Finland in 1918 en wat daarvóór lag …

Vorig jaar heeft Finland uitbundig en waardig de honderdste verjaardag van de republiek Suomi/Finland gevierd. Nederland deed van zijn kant ook mee met bijvoorbeeld een fraaie tulp ‘Finland 100’, met een jong, fris Fins berkenbos in Nederland en met een mooi jubileumboek over die afgelopen honderd jaar, die samen zo geslaagd en oprecht gevierd werden.

Nu is er een jaar van bezinning begonnen, waarbij trauma’s besproken worden, die bij de zwangerschap en de geboorte van Finland ondanks alles, ondanks of wellicht juist dankzij het positieve van de negentiende eeuw en eerder, ontstaan zijn. Jammer misschien van die trauma’s, maar toch wel waar. Want het was tijdens Finlands Russische tijd niet alleen stralende zonneschijn (ook dat overigens), er waren ook onverwerkte en gedeeltelijk ongeziene zwarte schaduwen die, als onder zware wolkenvelden, over dat uitgestrekte, maar ook dunbevolkte land in Noord-Europa heentrokken: stormen, buien, honger en kou met zich meebrengend.

Finland is eind 1917 inderdaad officieel en juridisch een onafhankelijk staat geworden, al snel erkend door meerdere landen, zoals allereerst door het bolsjewieke Rusland en aansluitend dan door Zweden, Duitsland, Frankrijk en later ook Nederland (op 28 januari 1918), maar toch … die zelfstandigheid betekende nog lang niet, dat het volk, dat zich had afgezonderd van Zweden en Rusland, reeds een perfecte eenheid vormde, dus al zonder vallen op zijn eigen benen kon staan, integendeel. Die hechte eenheid, die volksidentiteit, moest nog in de loop van vele jaren met inzet en moeite veroverd worden en is nog steeds niet volmaakt rond. Dat staat bijvoorbeeld beschreven in het jubileumboek ‘Finland, 100 jaar onafhankelijk’.

Finland is voor velen het land en de Finnen, het volk van de Kalevala, van oude volksliederen en volkssagen; voorts is het een daaruit voortvloeiende smeltkroes van nationale literatuur, muziek en schilderkunst, zoals we die hebben leren kennen via bijvoorbeeld Aleksis Kivi, Jean Sibelius of Akseli Gallen-Kallela. Het lijkt ons nu wel, alsof die Finse cultuur als vanzelf naar boven is gekomen en niet door gezamenlijke daad- en wilskracht gemaakt is (of in ieder geval opgeroepen), gemaakt wel door grotendeels Zweedstalige Finnen in de negentiende eeuw, de eeuw van het groothertogdom Finland onder het tsarenrijk Rusland. ‘Grotendeels’ schrijf ik, want inderdaad was Alexis Kivi een uitzondering, hij was Finstalig en dat heeft hij geweten ook. Door grotendeels Zweedstaligen dus, voornamelijk mensen uit de eliteklasse van het grootvorstendom, die het weliswaar echt en eerlijk goed met het Finse volk meenden en het vooruit wilde helpen, om een zelfstandig en een eigen volk te worden, maar die toch tot de Finse elite bleven behoren. Die positieve volksontwikkeling leek overigens langzaamaan wel te lukken, maar de terugslag van opstand en onderlinge strijd in 1917/1918 was erg groot en kwam voort uit diepe en voorlopig nog onverwerkte lagen en instellingen van de mensen, die dit land bevolkten.

In 2017 is er hier een boek verschenen met de titel ‘1917, Suomen synty’: 1917, de geboorte van Finland (een boek van Ilkka Enkenberg). Dit boek heeft me geboeid, maar heeft me ook stevig aan het denken en verder onderzoeken gezet. Eind 1917 is Finland inderdaad geboren, maar daarvoor is het negen maanden lang (dus vele jarenlang, veel meer dan een eeuw) als in een moederschoot ontwikkeld en van foetus tot een levensvatbare baby uitgegroeid. In welke moederschoot? In die van het oude moederland, het ‘emämaa’ Zweden? Of in die van het rijk van de tsaar in Sint-Petersburg, het ‘isänmaa’ Rusland? Concreet toch wel in die laatste. Maar toch … het Finland van de negentiende eeuw werd lange tijd in principe door de wil van de tsaar zo gelaten, zoals het als Zweedse oost-provincie vanaf de zestiende eeuw (en vroeger) geweest was.

Van alles en nog wat passeert de revue in dit boekoverzicht van 1809 tot 1917: de eigen, oude Fins-Karelische cultuur, de talenkwestie, de relatie met Rusland, de houding tegenover Zweden, het ontstaan van een eigen literatuur, eigen muziek, eigen schilderkunst, eigen politieke lichamen, eigen geld, eigen post en noem maar op. Hoe kunnen we dit alles nu begrijpelijk samenvatten?

Laat ik beginnen met de naam te noemen van een man, die een enorm grote rol heeft gespeeld bij de emancipatie van het Finse volk in de negentiende eeuw: Johan Vilhelm Snellman (1806-1881).
Hij was de geboren leider in gesprek met de intellectuele, vooral Zweedstalige bovenlaag van Finland en met de elite van Rusland tot aan de tsaar toe! Van Snellman is de leus overgeleverd: ‘yksi kansakunta, yksi kieli‘, één volksgemeenschap, één taal, met opzet door mij in het Fins geciteerd, ook al was Snellman Zweedstalig van geboorte en heeft hij het Fins nooit echt goed geleerd. Snellman verdedigde tot aan zijn dood het standpunt, dat een homogeniteit van het Finse volk (een eigen identiteit dus) alleen maar kon ontstaan, als het zich rond één taal, het Fins, concentreerde: de Finse taal met uiteraard alle culturele verschijnselen eromheen, die daarin en daarmee verworteld waren. Snellman ging in zijn streven erg ver: hij wilde het Zweedstalige in Finland het liefst officieel uitschakelen, niet kleineren overigens, want hij hield erg veel van zijn thuis geleerde moedertaal. Maar goed, de status van de Zweedse taal in Finland, daar wordt nu in 2018 nog steeds over geredetwist en een goede oplossing ervoor is nog steeds niet gevonden. Snellman ging zelfs zo ver, dat hij als officiële taal van de toentertijd nog niet geboren natie alleen het Fins wilde accepteren; en het Zweeds in die toekomstige natie dus naast laten we zeggen het Duits of het Frans als communicatietaal en als tweede ‘school’taal zeer zeker wel wilde stimuleren, maar niet als officiële en ambtelijke taal. Klinkt dit niet als standpunt heel modern?

Overigens zijn we nu al bij de scholing van het toen nog op vele punten onderontwikkelde en ook wel onderdrukte Finse volk. Cygnaeus, Snellman, Lönnrot en vele anderen streefden ernaar, het schoolwezen in heel Finland te ontwikkelen, en dat is ze beetje bij beetje nog gelukt ook, fijn zo! In 1917 konden inderdaad de Finnen van hoog tot laag Fins lezen en schrijven en meestal nog veel meer. Dat hadden ze op school geleerd, in de ‘volksschool’ (wij zouden nu zeggen: via het basisonderwijs), en uiteraard ook op andere scholen als ambachtsscholen, landbouwscholen, hogescholen of universiteit. Daar werd Fins meer en meer ook de onderwijstaal. Aan de organisatie en bouw van de scholen zelf, overal in het uitgestrekte land, en zeker ook aan de opleiding van goede Finstalige leraren werd van alle kanten gewerkt, en dat met succes!

Een tweede naam wil ik hier nog noemen, ook van iemand die van huis uit Zweedstalig was, maar Finstaligheid propageerde, want – zoals de lezer(es) langzamerhand wel begrepen heeft – heb ik op zich helemaal niets tegen Zweedstaligheid. Integendeel! Maar hier gaat het echter om een nationaal, zelfs politiek principe, en niet zozeer om een persoonlijke smaak of een niet ter zake doende opinie.
De tweede naam, die van de zwerver en arts Elias Lönnrot (1802-1884), moet nu vallen: de man van het Kalevala-epos vanaf 1835, de man van de Kanteletar, een grote verzameling van volkspoëzie uit 1840, en ook de man van het monumentale Zweeds-Finse woordenboek als sluitsom aan het eind van zijn leven (begonnen in 1860, voltooid in 1880). Wat een rijkdom aan materiaal op het gebied van taal, literatuur en cultuur heeft hij ons daardoor gegeven; zo veel, dat de studie ervan nog steeds niet afgesloten is.

Kalevala is een Fins oersymbool geworden via het beroemde, door Lönnrot samengestelde epos, belangrijk ook voor de muziek van Sibelius of de schilderkunst van Gallen-Kallela en vele anderen. Toen de Finse media in 2004 het Finse volk opriepen om de grootste Finnen aller tijden op een rijtje te zetten, kwam Elias Lönnrot op de zesde plaats terecht! Na Agricola natuurlijk, de vroege vader van de Finse taal, en Urho Kekkonen en Aleksis Kivi, maar nog vóór Mannerheim of Sibelius. Jaja, het is me wat!
Ik noemde Lönnrot overigens een ‘zwerver’: hij zwierf inderdaad maandenlang door Finland, vooral dan door Savo en Karelië, om liederen (met melodie het liefst) te zoeken, en om namen van planten, bomen en allerhand anders uit de Finse natuurlijke omgeving bijeen te garen. Lönnrot was een ras-verzamelaar, zoals bij ons toen een Guido Gezelle in Vlaanderen was en bij de Duitsers misschien (in de zestiende eeuw) een Martin Luther. Fantastisch, om zo enorm veel culturele schatten voor toekomstige generaties te verzamelen als een rijke ‘Fundgrube’ (een rijke bron), zoals de Duitsers dat zo prachtig kunnen formuleren.

