerkte vooroordelen.
En hoe zit het dan met die nationale trots?
Nationaal?
Dat kan niet zonder meer passen, want ook Schotland, oostelijke kustdelen van Engeland, Noord-Duitsland en werden gedeeltelijk door dezelfde orkaan zwaar getroffen.
Trots?
Op een catastrofe met zovele slachtoffers – er stierven alles tezamen bijna tweeduizend mensen! -kun je moeilijk trots zijn. En op het klaarblijkelijk zo onvoorbereid zijn op zo’n ramp kunnen we eigenlijk ook nauwelijks trots zijn. Was het immers niet zo, dat de dijken toen in 1953 in een nogal slechte toestand waren en sedert de oorlog niet echt grondig gerepareerd waren. Dus een beetje toch onze eigen schuld, dat de omvang van de ramp zo groot was? Alleen de hoogstnoodzakelijke noodreparaties waren verricht om geld te sparen en ander na-oorlogs leed te lenigen. Wel begrijpelijk, maar toch …
En overmijdelijk? De kracht en de macht van de storm was uitzonderlijk en in deze omvang niet te voorzien, maar achteraf heb ik uit commentaren en analyses begrepen, dat het toch wel mogelijk is geweest en ook gebeurd is, enigszins het gevaar te voorzien en dat dus bij tijdige waakzaamheid het een en ander voorkomen mogelijk en beter geweest zou zijn dan het genezen ervan achteraf. Nederland is toen, op de eerste februari 1953, inderdaad uit zijn diepe zaterdagse slaap wakkergeschud en in de loop van Zondag 1 februari in groeiende paniek ontwaakt in een realiteit die eigenlijk voor onwaarschijnlijk gehouden werd. Maar dat is gepraat achteraf en “De beste stuurlui staan aan wal!”. Hoe dan ook, onze dijken waren toen niet echt in orde want na de oorlog hadden de mensen betere en belangrijkere dingen te doen, dachten ze tot dan nog. Klaarblijkelijk ten onrechte, maar ja … achteraf heb je makkelijk praten, zoals gezegd.

Wel mogen we trots zijn op de hulp, die niet snel kwam – ontwaken uit een diepe slaap duurt meestal een geruime tijd. Maar toen die eenmaal op gang was gekomen, werd er wel effectief geholpen, vanuit de lucht en vanaf het water, op vrijwillige basis en met dienstdoende soldaten. De hulp en de inzet van de mensen toen was indrukwekkend. Saamhorigheidsgevoel verzet bergen en doet wonderen. Dat was toen zeker ook waar. Trots mogen we ook zijn op de gevolgen van de ramp en op het snelle politieke besluit, het zuidwesten van het land voor eens en voor al van de ellende van het dreigende water te bevrijden. Hoe? Met de Deltawerken! Jazeker! Ze zijn stante pede gepland, gefinancieerd en uitgevoerd, en die zijn een reden en een realiteit om trots op te zijn. Internationaal heeft dit alles de roep van de Hollanders, dat ze waterweringen kunnen bouwen, duidelijk bevestigd. Maar …
“Als het kalf verdronken is, dempt men de put”
U kent het spreekwoord wel. En de vermelde gebeurtenissen van februari 1953 zijn u ook zeker welbekend. Toen stierven er vele duizenden kalveren – en andere voor onze boeren en onszelf zo belangrijke dieren als koeien en varkens – door verdrinking, vooral in het zuidoostelijke en zuidwestelijke bekken van de Noordzee richting het Kanaal. En niet alleen dieren stierven er bij bosjes, maar ook vele honderden, nee, dus bijna tweeduizend mensen. Ook enorm uitgestrekt gezond en welvarend land liep en stond lang onder (zout) water en veel mensen werden voor kortere of langere tijd dakloos.

In Nederland heeft men de catastrofe-gebieden weliswaar niet zoals gevaarlijke waterputten gedempt – ook al hebben we de enorme binnengestormde en binnengestroomde watermassa’s zo snel mogelijk overal teruggedreven of weggepompt, weer terug de zee in! Maar het zeewater mocht blijven waar het geweest was, we wilden het onderstroomde gebied niet in zijn geheel droogleggen, we wilden alleen maar het tot dan toe ingepolderde en bewoonde land beschermen tegen het wilde water. Dat droogleggen van zeebodem was al wel genoeg gebeurd in de Zuiderzee, nu het IJsselmeer.
We hebben het ondergelopen gebied door de Deltawerken (1953-1987) afgegrendeld en er a.h.w. een gesloten en beschermde waterput van gemaakt, om stormen en aanvallen van de zee uit – zoals die van 1953 – in de toekomst af te kunnen slaan. Mooi zo, hoor ik u al zeggen, ik weet echter heus niet of alle milieu-deskundigen u dit na zullen zeggen en ook denk ik niet dat de mosselkwekers en de vissers uit de getroffen gebieden over de gevolgen van deze misschien noodzakelijke maar ook wel erg ingrijpende ingrepen in de natuur zo wildenthousiast waren of zijn. Zij moesten per slot leven binnen dit door de zo beroemde Nederlandse waterbouwkundigen ontworpen en uitgevoerde Delta-corset. En dat was niet zonder meer verder mogelijk! Ook in de natuur, de bodem-, water- en levenskwaliteit en de waterhuishouding in het zuidwesten van Nederland is er in de loop van de afgelopen vijftig jaar veel meer veranderd dan vroeger werd aangenomen en deze veranderingen zijn echt niet alleen maar positief. Misschien is de gemaakte waterput zelfs soms een beetje in een beerput aan het veranderen?
Maar alles goed en wel, kunnen we rustig zeggen, naast terechte trots is ook bescheidenheid op z’n plaats, want “De mens wikt, maar God beschikt” en behalve mijn kritisch waarderen van de veranderingen heeft ook de telkens terugkerende waterdreiging van de riviergebieden van Maas en Rijn – in februari 1995 bijv. – en die van de Elbe en de Oder – in Duitsland in 2001 – wel weer bewezen, dat we er nog lang niet zijn met onze waterkeringen en dat de mens vaak door eigen fouten het natuurlijke effect van dooi, wind en regen in de weg staat en zo veroorzaakt dat de natuur in opstand komt en hard toeslaat. We moeten dus leren, met de natuur verstandiger om te gaan en ons er beter op voorbereiden. Een ge-integreerd model van natuurbeheersing hebben we nog niet ontwikkeld. Het evenwicht is er niet meer, doordat we vaak te veel ingegrepen hebben. De rekening krijgen we telkens gepresenteerd.

Maar goed, na al dit gefilosofeer nu weer even terug naar het gedenkserietje over de watersnood 1953 van Helsingin Sanomat. Finland leefde toen wel met ons mee, en dat doet ons ook nu nog goed, denk ik!
Het opschrift van de serie luidt:
“De dijken in Nederland breken door. Rotterdam staat gedeeltelijk onder water. De strijd van 300 jaren tegen het water is voor een groot deel verloren gegaan.”
(HS op maandag 2 februari)
De strijd van de Nederlanders tegen het water is uiteraard al veel ouder, de terpen in het noorden van ons land getuigen bijv. daarvan. En verlorengegaan is er niet zo veel, maar het heeft ons wel enorm veel geld, moeite en tijd gekost om de schade te herstellen en de situatie te verbeteren.
Wat me in het bericht van de derde februari opviel, was de benadrukking van de nood aan de oostkust van Engeland, vooral de precaire situatie op het eiland Canvey. Daar werd in de daaropvolgende dagen telkens op teruggekomen. En dat terecht, want het geheel betrof een West-Europese catastrofe en niet alleen een ramp in zuidwest Nederland. Dat relativeert toch wel onze nationale gevoelens.
Op de vierde februari wordt vooral benadrukt, dat er door deze catastrofe niet alleen een menigte doden, maar ook enorm veel mensen dakloos gemaakt werden en dat er ook velen geëvacueerd moesten worden, voor vaak langere tijd. Op 6 februari wordt er al hulp aangekondigd vanuit Finland en deze hulp werd georganiseerd en gecoördineerd door de Fins-Nederlandse Vereniging. Een eerste geldgeschenk kwam van President Paasikivi van Finland. Velen volgden zijn voorbeeld en vooral ook geschenken in de vorm van dekens en kleding werden op de vorige Nederlandse Ambassade in de Raatimiehenkatu verzameld en doorgestuurd. Hulde aan het Finse volk! Thuis heb ik uit de erfenis van mijn vader nog een verzilverd lepeltje uit 1940 met als opschrift: “Gedenk het dappere Finsche volk”. Mijn vader heeft het zeker gekocht ter ondersteuning van dat verre toen nog weinig bekende, maar wel zeer dappere volk. Toen had Nederland – zelfs in de krappe tijden van vlak voor de oorlog zoals ook in die rond 1953 – geld en sympathie over voor Finland in zijn nood rond de Winteroorlog. En deze geldinzameling voor Finland – via de post, het posthoorntje staat duidelijk ingegraveerd in het lepeltje! – viel denk ik tussen het einde van de winteroorlog, 13.03.1940 en het begin van de oorlog in Nederland op 10.05.1040.
Op de zevende februari wordt de omvang van de ramp pas duidelijk en stelt men het aantal doden reeds op 1357. Het zouden er uiteindelijk volgens de gegevens hier verstrekt in Nederland 1395 worden, in Engeland 435, in België 19 en in Noord-Duitsland 7 . 1856 slachtoffers van deze catastrofe, een hele hoop. En dan spreken we niet eens van de 35.000 stuk vee en de vele onbruikbaar geworden woningen en stallen.
Op 9 februari wordt er uitvoerig aandacht besteed aan de radiotoespraak van Koningin Juliana. De laatste zin van het bericht citeer ik vertalend: “Koningin Juliana zei in haar toespraak, dat al dat weten dat er in Nederland bestond rond het bouwen van dijken, niet voldoende geweest is om zo’n groot ongeluk te voorkomen. “ Toch een korte opmerking hierbij: in het Fins bestaat er een onderscheid tussen ’tieto’ en ’taito’, tussen het theoretisch weten van dingen en de toepassing van dat weten in de realiteit. En in dat laatste zijn wij – om welke redenen dan ook – wat het bouwen van de dijken betreft, in de tijd voor 1953 ernstig tekort geschoten. Jammer maar waar.