Om nu een lang verhaal wat korter te maken: in het grootvorstendom Finland als deel van het Russische tsarenrijk gebeurde in de negentiende eeuw allerhand, zodat de foetus Finland uit kon groeien tot een min of meer gezonde baby, in ieder geval levensvatbaar, maar voorlopig nog niet veel meer.

Over het ontstaan van een eigen Finse cultuur hebben we al gesproken.
Het hoogtepunt daarvan was wel de beroemde wereldtentoonstelling in het Parijs van 1900, toen het paviljoen van Finland wereldbekendheid kreeg, en dat terecht vanwege de oorspronkelijke originaliteit!
Over de literatuur en de taal hebben we ook al gesproken, als extra naam noem ik hier graag ook de Zweedstalige Johan Ludvig Runeberg uit Porvoo (1804-1877), de dichter van het Finse volkslied en schrijver van patriottische verhalen uit de Krimoorlog, vertellingen over vaandrig Staal (‘Fänrik Ståhls sägner’).
Over de muziek hebben we het ook al enigszins gehad. Daar wil ik nog de naam van Oskar Merikanto aan toevoegen, maar ik wil er hiermee vooral ook op wijzen, dat met name het muziekleven in Viipuri (=Wyborg) rond 1900 rijk en veelzijdig was. Viipuri was toen in het oosten van het groothertogdom Finland een cultureel belangrijke plaats (en niet alleen dat!), naast Helsinki en Turku bijvoorbeeld.

Voorts waren er in de eerste helft van de negentiende eeuw zeer actieve ‘herätysliikkeet‘, protestantse reveilbewegingen, waarbij ik in Finland vooral de naam van Ruotsalainen naar voren wil brengen, Paavo Ruotsalainen, een lutherse lekenspreker en tevens prediker, alom tegenwoordig in het toen nog landelijke Finland! Of we het er nu mee eens zijn of niet, deze algemeen Finse, maar ook Europese, religieuze reveils hebben een grote invloed gehad op het ontwaken van het gewone volk, in Finland maar ook elders. Niet voor niets hamerde deze populaire fanaat Paavo (gedreven door een hoog, christelijk ideaal) op het feit, dat iedere christenmens (en dat waren toentertijd vrijwel alle Finnen) een individu is: ‘Sinä olet yksilö!‘, jij bent een individu! Dat was toen echt nog iets nieuws voor velen: voor de keuterboertjes, voor knechten en dienstmaagden, voor seizoenarbeiders.

Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen ook landelijke organisaties op. Organisaties in de vorm van bonden zoals de ‘Maalaisliitto‘, de plattelandsbond of misschien beter vertaald: de boerenbond. Door deze bond kregen de vrije, meestal kleine boeren (tegenover de rijke grondbezitters overal in Finland, vooral dan in het zuiden) en ook wel de onvrije boeren, de ‘torpparit’, en de geknechte landarbeiders een officiële spreekbuis.
Verder organisaties in de vorm van een politieke partij zoals de SDP, de Sociaal Democratische Partij, die vooral de rechten van de arbeidnemers, meestal industrie-arbeiders vertegenwoordigde. En zelfs in het wat achterlijke Finland ontwikkelde de industrie zich langzaam maar zeker, zoals elders ook. Met alle voor- en nadelen van dien!
Ook belangrijk was bijvoorbeeld het in leven roepen van een ‘boerenleenbank’, de KOP, de Kansallis Osake Pankki, een soort coöperatieve bank, waarbij de financiële onderhandelingen in het Fins konden plaatsvinden. En dat was toentertijd nog echt geen vanzelfsprekendheid! En tevens wil ik hier Pohjola noemen, een nog steeds bestaande verzekeringsmaatschappij, die vooral bedoeld was voor Finstalige klanten.
In het algemene partijenlandschap werden steeds meer aparte groeperingen actief, die wedijverden voor de Finse zaak: de Fennomanen, de ‘Nuorsuomalaiset’ (de jonge Finnen) en andere groepen.

Door de russificeringsgolf onder tsaar Nicolaas II in de jaren negentig van de negentiende eeuw ontstond er veel onrust en ontevredenheid in Finland. Daarbij dreigden de politieke rechten van het grootvorstendom sterk en radicaal beknot te worden. Door de benoeming in 1898 in Finland van de zeer strenge en principiële Russische Gouverneur-Generaal Bobrikov, die in 1903 door Eugen Schauman vermoord werd, werd de anti-Russische mentaliteit onder het volk alsmaar feller. Onder Bobrikov werden bijvoorbeeld steeds meer belangrijke posten in Finland door Russen bezet. De officiële taalpolitiek veranderde en daarbij werd het Russisch tot eerste ambtelijke taal gebombardeerd, terwijl het Fins en zelfs het Zweeds verder alleen nog maar officieel ‘geduld’ werden. Sociaal gezien een ramp natuurlijk! En dat zette daarom veel kwaad bloed. De Russische schoolpolitiek viel bij de Finse onderdanen slecht, en zo kunnen we wel verder gaan. Daardoor werd het volk steeds onrustiger en bozer.

Op 20 maart 1899 werd er zelfs een adres van het Finse volk aan de tsaar, ‘Keisarille – Suuriruhtinaalle Suomen kansan adressi’, aangeboden, door de tsaar echter niet aanvaard. Dit adres was door meer dan 500.000 (!) Finnen uit het hele land ondertekend en werd door 500 (!) volksafgevaardigden per trein naar Sint-Petersburg gebracht. En juist dát heeft het zelfbewustzijn van velen onder het volk (ook van de ‘grauwe’ massa) opgewaardeerd en wakker geschud.

Hierbij sloot zich dan de door een grote groep geleerden uit Europa ondertekende petitie ‘Pro Finlandia‘ van eind 1899 aan. Die petitie liet een krachtig protest vanuit Europa horen, ter verdediging van de politieke rechten van het Finse volk. Een college van zes hoogleraren, waaronder de beroemde Finse poolonderzoeker Adolf Nordenskiöld en de Nederlandse jurist Willem van der Vlugt, brachten ‘Pro Finlandia’ naar Sint-Petersburg, maar tsaar Nicolaas II meldde zich ‘niet thuis!’, was onwelwillend en reageerde (uit zwakheid of onder zware druk van anderen?) niet of nauwelijks. Jammer maar waar.

Dat alles droeg ertoe bij, van Finland een land te maken, dat een parlement, een eigen volksvertegenwoordiging, (we zouden in het Nederlands kunnen denken aan een ‘Tweede Kamer’) wilde en toen al kon vormen, als aanvulling zo niet als tegenpool van de zweedstalige, adellijke en burgerlijke Senaat, een soort ‘Eerste Kamer’. Die bestond sedert lang uit leden van de oude standenmaatschappij, waar het gewone volk, het ‘rahva’, jammer genoeg tot dan toe helemaal geen stem had en er niet bij behoorde. De Senaat vormde tijdens de Russische periode van Finland ook de regering.

Toen in 1905 – na de oorlog tussen Rusland en Japan, door het pijnlijk verlies en de ermee verbonden vernedering van het Rusland van de tsaar – ontstonden er in het tsarenrijk grote onvrede, opstanden en stakingen en brak als vervolg daarvan in Finland ook demonstraties en een algemene staking uit. De tsaar werd aldus gedwongen soepeler en minder tiranniek op te treden. Rusland mocht een eigen volksvertegenwoordiging, de Doema, samenstellen. In het grootvorstendom Finland werd toen na algemene verkiezingen (de eerste in Europa!) verder een parlement van 200 leden gekozen, uit de toen aanwezige partijen. Daarbij vormde de SDP, de Sociaal Democratische Partij, tot paniek van de rechterzijde, een parlementaire, linkse meerderheid. Ik zeg ‘algemene verkiezingen’, want inderdaad kreeg toen al iedere volwassene in Finland, man en vrouw, arm of rijk, het recht, zijn of haar stem uit te brengen. Dat was na de grote stakingen van 1905 in Rusland en Finland in overleg met de tsaar besloten. Internationaal gezien was dit een belangrijke doorbraak.
Dat alles klink verder best, democratisch en veelbelovend, maar was dit voldoende olie op de steeds groter, hoger en dreigender wordende golven van onrust in het land. Zou deze stap wel voldoende kunnen blijken?

De toegevendheid van de Russische tsaar was echter slechts voorbijgaand, de Eerste Wereldoorlog begon in 1914, met aan de ene kant Rusland en Frankrijk tegenover het nieuwe Duitse Keizerrijk en het aloude Oostenrijks-Hongaarse Habsburgse keizerrijk.
De Finnen hadden van hun kant militaire dienstplicht voor de Russische staat geweigerd (door ervoor te betalen), wat echter nu ook betekende, dat Finland tijdens de Eerste Wereldoorlog extra bevolkt en ook bezet werd door een 50.000-tal Russische soldaten, die gevoed en rustig gehouden moesten worden binnen de Finse grenzen. En dat betekende tevens, dat Finland geen eigen getraind leger had, wat later een pijnlijke waarheid bleek te zijn.