Op 11 en 12 februari volgt er het verslag van een tweede stormvloed, maar minder gevaarlijk dan de eerste en uiteindelijk niet meer zo dodelijk. Op 15 februari geeft HS dan de trieste balans van het aantal slachtoffers, zoals boven al vermeld.
Het laatste bericht op 17 februari was eigenlijk heel ontroerend. Voor Nederland werd er in de feestzaal van de Universiteit van Helsinki – waar ik al sedert 1975 werk – een concert georganiseerd, waarvan de baten naar de slachtoffers van de watersnood gingen. Mevrouw Alli Paasikivi, de echtgenote van de president van Finland, trad als beschermvrouwe van dit concert op. Dat bericht deed me wat.
Een laatste misschien onnodig kritische opmerking over de serie. Maar zoals u weet, kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Een leraar blijft tot z’n dood een leraar, zoals een dominee een dominee! Zoals ook nu nog vaak, is het klaarblijkelijk in Finland moeilijk Nederlandse namen te schrijven (en uit te spreken, denkt u maar aan de uitspraak in de teevee van Wim Duizenberg of Vincent van Gogh!). Bij de foto’s lees ik Maaslus voor Maassluis, Flushing voor Vlissingen, in de tekst zelf zie ik de naam William Drees voor ons onvergeten echt Hollandse en zeker niet BBC-Engelse vadertje Willem Drees … maar okee, dat zijn natuurlijk kleinigheden, vergeleken met de sympathie die uit de herinneringen in Helsingin Sanomat naar voren komen, een sympathie van het Finse volk voor het Nederlandse, in 1953 maar ook nu nog in het jaar 2003! Hopelijk blijft deze vriendschap bestaan en is dan nog wel wederzijds.

Nog een paar slotopmerkingen over verder zoeken naar gegevens over en rond de watersnood. Via http://www.google.nl/ kun je natuurlijk allerhand vinden via passende sleutelwoorden als ‘watersnood 1953’, ‘deltawerken’ etc. Om mijn en wellicht ook uw enthousiasme een beetje te matigen: ik heb in mijn lessen materiaal over de watersnoodramp 1953 uit http://www.volkskrant.nl/ en http://www.rnw.nl/ – de uitermate rijke internetsite van Radio Nederland Wereldomroep! – met succes gebruikt. Het materiaal is en blijft waardevol. Maar op mijn vraag, wat de studenten er eigenlijk over wisten, kwam het antwoord: eerlijk gezegd helemaal niets. Ze zijn van een latere generatie en het is goed voor mensen van de oude garde als ik te weten, dat 1953 echt vijftig jaar geleden is en dus historie en geen actualiteit meer. OK. De foto’s die ik in de tekst heb opgenomen, stammen vooral uit http://www.politiemuseum.nl/. http://www.gelderlander.nl/ heeft uiteraard een eigen watersnoodarchief, evenals http://www.omroep.nl/.Hoogst boeiend was de zeer open en informatieve site van ons eigen meteorologisch instituut http://www.knmi.nl/. Daar staan verrassende en ware informaties, geschreven door mensen die het echt weten kunnen. De watersnood 1953 is in Nederland en dus ook in de Finse krant Helsingin Sanomat uitvoerig herdacht, en over dezer herdenkingen is ook allerhand te vinden in het web. Ik wens u veel succes bij het zoeken. Over de Deltawerken vindt u meer onder http://www.deltawerken.com/; een algemeen en zeer informatief profiel uit de NRC van mei 1977 vindt u via http://www.nrc.nl/. Dit zijn maar een paar aanwijzingen, zelf zoeken biedt zeker informatie die u persoonlijk vooral interesseert. Veel succes bij het zoeken en lezen. En tot slot een vriendelijke groet.
Kerava, maart 2003
Peter Starmans
Oud-voorzitter van de Nederlandse Vereniging in Finland,
Vice-voorzitter van de Fins-Nederlandse Vereniging,
Lector voor de Nederlandse Taal en Cultuur aan de UvH.

Armandus de Caluwé - Eerherstel voor een neef
Armandus de Caluwé (1911-2002). De familienaam klinkt ons bekend in de oren, de voornaam eigenlijk niet zo. Betreft het hier wellicht een broer of een neef of een oom van pater Robert? Waarde lezer/es, ik schrijf hier over een oudere, volle neef van Robert de Caluwé (1913-2005). Armand was de oudste zoon van Polydore de Caluwé (1881-1967), de jongere broer van Henricus de Caluwé (1873-1955), vader van Rob. De oudere neef nu, Armand de Caluwé, verdient eerherstel, ook al, omdat hij vrijwel zeker een eminent en inspirerend voorbeeld is geweest bij de realisering van Rob’s verlangen, priester te worden van de orthodox-katholieke kerk.
Beiden waren geboortig uit Zeeuws-Vlaanderen, beiden waren intern op school in Oudenbosch: de een op het Instituut Saint Louis, de ander op de kweekschool. Beiden woonden later jarenlang in Rome, studerend aan het Russicum. Armand was daar van 1932 tot 1938, toen hij in 1937 priester gewijd werd en uiteindelijk in 1938 naar Finland ging; Robert van 1934 tot 1940, toen ook hij priester gewijd werd (al in december 1939) en ook hij naar Finland kwam, gestuurd weliswaar door Rome, maar dan toch wel op instigatie van Armand, die daar al woonde en werkte. De beide neven werken ook daar in Finland tot ver in de jaren vijftig veel en intensief samen.
Geen toeval dus is het duidelijke parallelisme van hun beider leven, waarbij de voorganger Armandus heette en de trouwe navolger Robertus. Jammer dat Rob zich hier bij mijn weten nooit expliciet over heeft uitgelaten en zich zo liever met de aura van zelfstandige roeping naar Rusland heeft willen omgeven, ofschoon het bij nader toezien – en dat heb ik nauwkeurig gedaan – eigenlijk duidelijk is, dat de zaken eenvoudiger en menselijker lagen: de een, Armand, ging voor en de ander, Robert, kwam mee. Roeping is geen vage mystiek, maar concrete realiteit. En waarom ook niet? Beiden hebben ons qua persoonlijkheid en werking zeer overtuigd. Ik wil dus in dit artikel Robert niet afvallen, maar wel wil ik zijn neef Armand de Caluwé het verdiende eerherstel geven, wat zijn roeping en zijn werk als ‘missionaris’ en als leraar in Finland betreft.
Als de dag van vandaag herinner ik me nog het prachtige, krachtige en regelmatige handschrift van mijn collega Juhani Ailisto – oud-docent Nederlands aan de Finse universiteit Oulu – en ook (wat weken later) de persoon zelf, die bij die zo Fins klinkende naam hoorde: een kleine, maar stevige man van al over de tachtig. Hij woonde de Scandinavische bijeenkomst van docenten Nederlands in Helsinki op mijn verzoek bij. Hij had zijn docentenwerk natuurlijk grotendeels al aan anderen doorgegeven, want op zijn leeftijd was rust in werk toch wel aangebracht.
Jussi Ailisto noemde hij zich vanaf eind jaren vijftig, toen hij in Ii bij Oulu was gaan wonen en daar een gezin gesticht had. Daarvóór was hij echter algemeen bekend geworden in katholieke kringen – maar zeker ook daarbuiten – als pater Armandus, oftewel als Armand de Caluwé, die eind 1938 in Finland ‘geland’ was – misschien niet met een Finnair-toestel, maar toch … hij was in Finland ‘aanbeland’, ‘aan land gekomen’. En die in dit land als priester en leraar bovendien succesvol zou gaan werken.
Armand de Caluwé was in 1937 priester gewijd in Rome, de priesterstudie had hij daar gevolgd en hij was lid van de priesters van de oosters byzantijnse ritus, ge-unieerd orthodox of orthodox-katholiek, om het duidelijker te zeggen. Zijn werkterrein had hij oorspronkelijk gedacht en gehoopt in Bohemen te vinden, maar door de inval van Hitler in het toenmalige Tjechoslowakije was deze droom uiteengespat. Wat nu? Pater Deelen was in Wiborg en Helsinki werkzaam, maar raakte met Armand bekend en bevriend in Rome. Daar wees deze hem op een mogelijkheid als missionaris in Finland te gaan werken. Vooral in Oost-Finland was er veel contact met de Russisch orthodoxe kerk en voorts woonden er heel wat orthodox katholieke Kareliërs in de streken rond de oude stad Wiborg. Armand voelde er veel voor en vroeg bij zijn superieuren in Rome en in Helsinki toestemming, in Finland te mogen gaan werken als katholiek priester van de byzantijnse ritus. Dit verlof werd hem verleend. Ook wilde hij zijn Slavische studies verdiepen en afronden aan de universiteit van Helsinki.
Zo gezegd, zo gedaan. Armand trok naar Finland. Bisschop Cobben vond het beter, dat hij eerst naar Terijoki zou gaan – aan de grens tussen Wiborg en Leningrad gelegen, – om Adolf Carling te assisteren bij zijn pastoraal werk in Oost-Karelië. De Slavische studies moest hij voorlopig dan maar vergeten. De zielzorg in Zuidoost-Finland had assistentie broodnodig, want juist daar had de geunieerde katholieke kerk een positieve ontwikkelingskans, schatte Adolf Carling in. Dus Armand de Caluwé ging via Wiborg naar de parochie van Carling in Terijoki – in die tijd nog een prachtige, aan het strand van de Finse Golf gelegen droomstad voor zomerse badgasten uit Oost-Finland – en om daar onder de strenge leiding van monseigneur Carling Fins te leren en hem tegelijkertijd in het parochiewerk te assisteren. Aangezien Armand wat talen betreft een bolleboos was, liep de samenwerking met de veeleisende priestercollega goed, ze raakten bevriend en dat betekende veel voor Adolf Carling, die zich nogal eenzaam voelde op zijn post vlak aan de grens tussen Finland en de Sowjet Unie.