Het begin van de oorlog was redelijk te pruimen: er was nog graan, dus brood (vanuit Rusland grotendeels aangevoerd) en de oorlogsindustrie draaide nog op volle toeren, er was dus ook werk. Maar in de loop van de oorlog werd de situatie erg kritiek, omdat Rusland geen graan meer kon of wilde leveren en ook door zware oorlogsverliezen er geen geld meer voor overhad, om klaar oorlogsmateriaal uit Finland te kopen. Graan van elders kon echter niet ingevoerd worden, want Duitsland was de vijand van Rusland (dus ook van het groothertogdom Finland) en de Duitse vloot beheerste de Oostzee. Vrije koopvaart werd ernstig belemmerd, zo niet nagenoeg onmogelijk. De zomers van toen waren niet al te best, de oogst dus ook niet, en in 1917 maar vooral begin 1918 heerste er daarom in Finland grote werkeloosheid en hadden de mensen schreeuwende honger. Het landelijke Finland (ongeveer 60% toen nog leefde van de landbouw) kon maar weinig doen, omdat de Finse landbouw nog steeds vrij primitief, kleinschalig en onvoldoende gebleven was. De industrie had verder in de loop van de negentiende eeuw veel mensen naar de zuidelijke steden gelokt, naar Helsinki, Tampere of Viipuri, waardoor op vele plaatsen een duidelijk en gistend proletariaat ontstond. Allemaal factoren, die ellende, ontevredenheid en opstandigheid veroorzaakten of voorspelden.

Deze voorspelling kwam nu eind januari 1918 op een wrede en extreme wijze tot uitbarsting: op 26 januari 1918 begon de tragische Finse burgeroorlog, die tot eind mei 1918 voortduurde. De rode fractie riep de (aanvankelijk nog onbloedige) revolutie uit, in navolging van de oktober-revolutie in Rusland. De witte fractie vluchtte weg naar Vaasa, het land werd politiek tweegedeeld. Twee van haat voor elkaar vervulde partijen stonden vijandig tegenover elkaar.

Deze burgeroorlog heeft diepe wonden geslagen en zware trauma’s veroorzaakt in het Finse volk, die nog steeds niet helemaal verwerkt zijn, ook niet na 100 jaar! Vandaar dat de herkozen president Sauli Niinistö in zijn nieuwjaarstoespraak van 2018 terecht opriep, samen nog eens goed over die tijd na te denken. Dat gebeurt ook.

Omdat dit artikel nogal lang geworden is, stel ik voor, in een volgend artikel wat dieper op de Finse burgeroorlog 1918 in te gaan. Ook het tweede deel van de relaties tussen Nederland, Rusland en Finland staat nog in mijn beloofboekje. Verder staat de ontwikkeling van Finland in de loop van de negentiende eeuw en verder niet los van de ontwikkeling van de Baltische landen, vooral dan van Estland en Letland. Daarover dan maar een andere keer!

Op de dag van Kalevala, 28 februari 2018,
Peter Starmans


Historiaa nykypäivälle, Anne Frank

De Anne Frank-tentoonstelling van de Anne Frank- Stichting/Amsterdam

van 3.3.2001 – 13.5.2001

in het Kansallismuseo/Helsinki.

 

Anne Frank, een stukje Europese geschiedenis met een duidelijke boodschap ook voor onze tijd. Zo zou ik de titel van de tentoonstelling willen omschrijven.

Op vrijdag 2 maart 2001 heeft presidente Tarja Halonen de tentoonstelling rond Anne Frank in het Nationale Museum van Helsinki geopend. Het was een sobere plechtigheid in de prachtige hal van het museum, pal onder de warmkleurige fresco’s van Gallen Kallela.

De tentoonstelling zelf is misschien nog soberder en staat als een samengepakt brok beeld- en tekstmateriaal in de kelderruimte van het museum opgesteld. Het is een wel zeer passende en wat enge plaats voor zo’n tentoonstelling rond het jonge wereldberoemde jodinnetje ANNE FRANK. Ze heeft een jaar of twee in Amsterdam in het voor acht mensen wel erg krappe ACHTERHUIS, boven achter het bureau van haar vaders firma, in de schaduw en het welluidende klokkenbereik van de zo statige Westerkerk, met haar familie en vier anderen ondergedoken gezeten. Hun schuilplaats werd uiteindelijk toch verraden aan de Duitse bezetter Ze werden afgevoerd naar Auschwitz en later naar Bergen- Belsen, waar Anne en haar oudere zus Margot stierven.

Dit is een tentoonstelling die aan het denken zet en die verborgen vragen naar boven haalt. „Nooit weer!“ of „Nooit meer!“, zo luidde een kort commentaar van Tarja Halonen, nadat de officiële inleidster, Elisabeth Rehn, dit historische zinnetje al in de juiste context had geplaatst.

De opening werd in- en uitgeleid door een paar prachtige liederen in het Roemeens en niet – zoals misschien te verwachten was – in het Hebreeuws. Waarom niet? Ik weet het niet, maar ook deze liederen klonken (aan)klagend mooi en werden fraai gezongen door een jonge vertegenwoordigster van het Roemeense volk, een zigeunerin uit Finland. De zigeuners zijn in het Finland van nu een duidelijk aanwezige minoriteit en ze worden in Finland ook niet altijd even onbevooroordeeld benadert. Zij waren toen ook een andere, door Hitler even fel als de Joodse minderheid vervolgde minoriteit. Zo vertegenwoordigde deze zangeres – passend bij het thema Anne Frank – de vervolgde mens van toen, maar ook die van nu, door b.v. te verwijzen naar de tragedie van onze tijd in Zuid-Europa, in het voormalige Joegoslavië. Een tragedie die even tragisch is als de gruwelijke actualiteit in het Israel en Palestina van nu. De boodschap van deze tentoonstelling zou – zoals zowel Tarja Halonen als Elisabeth Rehn met nadruk naar voren brachten – de boodschap van de tolerantie kunnen zijn, een woord dat in onze eigen vaderlandse geschiedenis met Erasmus en zijn humanistische idealen verbonden is, blijft en zal blijven. Maar hopelijk wordt er ook iets van dit ideaal gerealiseerd.

Het eerste deel van de tentoonstelling behandelt de Europese gebeurtenissen tussen medio 1929 en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op tien mei 1940.

Een algemeen beeld van de toenmalige politieke (en hopelijk ‚einmalige’) gebeurtenissen in Duitsland. In het bijzonder wordt de satanische toespitsing ervan – door. de Nationale Socialisten o.l.v. Adolf Hitler – gericht op het achtervolgen en kwetsen van het Joodse deel van de Europese bevolking, indrukwekkend in beeld gebracht.

Anne Frank werd begin juni 1929 in Frankfurt a.M. uit Joodse ouders geboren.Zij verhuisde in 1933 met haar ouders en haar oudere zusje Margot naar Amsterdam, om er een zekerder bestaan te vinden. Dat ze dat op den duur ook daar niet vonden en vooral het waarom daarvan, is een ander verhaal, dat hier niet thuis hoort. Een verhaal, dat zelfs in het zo open Nederland van nu nog niet goed verteld kan worden.

Het algemene eerste deel van deze tentoonstelling zet het verhaal van Anne Frank in een breder kader.

In deel twee van de tentoonstelling komt het eerste gedeelte van de Tweede Wereldoorlog ter sprake. De wel erg korte strijd van het Nederlands leger tegen de Duitse overvaller in mei 1940, het leven in Amsterdam tijdens de bezetting erna, het begin van de razzia’s tegen de Joden en de moedige, maar meestal ook bange reacties daarop in de bevolking en tenslotte het besluit van Otto Frank om met zijn familie in het achterhuis van zijn bureau onder te duiken, om daar op beter tijden te hopen en te wachten. Miep Gies, van geboorte een Weense en secretaresse van Otto Frank, is zonder meer bereid de familie te helpen in deze tijd van nood. Zij verzorgt ze twee lange en bange jaren lang met voedsel, nieuws en geestelijke moed. Ze noemt zichzelf geen heldin maar een vrouw die alleen maar deed wat er van haar gevraagd werd in de moeilijke omstandigheden van toen. Maar toch was ze wel erg moedig, zou ik zo zeggen. Wie zou haar dit nadoen?

In het boekje „ONDER ONZE OGEN“, verhalen over de oorlog, verzameld door Margo Minco – Marga Minco, die haar ouders voor haar jonge ogen heeft zien wegvoeren, maar die zelf door toeval in leven is gebleven – vond ik een treffende tekst van M.Vasalis, een van onze grootse dichteressen uit de 20ste eeuw. Ik kan het niet nalaten, een fragmentje eruit te citeren.

6-6-42. De tweede hete dag. De K.straat met mevrouw P. De straat was breed en zonnig, maar al stoffig-zonnig. Langzame zware joden met sterren, dunne profeten met sterren en tenslotte spelend en naarstig zwoegend op een driewielertje twee dunne jodenjongetjes van een jaar of zes in gele badpakjes. Onder hun sleutelbeendertjes een gele ster en daarop stond jood, bijna op hun blote gouden huid. Hun schouderbladen staken uit als dichtgevouwen vleugels. Ze hadden kostbare ogen. Het leken onaardse wezentjes, door domme reuzen niet herkend en gemerkt met een scheldwoord.