En goed bleef het samenspel lopen, enigszins tot mijn verwondering, want de parochie werd nu verdeeld in een ‘latijnse’ en een ‘byzantijnse’ afdeling, de een onder Carling, de ander onder De Caluwé, en dit klaarblijkelijk zonder onderlinge wrijving. Ook niet toen de ‘byzantijnse’ kapel duidelijk beter ging lopen dan de ‘latijnse’. Carling trok zich als zielzorger meer en meer terug naar elders in Karelië, maar bleef normaal in contact met en in ‘latijnse’ dienst bij zijn collega in de Terijoki-parochie. Dit geeft blijk van een hoogontwikkeld communicatievermogen bij Armandus, wat overigens steeds meer naar voren zal treden.
De ‘byzantijnse’ parochie groeide snel, de belangstelling ervoor van de Russisch orthodoxe kant groeide ook, er ontstond prematuur een oecumenische vriendenkring die toekomst bood voor de missioneringsplannen van Armand de Caluwé. Hij vond zelfs twee vrouwelijke assistenten, Molly en Olga, de ene uit Engeland en de andere uit Estland, die hem later – voorzover de politieke toestand het toeliet – trouw bleven. Wonderlijk liep het en ook snel, maar toen eenmaal de oorlogsdreiging van de Sowjet Unie in oktober 1939 harder werd, moesten Carling en De Caluwé hun kerkelijke gemeentes in Oost-Karelië opgeven. Ze vluchtten eerst naar Wiborg, waar Armand zijn collega’s aldaar hielp waar er maar te helpen viel – in de parochie of in de school – maar in november moest ook hij uiteindelijk daar weg, de stad werd door de Russen gebombardeerd en buitenlanders werd geboden, naar het westen te gaan. Armand de Caluwé probeerde naar Helsinki te komen, maar vanwege de bombardementen van die stad lukte dat niet meer en kwam hij uiteindelijk via Kouvola in Ii bij Oulu terecht, waar hij gastvrij ontvangen werd en vanwaar hij wat later naar Helsinki kon gaan.
De bisschop wilde toen (in overeenstemming met de Finse autoriteiten), dat Armand als buitenlandse niet-Fin naar Zweden of Nederland het land uit zou gaan. Dat wilde hijzelf eigenlijk niet en het lukte hem ook niet meer, zodat Armand in Helsinki is gebleven – zelfs gedurende de vervolgoorlog ’41-’44 – en daar uitmuntend pastoraal werk heeft verricht, voorzover de omstandigheden dit toelieten. En dat weer in nauwe samenwerking met bisschop Cobben, die ook teruggekeerd was naar Helsinki. Paus Pius XII benadrukte toen het blijven ter plekke ook onder moeilijke omstandigheden zeer. Armand heeft zich vooral in oorlogsdagen bezig gehouden met opvoeding van de jongens, die onder leiding van de Amerikaanse zusters in Helsinki of ook daarbuiten op school en in het internaat verzorgd werden. Ook met de opvoeding van de meisjes hielp hij, voorzover hem dat door de zusters gevraagd werd. Soepele omgang met de jeugd was ook al zoiets, dat hem kennelijk uitmuntend lag.
Intussen was in december 1940 Robert de Caluwé, de jongere neef van Armand, als tweede priester van de byzantijnse ritus in Helsinki aangekomen. Hem zonder meer ter missionering doorsturen naar Karelië kon de bisschop toen al niet meer. Robert en Armand richtten daarom in Helsinki samen een byzantijnse kapel in (aan de Frederikinkatu), maar omdat ze daar te weinig werk hadden – hun parochianen onder de Kareelse vluchtelingen waren te zeer verspreid over Finland – hielpen ze de ‘latijnse’ paters bij hun parochiewerk. Het beiderzijds vurige verlangen om in Oost-Karelië als katholiek priester van de byzantijnse ritus te mogen werken, moesten ze een tijdlang maar gewoon vergeten. Ook de herverovering van Wiborg in 1942 was maar van korte duur, genoeg echter om ook Robert een maandenlang verblijf in de Hyacinthuskerk aldaar mogelijk te maken. Die katholieke kerk voorzag hij van frescoschilderingen en hij hielp mee de oorlogsschade te herstellen, waarbij hij dan in contact kwam met aan het werk gezette Russische krijgsgevangenen (met wie hij uiteraard in hun eigen taal kon communiceren) en hij zo ongewild een voorproefje kreeg voor zijn eventueel later missioneringswerk. Maar nee, ook dat liep uiteindelijk tengevolge van de verloren oorlog na 1944 helemaal mis. Robert werd daarom ook verder qua werkkring levenslang gebonden aan de regio van Finlands hoofdstad. Het oostdeel van Fins Karelië was verloren gegaan en een half miljoen vluchtelingen zochten in 1944 voor de tweede keer hun heil in het overige Finland. Nu zelfs definitief.
Dat bracht de plannen van de twee orthodox-katholieke priesters uiteraard danig in de war. Wat nu? Vele Kareelse vluchtelingen vestigden zich in het zuiden, waar ze (voorzover katholiek en orthodox) door de twee neven bediend konden worden, maar veel anderen trokken naar elders. Hoe de orthodox katholieke zielzorg en missionering nu verder te organiseren? Dat was een enorm probleem voor de beide neven. Robert zocht en vond al in oorlogstijd zijn eigen richting en weg via het schilderen van iconen; Armand studeerde toen aan de universiteit van Helsinki Slavische filologie, waarin hij dan ook snel en met lof afstudeerde. Hij was een hardwerkende en begaafde studiekop. Maar de zielzorg ernaast bleef hij trouw. Om uitwijzing verder te vermijden, wilde hij genaturaliseerd worden en werd dat ook in april 1944. Toen heeft hij als vertaler uit het Russisch nog enige maanden in miltaire dienst vertaalwerk van veroverde documenten moeten verrichten. Lang heeft hij het niet hoeven te doen, de oorlog was zomer 1944 uiteindelijk en gelukkig voorbij. En vooral … Finland was vrij en westers gebleven.
Armand de Caluwé was in de jaren na de oorlog in de eerste plaats werkzaam als ‘gewoon’ priester binnen de parochie van de ‘latijnse’ ritus, waarvoor hij ook van Rome uit de toestemming verkregen had om die te gebruiken. Hij vervulde jaren op voorbeeldige wijze de gewone taken van de zielzorger. Hij nam van talloze mensen de biecht af en steunde velen door zijn empathisch vermogen en luistercapaciteit, geliefd en vereerd door zijn vroege wijsheid en zijn gezonde ‘Roomsheid’ als geestelijke steun in moeilijke omstandigheden. Hij had door huisbezoek en door veel persoonlijke ontmoetingen contacten met allerhand mensen met wie hij sprak en discussieerde of die hem om raad kwamen vragen. Hij was een goed predikant, die bondig en zo nodig in vele talen de blijde boodschap en de liturgische verklaringen overtuigend wist te verkondigen. Hij was bovendien een goedschrijvend journalist, die met zijn geschreven woord in het katholieke kerkblad en elders velen bemoedigde en eerlijke vragen open en even eerlijk beantwoordde. Ook gaf hij blijk van medeleven in zijn ‘berichten uit Rome’ (Rooman viestiä) met het hoe en wat er in de moederkerk gebeurde en gaf dit grif en graag en begrijpelijk door. Kortom, Armandus was een voortreffelijk priester in de kracht van zijn leven, die gaf wat hij had aan degenen die hem daarom vroegen. Een geëngageerd werker in Gods wijngaard was hij voorwaar, zou je bijna bijbels kunnen zeggen. Daarnaast deed hij voor de kleine byzantijnse kapel samen met neef Robert datgene, wat er daar van hem gevraagd werd.
Vooral op twee terreinen is Armand de Caluwé na de oorlog erg actief geweest. De eerste werkkring ontstond binnen het Academicum Catholicum. De tweede binnen de gemeenschap van de Juventus Catholica. Twee invloedsgebieden dus: de wereld van een volwassen intellectuele academische elite – mannen en vrouwen – en de wereld van de rijpere jeugd – jongens en meisjes. En op beide gebieden was Armand de Caluwé een doorslaand succes.
Het Academicum Catholicum was al in 1936 opgericht door pater Wilfrid von Christierson. Die wilde binnen de naar zijn smaak wat te volkse katholieke kerk van de SCJ-paters een elitair en zelfbewust element creëren via uitdrukkelijke katholieke elitevorming. Hij wilde volwassen parochianen (aanvankelijk voornamelijk zweedstaligen, maar later in de jaren 40 en volgende ook finstaligen) door regelmatig onderricht, liturgie, gebed en discussie (en ook door practische werken van naastenliefde) in het katholiek geloof bestendigen, en hen voorts via Europees christelijke cultuur en literatuur vormen tot eventuele voorlopers en initiatiefnemers binnen christelijke (en niet alleen katholieke) kringen. Een gezonde strijdbaarheid die staat in de traditie van Erasmus met zijn ‘Miles Christi’. Zeer juist gedacht, lijkt me. Aanvankelijk overigens nog niet uitgesproken oecumenisch gericht, dat element kwam er pas later expliciet bij.