(uit. M.Vasalis, uit „Fragmenten uit een journaal“/1945)

Deel drie van de tentoonstelling betreft dan het Achterhuis, zoals het er toen tussen 1942 en 1944 uitzag en gebruikt werd door de acht daar ondergedokenen en ook zoals het er nu – ‚mit allem drum und dran, leider!’ – uitziet als een van de meest bezochte musea van Amsterdam. Het leven van alledag in dit Achterhuis wordt er getoond en de allerdaagse realiteit, waarover het Dagboek van Anne schrijft, wordt er in beeld gebracht. Twee jaar lang lukte het de familie – vooral ook met de daadwerkelijke ondersteuning van Miep Gies en haar medehelpers – onopgemerkt ondergedoken te blijven en niet door de Duitse bezetter ontdekt te worden. Maar dan worden ze begin augustus 1944 door iemand verraden, gearresteerd en weggevoerd naar het concentratiekamp Westerbork in Drenthe. Miep Gies bleef vanwege haar Weense afkomst vrij en kon zo voor Anne, en later dan voor haar vader Otto – die als enige het transport naar het Oosten overleefde – en tenslotte uiteraard voor ons, voor de wereld erna het Dagboek vinden, bewaren en redden. betreft dan het Achterhuis, zoals het er toen tussen 1942 en 1944 uitzag en gebruikt werd door de acht daar ondergedokenen en ook zoals het er nu – ‚mit allem drum und dran, leider!’ – uitziet als een van de meest bezochte musea van Amsterdam. Het leven van alledag in dit Achterhuis wordt er getoond en de allerdaagse realiteit, waarover het Dagboek van Anne schrijft, wordt er in beeld gebracht. Twee jaar lang lukte het de familie – vooral ook met de daadwerkelijke ondersteuning van Miep Gies en haar medehelpers – onopgemerkt ondergedoken te blijven en niet door de Duitse bezetter ontdekt te worden. Maar dan worden ze begin augustus 1944 door iemand verraden, gearresteerd en weggevoerd naar het concentratiekamp Westerbork in Drenthe. Miep Gies bleef vanwege haar Weense afkomst vrij en kon zo voor Anne, en later dan voor haar vader Otto – die als enige het transport naar het Oosten overleefde – en tenslotte uiteraard voor ons, voor de wereld erna het Dagboek vinden, bewaren en redden.

In een boeiend boek van de nu zo bekende Geert Mak „OOGGETUIGEN van de vaderlandse geschiedenis in meer dan honderd reportages“ is de arrestatie van de Franks en het vinden van het dagboekje roerend door Miep Gies zelf later in haar herinneringen beschreven.

Het was een doodgewone vrijdagmorgen, 4 augustus 1944. Het eerste wat ik die morgen deed was naar het Achterhuis gaan om de boodschappenlijst te halen. Na een lange nacht met elkaar opgesloten te hebben gezeten, snakte iedereen altijd naar een leuk bezoek. Anne had zoals gebruikelijk een heleboel vragen en wilde per se met me praten. Ik beloofde dat ik s middags gezellig´op bezoek zou komen nadat ik de boodschappen had gedaan. Nu had ik geen tijd om te praten. Ik ging terug naar het kantoor en begon mijn werk.

… Het moet even na elven zijn geweest dat ik opkeek en een man in burger in de deuropening zag staan. Ik had de deur niet gehoord. Hij hield een revolver op ons gericht en stapte het kantoor binnen. „Blijf zitten,“ zei hij in het Nederlands. „Verroer je niet.“

Toen liep hij naar het kantoor waar Kraler werkte. We waren verstijfd van angst.

Jo zei tegen me: „Miep, het is zover.“

… Ik had geen idee waar hij – de Duitser met een onmiskenbaar Weens accent – naar toe was gegaan. En evenmin wist ik, wat er zich in de rest van het huis afspeelde. Ik was totaal verward, alsof ik in een bodemloze put viel. Wat moest ik doen? Ontredderd ging ik weer zitten.

Toen hoorde ik over de gang langs Kralers kantoor over de oude houten trap naar beneden de voetstappen van onze vrienden. Aan het geluid te horen liepen ze als geslagen honden naar beneden.

Ik zat als versteend. Ik had alle besef van tijd verloren. … Ik weet nog niet hoe de uren voorbij zijn gegaan. Eerst was het tussen elf en twaalf geweest, toen de Nederlandse nazi was binnengekomen. Het moet een uur of halftwee geweest zijn toen ik de voetstappen hoorde op de binnentrap.

We gingen met zijn allen naar de boekenkast en schoven hem opzij, zodat de deur naar het Achterhuis zichtbaar werd. Hij zat op slot, maar was niet verzegeld. Gelukkig had ik een reservesleutel bewaard, die ik ging halen. We maakten de deur open en gingen de schuilplaats in.

Ik zag meteen dat de kamers overhoop waren gehaald. Laden stonden open, spullen lagen over de grond verspreid. Alle meubels waren omvergegooid.

Daarna liepen we de slaapkamers in van meneer en mevrouw Frank. Op de grond, tussen een chaos van papieren en boeken, ontdekte ik het oranje-roodgeruite dagboekje in linnen band dat Anne op haar dertiende verjaardag van haar vader had gekregen. Ik maakte Elli erop attent en zij bukte zich om het op te rapen en gaf het me in handen.

(uit: Miep Gies, Herinneringen aan Anne Frank, 1987)

Deel vier van de tentoonstelling betreft de tragedie van het Joodse volk, de vervolging en realisering van de ‚Endlösung’ door Adolf Hitler en zijn trawanten, de ellende van de transporten naar de concentratiekampen in Polen en Duitsland en tenslotte – ‚last but not least’, zou ik hier kunnen zeggen – het kampleven in Auschwitz/Polen of in Bergen-Belsen ‚auf der schönen Lüneburger Heide’. Hier zien we vreselijke beelden van ziekte, dood en waanzin. Dit was dus de wereld, waarin moeder Edith in Auschwitz stierf en waar daarna de twee dochters Margot en Anne in het concentratiekamp Bergen-Belsen omkwamen.

Mijn vraag is altijd, wat voor leven deze mensen hebben geleid en hoe ze hebben gedacht. We weten het niet van Anne, want het dagboek is al uit, maar wel van anderen. Dus we kunnen er ons iets bij voorstellen, al is en blijft de realiteit voor ons ongrijpbaar. Op zaterdag 3 maart 2001 keek en vooral luisterde ik naar het programma van 3sat.boulevardbio, nauwkeuriger naar een interview van de sympathieke empathische tv-redacteur Alfred Biolek met de twee zussen Lasker – Renate en Anita – van wie de laatste celliste was in het bekende ‚Mädchenorchester’ in Auschwitz en later tegen het eind van de oorlog in Bergen- Belsen. Beiden hebben het samen overleefd en beiden waren tegelijkertijd ook daar, waar Anne en haar zusje Margot stierven, en beiden vertelden over hun verschrikkingen in die hel van toen. Het was shockerend en bood tevens een kijk op het leven van Anne Frank 1944/1945 in het kamp van Auschwitz en Bergen- Belsen.

Een derde citaat wilde ik hier graag invoegen. Het komt uit een van de pareltjes van de naoorlogse Nederlandse literatuur. Het is van de hand van de Joodse professor J. Presser – ja, die van het indrukwekkende boek „De ONDERGANG“ – en heet „De Nacht der Girondijnen“. Het is autobiografisch en gaat hier over de trein die vertrekt van Westerbork/Drenthe naar Auschwitz/Polen, de transporttrein van de Joden naar de vernietiging, en dat wisten of voelden ze echt.

De trein. Ik kan het woord niet meer ontlopen; het moest komen en nu is het er en ik voel: het zal blijven tot het eind van dit verhaal.

Hij komt en hij gaat, maar nog onduldbaarder dan die aankomst, dan dat vertrek, is de regelmaat, waarmee ze plaatsvinden. Het mag stormen, sneeuwen, ijzelen; de trein rijdt. Geen luchtalarm houdt hem tegen: de trein rijdt. Onze bondgenoten gooien hele spoorwegknooppunten in elkaar, vernielen bruggen en loodsen, reparatie- werkplaatsen en materiaal, maar de trein rijdt. Men heeft in Amsterdam gestaakt om de wegvoering van een paar honderd Joden, maar hier voert hij ononderbroken duizenden weg en iedereen doet zijn plicht en geen mens weigert; geen dwarsligger gaat van zijn plaats en geen moer zit los.

De trein is de duivel. Zoals hij uit het duister opdoemt met zijn dofglorende koplampen, zoals hij met een schril gefluit zijn triomf over ons uitgilt, zoals hij klotsend bonkend langzaam langs het peroon glijdt en eindelijk stilstaat in heet gesis en trillende nadreun, lijkt hij een voorwereldlijk dier van ontzaggelijke kracht, de draak uit een boosaardige mythe. Plotseling staat hij midden in het kamp, als door een toverspreuk uit de hel omhoogbezworen.

(uit: Jacques Presser, de Nacht der Girondijnen, 1974)

Het deel van de tentoonstelling, dat erna zou moeten komen, deel vijf bij wijze van spreken – de tijd na de oorlog dus – en de lotgevallen van de Joden van toen tot nu, komt in deze tentoonstelling nauwelijks meer ter sprake. Jammer misschien, want dat zou ons hebben kunnen leiden naar de problematische actualiteit van Israël en Palestina van nu. Maar goed, dit heeft inderdaad ook niet meer direct met Anne Frank of met haar Dagboek of met haar het kamp overlevende vader Otto of met de helpster Miep Gies te maken. Maar daarmee is de link naar nu zeker niet weggewist.

Een thema, dat in deze tentoonstelling kort wordt aangesproken, is het thema: Nationalisme, toen en nu? De vraag ernaar wordt hier wel gesteld, maar niet uitgewerkt.

Een tweede thema, dat hier wordt aangesproken, is het thema: Zuiveringen, toen en nu? Ook deze vraag is een brandende, zeker ook in ons Europa van na 2000, van het nieuwe millennium dus. Ook deze vraag wordt hier wel gesteld, maar niet verder uitgewerkt. De vraag zal dus wel bedoeld zijn als een vraag, die ons tot verder nadenken moet leiden.

Hulp aan de naasten, toen en nu?Ook hier is de vraag actueel temidden van natuurcatastrofen en ook wel van tragedies door mensenhand veroorzaakt. De vraag wordt slechts gesteld en met deze vraag worden we dan naar huis gestuurd.