De neven De Caluwé werden al in 1942 bij het AC ingeschakeld, zodat de inhoudelijke opzet ervan breder kon worden en ook het element van de Oosterse ritus en de kerkgeschiedenis (waarin juist Armand zeer sterk was) een duidelijke rol ging meespelen bij deze elitevorming. Ook het literaire element kreeg door de openheid van beide priesters en hun academisch communicatieve kwaliteiten meer gewicht – via bijvoorbeeld kennismaking met literaten als Edzard Schaper, Maila Talvio en de Finse dichter J.J.Mikkola. In de tweede helft van de jaren veertig werd Armand een zeer actief lid van deze academie, hij was gewild als spreker, als discussieleider, als organisator van traditionele feesten en zomer’kampen’ – en die op nationaal en regelmatig ook op internationaal, vooral dan Scandinavisch niveau. In 1951 werd Armand de Caluwé zelfs tot voorzitter van het AC gekozen en het jaar erop tot vice-voorzitter. Vooral het jaar 1951 was een glansjaar in de bewogen geschiedenis van het AC. Onder Armands leiding werd er een groot Noords zomercongres georganiseerd in Parainen, met meer dan 50 deelnemers. Ook bisschop Cobben nam er goedkeurend, positief en actief aan deel. Er werd veel bereikt en de mensen van de omgeving en de pers toonden grote belangstelling voor de gang van zaken. In excursies werd de oude bisschopsburcht (Kuitan linna) van bisschop Maunu Tavaste bezocht, er werd voor het eerst via Nousiainen naar het eiland Köyliö gepelgrimeerd, de plaats waar de eerste bisschop Henrik vermoord zou zijn. Uit deze pelgrimage ontstond zelfs een zomerse traditie, die tot nu toe voortduurt! Ook de traditionele kerstviering met schenkingen aan arme mensen werd een waar feest. Maar in het jaar erop werd al duidelijk, dat er iets vreemds gebeurde binnen de Finse katholieke kerk. Armand liet toen zijn medeleden van het AC de nieuwe byzantijnse kapel aan de Vaasanrinne in Espoo zien, die hij met geschilderde iconografische medewerking van neef Robert voor zich en zijn eigen parochie had ingericht. Het orthodox katholieke, het byzantijnse ging dus toch weer een vooraanstaande rol spelen? Lagen er toen dan al weer meer mogelijkheden op dit terrein voor deze actieve mens? Nou nee, eigenlijk zat het niet zo. Er zat iets heel anders achter.
In de herfst van 1952 werd Armand door bisschop Cobben op vrij scherpe en niet mis te verstane manier teruggefloten en duidelijk gemaakt, dat hij het AC moest laten vallen om zich meer en intensiever bezig te gaan houden met zijn byzantijnse missionering, de taak waarvoor hij naar Finland was gekomen. Dat was voor Armand in de gegeven omstandigheden echter moeilijk nog te begrijpen na de dramatische veranderingen in het Russische Oost-Karelië in 1944, die zijn oorspronkelijke taak vrijwel onmogelijk hadden gemaakt. Missionering daar was niet meer mogelijk, dus waarom daar opnieuw beginnen en niet zo, op de al succesvol ingeslagen ‘latijnse’ weg doorgaan?
Vrij snel na de oorlog had Armand de Caluwé de Italiaan pater Nespoli die door zijn superieuren naar elders geroepen werd, in de leiding van ‘Juventus Catholica’ opgevolgd. Hij werd gevraagd door pastoor Vernooy, die al meteen na de oorlog voor jongens en uiteindelijk ook voor meisjes een soort verkenners- en gidsenbeweging – en ook voortrekkers van nog rijpere leeftijd – was begonnen. Pater Nespoli was geliefd, Armand werd dat ook binnen de kortste keren. Hij kon met jonge mensen goed omgaan, hij kon met ze praten, voor ze preken, hen motiveren, hen inspireren, hen coachen etc. De Armand-periode 1946-1951 van de Juventus Catholica werd daarom een bloeitijd. Met regelmatige liturgische en gespreks-bijeenkomsten, met zomerkampen, en vooral met als hoogtepunt: de pelgrimsvaart naar Rome in 1950 ter gelegenheid van het Heilig Jaar. Dat was een jubelfeest van de eerste orde en de vele deelnemers onder leiding van pastoor Vernooy en Armand de Caluwé met zijn JC waren door het dolle heen van zoveel moois en waardevols, dat ze hadden meegemaakt.
Maar ook hier kwam de knak, toen Armand zelf aankondigde in januari 1952, dat hij als leider van de JC moest terugtreden, omdat andere taken hem zogenaamd riepen. Welke taken dan? De taken van zijn byzantijnse missionering!? Met eigen woorden schetst hij zijn gevoelens van toen: “Met een zwaar hart verlaat ik de Juventus Catholica, die voor mij één grote familie is geworden en die heel actief heeft gefunctioneerd. Ik hoop dat jullie het opbrengen actief te blijven ook zonder mij.” Armand was de motor geweest, wat door zijn joviale en rondborstige opvolger pater Jacobus Reijnders grif werd toegegeven: “Het is voor mij moeilijk een dergelijk onvermoeibare en inspirerende moderator op te volgen.” Het lukte hem, omdat hij zo eerlijk was. De laatste twee citaten zijn overigens genomen uit het eigen tijdschrift van de JC (sedert 1947), dat Armand tussendoor ook nog geredigeerd heeft in die jaren. Armand die zoveel goodwill gekregen had en die samen met de jonge mensen in langdurige ’talkoot’ (vriendenhulp) op een geschonken stuk oeverland bij Westend in Espoo een nieuw buitenkwartier gebouwd had. Het liep allemaal zo goed …
De volgende vraag is volkomen terecht en gelegitimeerd: Wat is er rond 1951/52 eigenlijk gebeurd? .