Een algemeen thema, dat overal doorheen klinkt, is het thema: Hoe is dit kunnen gebeuren en zou het nu nog kunnen gebeuren? De eerste vraag is er een, waarmee heel Europa zich al vijftig jaar bezig houdt.Het antwoord is er nog steeds niet en zal er waarschijnlijk ook nooit komen. Maar zou zoiets nog kunnen gebeuren? Het gebeurt! En daarom is b.v. de oproep van de president „In Gods naam, nooit meer/weer!“ of haar benadrukken van tolerantie iets actueels en iets, waar we wat mee kunnen doen, als we dat willen.

Nog iets, en weer … last but not least. Door de hele tentoonstelling klinkt de vraag: Heeft dit jeugdige meisje, deze puber eigenlijk, de moderne jonge mens nog wat te zeggen? Toch wel, hier wordt ons een meisje getoond – jong, levendig en ondanks de opsluiting en de dreiging van vervolging optimistisch – dat naar de toekomst blijft kijken, niet bij de pakken gaat neerzitten en vecht voor een normaal bestaan. Ze wilde zelfs schrijfster worden en heeft daarom in het Achterhuis de tweede versie van het dagboek al voor druk klaargeschreven. Een gewone jonge springlevende mens, die onder de dreiging van de dood, dag in dag uit, spattend van leven blijkt en blijft. Is dat niet wonderlijk en wellicht een stimulans voor de jonge mens van nu?

Kerava, 9.3.2001
Drs.lic. Peter Starmans
lehtori


Armandus de Caluwé - Eerherstel voor een neef

armand rome a smallArmandus de Caluwé (1911-2002). De familienaam klinkt ons bekend in de oren, de voornaam eigenlijk niet zo. Betreft het hier wellicht een broer of een neef of een oom van pater Robert? Waarde lezer/es, ik schrijf hier over een oudere, volle neef van Robert de Caluwé (1913-2005). Armand was de oudste zoon van Polydore de Caluwé (1881-1967), de jongere broer  van  Henricus de Caluwé (1873-1955), vader van Rob. De oudere neef nu, Armand de Caluwé, verdient eerherstel, ook al, omdat hij vrijwel zeker een eminent en inspirerend voorbeeld is geweest bij de realisering van Rob’s verlangen, priester te worden van de orthodox-katholieke kerk.

 

Beiden waren geboortig uit Zeeuws-Vlaanderen, beiden waren intern op school in Oudenbosch: de een op het Instituut Saint Louis, de ander op de kweekschool. Beiden woonden later jarenlang in Rome, studerend aan het Russicum. Armand was daar van 1932 tot 1938, toen hij in 1937 priester gewijd werd en uiteindelijk in 1938 naar Finland ging; Robert van 1934 tot 1940, toen ook hij priester gewijd werd (al in december 1939) en ook hij naar Finland kwam, gestuurd weliswaar door Rome, maar dan toch wel op instigatie van Armand, die daar al woonde en werkte. De beide neven werken ook daar in Finland tot ver in de jaren vijftig veel en intensief samen.

armand 1929 a smallGeen toeval dus is het duidelijke parallelisme van hun beider leven, waarbij de voorganger Armandus heette en de trouwe navolger Robertus. Jammer dat Rob zich hier bij mijn weten nooit expliciet over heeft uitgelaten en zich zo liever met de aura van zelfstandige roeping naar Rusland heeft willen omgeven, ofschoon het bij nader toezien – en dat heb ik nauwkeurig gedaan – eigenlijk duidelijk is, dat de zaken eenvoudiger en menselijker lagen: de een, Armand, ging voor en de ander, Robert, kwam mee. Roeping is geen vage mystiek, maar concrete realiteit. En waarom ook niet? Beiden hebben ons qua persoonlijkheid en werking zeer overtuigd. Ik wil dus in dit artikel Robert niet afvallen, maar wel wil ik zijn neef Armand de Caluwé het verdiende eerherstel geven, wat zijn roeping en zijn werk als ‘missionaris’ en als leraar in Finland betreft.

Als de dag van vandaag herinner ik me nog het prachtige, krachtige en regelmatige handschrift van mijn collega Juhani Ailisto – oud-docent Nederlands aan de Finse universiteit Oulu – en ook (wat weken later) de persoon zelf, die bij die zo Fins klinkende naam hoorde: een kleine, maar stevige man van al over de tachtig. Hij woonde de Scandinavische bijeenkomst van docenten Nederlands in Helsinki op mijn verzoek bij. Hij had zijn docentenwerk natuurlijk grotendeels al aan anderen doorgegeven, want op zijn leeftijd was rust in werk toch wel aangebracht.

Jussi Ailisto noemde hij zich vanaf eind jaren vijftig, toen hij in Ii bij Oulu was gaan wonen en daar een gezin gesticht had. Daarvóór was hij echter algemeen bekend geworden in katholieke kringen – maar zeker ook daarbuiten – als pater Armandus, oftewel als Armand de Caluwé, die eind 1938 in Finland ‘geland’ was – misschien niet met een Finnair-toestel, maar toch … hij was in Finland ‘aanbeland’, ‘aan land gekomen’. En die in dit land als priester en leraar bovendien succesvol zou gaan werken.

Armand de Caluwé was in 1937 priester gewijd in Rome, de priesterstudie had hij daar gevolgd en hij was lid van de priesters van de oosters byzantijnse ritus, ge-unieerd orthodox of orthodox-katholiek, om het duidelijker te zeggen. Zijn werkterrein had hij oorspronkelijk gedacht en gehoopt in Bohemen te vinden, maar door de inval van Hitler in het toenmalige Tjechoslowakije was deze droom uiteengespat. Wat nu? Pater Deelen was in Wiborg en Helsinki werkzaam, maar raakte met Armand bekend en bevriend in Rome. Daar wees deze hem op een mogelijkheid als missionaris in Finland te gaan werken. Vooral in Oost-Finland was er veel contact met de Russisch orthodoxe kerk en voorts woonden er heel wat orthodox katholieke Kareliërs in de streken rond de oude stad Wiborg. Armand voelde er veel voor en vroeg bij zijn superieuren in Rome en in Helsinki toestemming, in Finland te mogen gaan werken als katholiek priester van de byzantijnse ritus. Dit verlof werd hem verleend. Ook wilde hij zijn Slavische studies verdiepen en afronden aan de universiteit van Helsinki.

Zo gezegd, zo gedaan. Armand trok naar Finland. Bisschop Cobben vond het beter, dat hij eerst naar Terijoki zou gaan – aan de grens tussen Wiborg en Leningrad gelegen, – om Adolf Carling te assisteren bij zijn pastoraal werk in Oost-Karelië. De Slavische studies moest hij voorlopig dan maar vergeten. De zielzorg in Zuidoost-Finland had assistentie broodnodig, want juist daar had de geunieerde katholieke kerk een positieve ontwikkelingskans, schatte Adolf Carling in. Dus Armand de Caluwé ging via Wiborg naar de parochie van Carling in Terijoki – in die tijd nog een prachtige, aan het strand van de Finse Golf gelegen droomstad  voor zomerse badgasten uit Oost-Finland – en om daar onder de strenge leiding van monseigneur Carling Fins te leren en hem tegelijkertijd in het parochiewerk te assisteren. Aangezien Armand wat talen betreft een bolleboos was, liep de samenwerking met de veeleisende priestercollega goed, ze raakten bevriend en dat betekende veel voor Adolf Carling, die zich nogal eenzaam voelde op zijn post vlak aan de grens tussen Finland en de Sowjet Unie.

En goed bleef het samenspel lopen, enigszins tot mijn verwondering, want de parochie werd nu verdeeld in een ‘latijnse’ en een ‘byzantijnse’ afdeling, de een onder Carling, de ander onder De Caluwé, en dit klaarblijkelijk zonder onderlinge wrijving. Ook niet toen de ‘byzantijnse’ kapel duidelijk beter ging lopen dan de ‘latijnse’. Carling trok zich als zielzorger meer en meer terug naar elders in Karelië, maar bleef normaal in contact met en in ‘latijnse’ dienst bij zijn collega in de Terijoki-parochie. Dit geeft blijk van een hoogontwikkeld communicatievermogen bij Armandus, wat overigens steeds meer naar voren zal treden.

armand finsleger a smallDe ‘byzantijnse’ parochie groeide snel, de belangstelling ervoor van de Russisch orthodoxe kant groeide ook, er ontstond prematuur een oecumenische vriendenkring die toekomst bood voor de missioneringsplannen van Armand de Caluwé. Hij vond zelfs twee vrouwelijke assistenten, Molly en Olga, de ene uit Engeland en de andere uit Estland, die  hem later – voorzover de politieke toestand het toeliet – trouw bleven. Wonderlijk liep het en ook snel, maar toen eenmaal de oorlogsdreiging van de Sowjet Unie in oktober 1939 harder werd, moesten Carling en De Caluwé hun kerkelijke gemeentes in Oost-Karelië opgeven. Ze vluchtten eerst naar Wiborg, waar Armand zijn collega’s aldaar hielp waar er maar te helpen viel – in de parochie of in de school – maar in november moest ook hij uiteindelijk daar weg, de stad werd door de Russen gebombardeerd en buitenlanders werd geboden, naar het westen te gaan. Armand de Caluwé probeerde naar Helsinki te komen, maar vanwege de bombardementen van die stad lukte dat niet meer en kwam hij uiteindelijk via Kouvola in Ii bij Oulu terecht, waar hij gastvrij ontvangen werd en vanwaar hij wat later naar Helsinki kon gaan.

De bisschop wilde toen (in overeenstemming met de Finse autoriteiten), dat Armand als buitenlandse niet-Fin naar Zweden of Nederland het land uit zou gaan. Dat wilde hijzelf eigenlijk niet en het lukte hem ook niet meer, zodat Armand in Helsinki is gebleven – zelfs gedurende de vervolgoorlog ’41-’44 – en daar uitmuntend pastoraal werk heeft verricht, voorzover de omstandigheden dit toelieten. En dat weer in nauwe samenwerking met bisschop Cobben, die ook teruggekeerd was naar Helsinki. Paus Pius XII benadrukte toen het blijven ter plekke ook onder  moeilijke omstandigheden zeer. Armand heeft zich vooral in oorlogsdagen bezig gehouden met opvoeding van de jongens, die onder leiding van de Amerikaanse zusters in Helsinki of ook daarbuiten op school en in het internaat verzorgd werden. Ook met de opvoeding van de meisjes hielp hij, voorzover hem dat door de zusters gevraagd werd. Soepele omgang met de jeugd was ook al zoiets, dat hem kennelijk uitmuntend lag.

Intussen was in december 1940 Robert de Caluwé, de jongere neef van Armand, als tweede priester van de byzantijnse ritus in Helsinki aangekomen. Hem zonder meer ter missionering doorsturen naar Karelië kon de bisschop toen al niet meer. Robert en Armand richtten daarom in Helsinki samen een byzantijnse kapel in (aan de Frederikinkatu), maar omdat ze daar te weinig werk hadden – hun parochianen onder de Kareelse vluchtelingen waren te zeer verspreid over Finland – hielpen ze de ‘latijnse’ paters bij hun parochiewerk. Het beiderzijds vurige verlangen om in Oost-Karelië als katholiek priester van de byzantijnse ritus te mogen werken, moesten ze een tijdlang maar gewoon vergeten. Ook de herverovering van Wiborg in 1942 was maar van korte duur, genoeg echter om ook Robert een maandenlang verblijf in de Hyacinthuskerk aldaar mogelijk te maken. Die katholieke kerk  voorzag hij van frescoschilderingen en hij hielp mee de oorlogsschade te herstellen, waarbij hij dan in contact kwam met aan het werk gezette Russische krijgsgevangenen (met wie hij uiteraard in hun eigen taal kon communiceren) en hij zo ongewild een voorproefje kreeg voor zijn eventueel later missioneringswerk. Maar nee, ook dat liep uiteindelijk tengevolge van de verloren oorlog na 1944 helemaal mis. Robert werd daarom ook verder qua werkkring levenslang gebonden aan de regio van Finlands hoofdstad. Het oostdeel van Fins Karelië was verloren gegaan en een half miljoen vluchtelingen zochten in 1944 voor de tweede keer hun heil in het overige Finland. Nu zelfs definitief.

Dat bracht de plannen van de twee orthodox-katholieke priesters uiteraard danig in de war. Wat nu? Vele Kareelse vluchtelingen vestigden zich in het zuiden, waar ze (voorzover katholiek en orthodox) door de twee neven bediend konden worden, maar veel anderen trokken naar elders. Hoe de orthodox katholieke zielzorg en missionering nu verder te organiseren? Dat was een enorm probleem voor de beide neven. Robert zocht en vond al in oorlogstijd zijn eigen richting en weg via het schilderen van iconen; Armand studeerde toen aan de universiteit van Helsinki Slavische filologie, waarin hij dan ook snel en met lof afstudeerde. Hij was een hardwerkende en begaafde studiekop. Maar de zielzorg ernaast bleef hij trouw. Om uitwijzing verder te vermijden, wilde hij genaturaliseerd worden en werd dat ook in april 1944. Toen heeft hij als vertaler uit het Russisch nog enige maanden in miltaire dienst vertaalwerk van veroverde documenten moeten verrichten. Lang heeft hij het niet hoeven te doen, de oorlog was zomer 1944 uiteindelijk en gelukkig voorbij. En vooral … Finland was vrij en westers gebleven.

Armand de Caluwé was in de jaren na de oorlog in de eerste plaats werkzaam als ‘gewoon’ priester binnen de parochie van de ‘latijnse’ ritus, waarvoor hij ook van Rome uit de toestemming verkregen had om die te gebruiken. Hij vervulde jaren op voorbeeldige wijze de gewone taken van de zielzorger. Hij nam van talloze mensen de biecht af en steunde velen door zijn empathisch vermogen en luistercapaciteit, geliefd en vereerd door zijn vroege wijsheid en zijn gezonde ‘Roomsheid’ als geestelijke steun in moeilijke omstandigheden. Hij had door huisbezoek en door veel persoonlijke ontmoetingen contacten met allerhand mensen met wie hij sprak en discussieerde of die hem om raad kwamen vragen. Hij was een goed predikant, die bondig en zo nodig in vele talen de blijde boodschap en de liturgische verklaringen overtuigend wist te verkondigen. Hij was bovendien een goedschrijvend journalist, die met zijn geschreven woord in het katholieke kerkblad en elders velen bemoedigde en eerlijke vragen open en even eerlijk beantwoordde. Ook gaf hij blijk van medeleven in zijn ‘berichten uit Rome’ (Rooman viestiä) met het hoe en wat er in de moederkerk gebeurde en gaf dit grif en graag en begrijpelijk door. Kortom, Armandus was een voortreffelijk priester in de kracht van zijn leven, die gaf wat hij had aan degenen die hem daarom vroegen. Een geëngageerd werker in Gods wijngaard was hij voorwaar, zou je bijna bijbels kunnen zeggen. Daarnaast deed hij voor de kleine byzantijnse kapel samen met neef Robert datgene, wat er daar van hem gevraagd werd.

armand rome a smallVooral op twee terreinen is Armand de Caluwé na de oorlog erg actief geweest. De eerste werkkring ontstond binnen het Academicum Catholicum. De tweede binnen de gemeenschap van de Juventus Catholica. Twee invloedsgebieden dus: de wereld van een volwassen intellectuele academische elite – mannen en vrouwen – en de wereld van de rijpere jeugd – jongens en meisjes. En op beide gebieden was Armand de Caluwé een doorslaand succes.

Het Academicum Catholicum was al in 1936 opgericht door pater Wilfrid von Christierson. Die wilde binnen de naar zijn smaak wat te volkse katholieke kerk van de SCJ-paters een elitair en zelfbewust element creëren via uitdrukkelijke katholieke elitevorming. Hij wilde volwassen parochianen (aanvankelijk voornamelijk zweedstaligen, maar later in de jaren 40 en volgende ook finstaligen) door regelmatig onderricht, liturgie, gebed en discussie (en ook door practische werken van naastenliefde) in het katholiek geloof bestendigen, en hen voorts via Europees christelijke cultuur en literatuur vormen tot eventuele voorlopers en initiatiefnemers binnen christelijke (en niet alleen katholieke) kringen. Een gezonde strijdbaarheid die staat in de traditie van Erasmus met zijn ‘Miles Christi’. Zeer juist gedacht, lijkt me. Aanvankelijk overigens nog niet uitgesproken oecumenisch gericht, dat element kwam er pas later expliciet bij.

De neven De Caluwé werden al in 1942 bij het AC ingeschakeld,  zodat de inhoudelijke opzet ervan breder kon worden en ook het element van de Oosterse ritus en de kerkgeschiedenis (waarin juist Armand zeer sterk was) een duidelijke rol ging meespelen bij deze elitevorming. Ook het literaire element kreeg door de openheid van beide priesters en hun academisch communicatieve kwaliteiten meer gewicht – via bijvoorbeeld kennismaking met literaten als Edzard Schaper, Maila Talvio en de Finse dichter J.J.Mikkola. In de tweede helft van de jaren veertig werd Armand een zeer actief lid van deze academie, hij was gewild als spreker, als discussieleider, als organisator van traditionele feesten en zomer’kampen’ – en die op nationaal en regelmatig ook op internationaal, vooral dan Scandinavisch niveau. In 1951 werd Armand de Caluwé zelfs tot voorzitter van het AC gekozen en het jaar erop tot vice-voorzitter. Vooral het jaar 1951 was een glansjaar in de bewogen geschiedenis van het AC. Onder Armands leiding werd er een groot Noords zomercongres georganiseerd in Parainen, met meer dan 50 deelnemers. Ook bisschop Cobben nam er goedkeurend, positief en actief aan deel. Er werd veel bereikt en de mensen van de omgeving en de pers toonden grote belangstelling voor de gang van zaken. In excursies werd de oude bisschopsburcht (Kuitan linna) van bisschop Maunu Tavaste bezocht, er werd voor het eerst via Nousiainen naar het eiland Köyliö gepelgrimeerd, de plaats waar de eerste bisschop Henrik vermoord zou zijn. Uit deze pelgrimage ontstond zelfs een zomerse traditie, die tot nu toe voortduurt! Ook de traditionele kerstviering met schenkingen aan arme mensen werd een waar feest. Maar in het jaar erop werd al duidelijk, dat er iets vreemds gebeurde binnen de Finse katholieke kerk. Armand liet toen zijn medeleden van het AC de nieuwe byzantijnse kapel aan de Vaasanrinne in Espoo zien, die hij met geschilderde iconografische medewerking van neef Robert voor zich en zijn eigen parochie had ingericht. Het orthodox katholieke, het byzantijnse ging dus toch weer een vooraanstaande rol spelen? Lagen er toen dan al weer meer mogelijkheden op dit terrein voor deze actieve mens? Nou nee, eigenlijk zat het niet zo. Er zat iets heel anders achter.

In de herfst van 1952 werd Armand door bisschop Cobben op vrij scherpe en niet mis te verstane manier teruggefloten en duidelijk gemaakt, dat hij het AC moest laten vallen om zich meer en intensiever bezig te gaan houden met zijn byzantijnse missionering, de taak waarvoor hij naar Finland was gekomen. Dat was voor Armand in de gegeven omstandigheden echter moeilijk nog te begrijpen na de dramatische veranderingen in het Russische Oost-Karelië in 1944, die zijn oorspronkelijke taak vrijwel onmogelijk hadden gemaakt. Missionering daar was niet meer mogelijk, dus waarom daar opnieuw beginnen en niet zo, op de al succesvol ingeslagen ‘latijnse’ weg doorgaan?