Dat de bisschop zelf hem terechtwees en wees op zijn eigenlijk taak, waarvoor hij naar Finland gekomen was, – al was die toen vrijwel onmogelijk geworden – daar kan ik nog inkomen. Maar uit de hele gang van zaken is veel duidelijker te bespeuren, dat directe collega’s hem eruit wilde werken. De Caluwé was te goed, hij had te veel succes, hoge bomen vangen veel wind. En aan deze groepsimpuls uit jaloezie moest de bisschop wel omwille van de algemene vrede toegeven. Moest hij dat? Niemand weet het. Wel weet ik, dat Armand de Caluwé bisschop Cobben oprecht respecteerde en het omgekeerde is ook wel waar. Dus bij de bisschop zat het zwerende knelpunt eigenlijk niet.
Eind 1952 werd het duidelijk, dat Armand noch bij het Academicum Catholicum noch bij de Juventus Catholica verder gewenst was. Ook was hem diets gemaakt, dat de paters van de Henrik-parochie hem als biechthulp en predikant niet meer nodig hadden – ze waren nu met genoeg paters om zichzelf te kunnen verzorgen – en zo werden hem ook deze communicatiemogelijkheden met parochianen afgenomen. Armand trok zich terug in zijn eigen byzantijnse kapel in Espoo, wat getrouwen trokken wel mee, maar echte toekomst zat er daar niet meer in. Hij voelde zich hopeloos, als een ‘priester zonder gemeente’, als een terzijde geschovene. Hij wilde weg van Helsinki. Zelfs het idee, vanaf 1952 met hulp van neef Robert in Hamina een byzantijnse kapel op te richten, kon of beter gezegd mocht niet gerealiseerd worden. Armand heeft in zijn vertwijfeling nog in Rome geprobeerd, zijn gelijk te krijgen, maar daar wilden ze hem verder niet meer steunen en gaf men het gelijk aan de paters SCJ in Finland. Dit was Armand te veel, hij maakte zich ook financieel zelfstandig, ging terug naar Finland en bouwde zich daar zijn eigen leven. Via een woning in Kisko bij Salo trok hij uiteindelijk naar Ii bij Oulu, waar hij tot rust kwam, vrede vond met zichzelf, zijn priestertoog aan de kapstok hing, met Maija trouwde en een zoon Heikki ontving. Zo vond hij uiteindelijk zijn vrede en geluk. Aan de universiteit van Oulu behaalde hij de benodigde examens om leraar en docent te kunnen worden en dat is hij dan ook op de gemeenteschool in Ii tot tevredenheid van zichzelf en de scholengemeenschap tot aan zijn pensioen gebleven.
Om een lang verhaal nu korter te maken en af te ronden: Armand is gelovig en actief katholiek gebleven, hij heeft vooral ook veel met pastoor Sebastiaan van der Meer (vanaf zomer1969 tot herfst 1971) in de kleine katholieke behuizing in Oulu samengewerkt (en later ook met pater Jan Koolen, pastoor van de kerk in Jyväskylä), hij zorgde ervoor dat er – na deze beperkte en korte tweejarige periode met een vaste priester ‘in huis’ – eens per maand iemand uit Jyväskylä kwam, om de liturgie samen met de kleine Oulu-gemeente te vieren en de band met de (meer en meer oecumenische) kerk te verstevigen. Jammer dat pastoor van der Meer niet kon blijven – zijn teruggaan naar Nederland had financiële redenen – maar hij bleef bevriend met Jussi en kwam regelmatig terug naar Oulu.
Pater van der Meer gaf de lessen Nederlands die hij aan de universiteit van Oulu gaf, door aan Jussi Ailisto. Vandaar dat ik hem als (oud)collega-lector en docent Nederlands aan de universiteit van Helsinki in de jaren negentig heb mogen ontmoeten.
Armand de Caluwé was een geestelijk hoogstaande, fijnzinnige, communicatieve, geinspireerde en inspirerende mens, die jammergenoeg (en misschien onnodig) aan de opbouw van de katholieke kerk in Finland minder heeft mogen bijdragen dan hij eigenlijk gewild had. Het zij zo.
Om eventuele misverstanden te voorkomen, moet me nog deze kleine en boven al gezegde opmerking van het hart. Het is niet mijn opvatting dat Robert de Caluwé door ons overgewaardeerd wordt – nee, over hem zal ik daarom nog wel eens schrijven! – maar het is wel mijn mening, dat zijn oudere neef Armand de Caluwé zwaar ondergewaardeerd wordt, ik heb zelfs het gevoel gehad, dat hij in katholieke kringen een beetje moedwillig doodgezwegen werd, nadat hij als ex-priester trouwde en zijn eigen wegen ging. En toch … wat voor grote betekenis heeft hij gehad als priester! En … wat voor een zou hij wellicht ook hebben kunnen hebben? Vandaar dit verhaal.
Kerava, november 2008
Peter Starmans
lehtori