Vrij snel na de oorlog had Armand de Caluwé de Italiaan pater Nespoli die door zijn superieuren naar elders geroepen werd, in de leiding van ‘Juventus Catholica’ opgevolgd. Hij werd gevraagd door pastoor Vernooy, die al meteen na de oorlog voor jongens en uiteindelijk ook voor meisjes een soort verkenners- en gidsenbeweging – en ook voortrekkers van nog rijpere leeftijd  was begonnen. Pater Nespoli was geliefd, Armand werd dat ook binnen de kortste keren. Hij kon met jonge mensen goed omgaan, hij kon met ze praten, voor ze preken, hen motiveren, hen inspireren, hen coachen etc. De Armand-periode 1946-1951 van de Juventus Catholica werd daarom een bloeitijd. Met regelmatige liturgische en gespreks-bijeenkomsten, met zomerkampen, en vooral met als hoogtepunt: de pelgrimsvaart naar Rome in 1950 ter gelegenheid van het Heilig Jaar. Dat was een jubelfeest van de eerste orde en de vele deelnemers onder leiding van pastoor Vernooy en Armand de Caluwé met zijn JC waren door het dolle heen van zoveel moois en waardevols, dat ze hadden meegemaakt.

Maar ook hier kwam de knak, toen Armand zelf aankondigde in januari 1952, dat hij als leider van de JC moest terugtreden, omdat andere taken hem zogenaamd riepen. Welke taken dan? De taken van zijn byzantijnse missionering!? Met eigen woorden schetst hij zijn gevoelens van toen: “Met een zwaar hart verlaat ik de Juventus Catholica, die voor mij één grote familie is geworden en die heel actief heeft gefunctioneerd. Ik hoop dat jullie het opbrengen actief te blijven ook zonder mij.” Armand was de motor geweest, wat door zijn joviale en rondborstige opvolger pater Jacobus Reijnders grif werd toegegeven: “Het is voor mij moeilijk een dergelijk onvermoeibare en inspirerende moderator op te volgen.” Het lukte hem, omdat hij zo eerlijk was. De laatste twee citaten zijn overigens genomen uit het eigen tijdschrift van de JC (sedert 1947), dat Armand tussendoor ook nog geredigeerd heeft in die jaren. Armand die zoveel goodwill gekregen had en die samen met de jonge mensen in langdurige ‘talkoot’ (vriendenhulp) op een geschonken stuk oeverland bij Westend in Espoo een nieuw buitenkwartier gebouwd had. Het liep allemaal zo goed …

De volgende vraag is volkomen terecht en gelegitimeerd: Wat is er rond 1951/52 eigenlijk gebeurd? .

Dat de bisschop zelf hem terechtwees en wees op zijn eigenlijk taak, waarvoor hij naar Finland gekomen was,  – al was die toen vrijwel onmogelijk geworden – daar kan ik nog inkomen. Maar uit de hele gang van zaken is veel duidelijker te bespeuren, dat directe collega’s hem eruit wilde werken. De Caluwé was te goed, hij had te veel succes, hoge bomen vangen veel wind. En aan deze groepsimpuls uit jaloezie moest de bisschop wel omwille van de algemene vrede toegeven. Moest hij dat? Niemand weet het. Wel weet ik, dat Armand de Caluwé bisschop Cobben oprecht respecteerde en het omgekeerde is ook wel waar. Dus bij de bisschop zat het zwerende knelpunt eigenlijk niet.

Eind 1952 werd het duidelijk, dat Armand noch bij het Academicum Catholicum noch bij de Juventus Catholica verder gewenst was. Ook was hem diets gemaakt, dat de paters van de Henrik-parochie hem als biechthulp en predikant niet meer nodig hadden – ze waren nu met genoeg paters om zichzelf te kunnen verzorgen – en zo werden hem ook deze communicatiemogelijkheden met parochianen afgenomen. Armand trok zich terug in zijn eigen byzantijnse kapel in Espoo, wat getrouwen trokken wel mee, maar echte toekomst zat er daar niet meer in. Hij voelde zich hopeloos, als een ‘priester zonder gemeente’, als een terzijde geschovene. Hij wilde weg van Helsinki. Zelfs het idee, vanaf 1952 met hulp van neef Robert in Hamina een byzantijnse kapel op te richten, kon of beter gezegd mocht niet gerealiseerd worden. Armand heeft in zijn vertwijfeling nog in Rome geprobeerd, zijn gelijk te krijgen, maar daar wilden ze hem verder niet meer steunen en gaf men het gelijk aan de paters SCJ in Finland. Dit was Armand te veel, hij maakte zich ook financieel zelfstandig, ging terug naar Finland en bouwde zich daar zijn eigen leven. Via een woning in Kisko bij Salo trok hij uiteindelijk naar Ii bij Oulu, waar hij tot rust kwam, vrede vond met zichzelf, zijn priestertoog aan de kapstok hing, met Maija trouwde en een zoon Heikki ontving. Zo vond hij uiteindelijk zijn vrede en geluk. Aan de universiteit van Oulu behaalde hij de benodigde examens om leraar en docent te kunnen worden en dat is hij dan ook op de gemeenteschool in Ii tot tevredenheid van zichzelf en de scholengemeenschap tot aan zijn pensioen gebleven.

Om een lang verhaal nu korter te maken en af te ronden: Armand is gelovig en actief katholiek gebleven, hij heeft vooral ook veel met pastoor Sebastiaan van der Meer (vanaf zomer1969 tot herfst 1971) in de kleine katholieke behuizing in Oulu samengewerkt (en later ook met pater Jan Koolen, pastoor van de kerk in Jyväskylä), hij zorgde ervoor dat er – na deze beperkte en korte tweejarige periode met een vaste priester ‘in huis’ – eens per maand iemand uit Jyväskylä kwam, om de liturgie samen met de kleine Oulu-gemeente te vieren en de band met de (meer en meer oecumenische) kerk te verstevigen. Jammer dat pastoor van der Meer niet kon blijven – zijn teruggaan naar Nederland had financiële redenen – maar hij bleef bevriend met Jussi en kwam regelmatig terug naar Oulu.

Pater van der Meer gaf de lessen Nederlands die hij aan de universiteit van Oulu gaf, door aan Jussi Ailisto. Vandaar dat ik hem als (oud)collega-lector en docent Nederlands aan de universiteit van Helsinki in de jaren negentig heb mogen ontmoeten.

Armand de Caluwé was een geestelijk hoogstaande, fijnzinnige, communicatieve, geinspireerde en inspirerende mens, die jammergenoeg (en misschien onnodig) aan de opbouw van de katholieke kerk in Finland minder heeft mogen bijdragen dan hij eigenlijk gewild had. Het zij zo.

Om eventuele misverstanden te voorkomen, moet me nog deze kleine en boven al gezegde opmerking van het hart. Het is niet mijn opvatting dat Robert de Caluwé door ons overgewaardeerd wordt – nee, over hem zal ik daarom nog wel eens schrijven! – maar het is wel mijn mening, dat zijn oudere neef Armand de Caluwé zwaar ondergewaardeerd wordt, ik heb zelfs het gevoel gehad, dat hij in katholieke kringen een beetje moedwillig doodgezwegen werd, nadat hij als ex-priester trouwde en zijn eigen wegen ging. En toch … wat voor grote betekenis heeft hij gehad als priester! En … wat voor een zou hij wellicht ook hebben kunnen hebben? Vandaar dit verhaal.

Kerava, november 2008

Peter Starmans

lehtori


De trouwe Finlandvaarder Simon van der Woude en zijn 'Barsingerhorn'

Over een schipbreuk (haaksirikko) van ’n Nederlands schip: “Hollannilainen parkkilaiva ‘Barsingenhorn’, kapteeni von der Weiden johtama, salakarille lähtiessään ulapalle Porkkalasta”.

Toen Eero (Rantalaiho, getrouwd met Henriette van der Woude!) in oude kranten zat te snuffelen, zocht hij iets heel anders dan het volgende, maar hij kon toen het eigenlijke niet vinden.Opeens zag hij echter iets staan, dat hem frappeerde.

Een bericht van een schipbreuk (haaksirikko), maar dan een van ’n Nederlands schip: “Hollannilainen parkkilaiva ‘Barsingenhorn’, kapteeni von der Weiden johtama, salakarille lähtiessään ulapalle Porkkalasta”. Een bark dus met de naam ‘Barsingerhorn’ en met een Nederlandse kapitein S. van der Woude. Via de vele niet altijd zo nauwkeurige berichten (holannilainen, Weiden etc) werd het me achteraf wel duidelijk, dat de namen in vele berichten niet zonder meer correct geschreven worden. De vrachtbark ‘Barsingerhorn’, een vrij grote driemaster, was op een onzichtbare onderwaterklip gestoten bij het uitlopen uit de haven van Porkkala. Dit gebeurde tijdens een heftige sneeuwjacht. Gelukkig was de schipbreuk niet zo ernstig en kon het schip met behulp van de loods aan boord op eigen kracht in de haven terugkeren en kon wat later – na gecontroleerd te zijn – toch naar de thuishaven op Texel in Noord-Holland terugvaren. Een bewijs ervan is, dat er geen echt proces verbaal geonden werd, d.w.z. De schade was niet zo groot, dat er een rechtzaak van gekomen zou zijn.

Hé, zei Eero, mijn vrouw Henriette is toch ’n Van der Woude, hoe steekt dat nou in mekaar? En Eero is verder op zoek gegaan. Hij vond toen allerhand korte gegevens in scheepsberichten over dit schip de ‘Barsingerhorn’ met zijn kapitein S. van der Woude (zo correct). Deze gegevens stonden verspreid over bijna twintig jaar in allerhand Finse (finstalige en zweedstalige) kranten, en ze gingen allemaal over vaarten naar de Zuid-Finse kust van het barkschip de ‘Barsingerhorn’, tussen 1871 en 1890.

Zo zie je maar, de sprookjes zijn de wereld nog niet uit! Maar ho maar, waarom zou het een sprookje of een fabeltje zijn? Eero en Henriette spraken er met mij in de loop van de zomer 2006 uitvoerig over en ik zei: stuur me eens een kopie van al die berichten. Die kreeg ik dan en ik had ze tenslotte begin september compleet voorzover nu mogelijk voor me liggen. Maar wat nu? De berichten waren op zich erg kort en nogal droog, overigens zowel in het Fins als in het Zweeds geschreven. Ik las en herlas ze, ik dacht erover na, ik praatte er met Henriette en Eero over en langzaamaan werd het me wel duidelijk, dat hier iets heel interessants in zou kunnen steken. Veel zaken werden bij nauwkeurig lezen tamelijk duidelijk, maar veel bleef toch ook nog in het ongewisse. Het beroerde was bijvoorbeeld, dat we nergens de hele voornaam van S. van der Woude, de gezagvoerder van de driemaster,de ‘Barsingerhorn’, een bark van eind jaren 1850, konden vinden. En dan is het heel moeilijk zoeken in naamarchieven. Henriette zei me, dat haar eigen familie uit Friesland komt en daar komen we inderdaad volgens de vaklui (van het Meertens Instituut) veruit de meeste naammeldingen ‘van der Woude’ tegen. Er komen echter ook veel Van der Woudes in Groningen en Noord-Holland voor, en ook zuidelijker, maar duidelijk snel afnemend in aantal, hoe meer je naar het zuiden komt. Dus waar moeten we zoeken? Het zo vaak genoemde Texel of Nieuwediep verwijst toch wel meer naar Noord-Holland dan naar Groningen of Friesland. En de naam zelf, ‘Barsingerhorn’, is toch ook Noord-Hollands!

 

2. De naam Van der Woude en de uiteindelijk gevonden kapitein

De naam ‘van der Woude’ zelf is wel te verklaren, die heeft een duidelijke en algemene betekenis.

* “De familienaam Van de(r) Woude, eertijds ‘Van den Woude’ met de oorspronkelijke datiefverbuiging van het onzijdig lidwoord, geeft aan dat de eerste voorouders met deze naam op een plek woonden die bekend stond als Het Woud of De Woud(e).”

* “Het woord woud, identiek met Duits wald, komt alleen in Nederlandse plaatsnamen voor, vooral in de noordoostelijke provincies en in Holland. Nogal wat woud-namen duiden aangeplante bossen aan op veen en waterziek terrein. Aan dergelijke bossen herinneren de familienamen Van de Woude / Wolde, Ter Wolde, Woudsma en Woudstra” (Dit zijn 2 citaten uit het bestand van het Meertens-Instituut/Amsterdam)

De kans is dus groot, dat zo’n naam bij meerdere families – verder genealogisch onafhankelijk van elkaar – voorkomen.

Via het internet kreeg ik nu contact met een achterneef van Henriette, Hans van der Woude uit Zuidlaren bij Groningen. Die weet veel meer van genealogie dan ik en was in zijn hartelijke spontaneiteit meteen bereid me te helpen. Geweldig van hem en deze effectieve hulp bracht binnen heel korte tijd, binnen een dikke week zelfs, zeer concrete en heel goede resultaten. Mijn dank en waardering hiervoor!

Ik was door de nauwgezette bestudering van de krantengegevens, die Eero me gegeven had, op eigen houtje al wat verder gekomen met de kennis omtrent het schip, vooral dan wat betreft de thuishavens in Nederland en de doelhavens in Finland. Verder wist ik al iets meer over de lading ervan, maar … vooral de scheeplsading van Nederland naar Finland was voor mij een probleem. Hierover vond ik direct in het materiaal dat mij ter beschikking stond, niet erg veel tot niets precies. Het verslag hierover volgt verderop. Ik dacht nu bij de aangegeven titel ‘kapteeni S. van der Woude’ spontaan en meteen via mijn eigen voornaam Petrus aan de S. van Simon; Henriette zei echter, dat we beter aan een Friese naam konden denken, Sije of Sietse of zoiets. Nou ja, maar Hans haar achterneef was het met haar eens. Omdat hij erg bedreven is in het zoeken in grote archiefbestanden van het internet en elders, vond hij uiteindelijk iemand in Lemmer, ene Salomon van der Woude. Een schipper misschien? Maar die zijn en waren er meerdere met de naam Van der Woude. Maar toch … deze Salomon woonde inderdaad in een havenstad aan de Zuiderzee, aan dat grote beruchte water dat om allerhand redenen in positieve en negatieve verbinding stond met de overkant, met Amsterdam, met Westfriesland, met Texel, met Noord-Holland en zo. Salomon van der Woude kwam aan zijn naam te zien wel uit een Joodse familie, dus het beroep van koopman zou hem niet eens zo vreemd hoeven te staan. Salomon was geboren in 1840, hij was in 1870 dus een jaar of dertig, had dus zeker toen al ruime zee-ervaring kunnen hebben gehad en zou dus zonder meer als kapitein van een grotere bark geweest kunnen zijn. Maar toch … dit alles is slechts speculatie, we weten nog niets van zijn beroep af (een gezinskaart van Salomon van der Woude is in Amsterdam overigens aanwezig). Dus we bleven erg onzeker of dit ‘onze’ man wel was en Hans ging verder in andere archieven snuffelen. En jawel hoor, een dag later kwam het verlossende bericht! Ik heb hem gevonden!!!, schreef Hans aan me. Zijn mail aan mij luidde letterlijk: “Ik heb de schipper gevonden. Het is Simon van der Woude, geb. Muntendam ca. 1839, zoon van Heije Simons van der Woude en Saartje Jans Branbergen. Hij trouwt in Barsingerhorn 14-1-1873 met Anna Cornelia Petronella Bood, geb. in Barsingerhorn ca. 1849, dochter van Cornelis Jacobsz Bood en Christina Kwast. In zijn huwelijksacte staat vermeld dat hij gezagvoerder was, en zijn schoonvader koopman. Dit moet hem zijn!!!” Geweldig, een schot in de roos, veel sneller dan verwacht.

 

Er leefde nu – (heus bewezen via allerhand archieven!) – een zekere Simon van der Woude (jaja, toch een Simon, zoals ik al voorspeld had), geboren op 4 november1839 in Veendam, nauwkeuriger in Muntendam bij Veendam in Groningen. Hij is op 14 januari 1873 in Barsingerhorn in Noord-Holland getrouwd met Anna Bood uit Barsingerhorn, aldaar geboren op 1 januari 1850. Simon had als beroep zeeman, had wellicht ervoor geleerd en had het beroep vooral ook in de praktijk uitgeoefend, van lichtmatroos tot waarschijnlijk stuurman. Simon werd in 1871 scheepskapitein en later in 1873 of 1876 gezagvoerder en uiteindelijk zelfs in 1886 de trotse bezitter van de bark ‘Barsingerhorn’, zoals het schip vanaf mei 1871 herdoopt werd. Simons schoonvader Cornelis Bood was koopman in het dorp Barsingerhorn in Noord-Holland. De boot zelf verkocht Simon in 1893 voor de sloop.

Na deze gegevens gevonden te hebben, moeten we met Hans wel zeggen: “Dit kan niet anders, dit is hem!” Hier hebben we een 100% passende naam, Simon van der Woude, hier hebben we een vrouw die uit Barsingerhorn komt – ‘Barsingerhorn’, de nieuwe naam van de driemaster!; hier hebben we een kapitein, bij wie in het Finse materiaal als thuishaven Texel en later ook Den HelderNieuwediep aangegeven wordt, in Noord-Holland gelegen, niet ver ten noorden van Barsingerhorn in Westfriesland. Uit het huwelijk van Simon en Anna werden zeker de volgende drie kinderen geboren, Sara (1881), Klasina (1884) en Simon (1887) . De kinderen werden allen in Den Helder geboren, zodat het echtpaar Simon en Anna daar in ieder geval na 1880 gewoond heeft. Den Helder ligt tegenover Texel en het Nieuwediep, de haven van Den Helder was de thuishaven was van de ‘Barsingerhorn’ tussen 1871 en 1890. De Rede van Texel – denk maar aan ons VOC-verleden! – was vermoedelijk als haven van aankomst en vertrek voor de Oostzeevaarder(s) gebruikt, de haven van Den Helder/Nieuwediep als thuishaven, waar het barkschip de ‘Barsingerhorn’ bij de kamer van koophandel geregistreerd stond.

Conclusie: we hebben het hier en overal te doen met dezelfde persoon, met Simon Haijes van der Woude, met Simon dus, de zoon van Haije van der Woude, zeeman, die gedurende twintig jaar van 1871 tot 1890 als kapitein van de bark ‘Barsingerhorn’ met vracht op en neer voer van de punt van Noord-Holland naar Zuid-Finland.

 

Een barkschip in het stadhuismuseum van Rauma

3. Het barkschip, de ‘Barsingerhorn’

Ik ben nog vergeten de ‘Barsingerhorn’ voor te stellen.

Het barkschip de ‘Barsingerhorn’ is gebouwd in Capelle aan de Ijssel in 1857, het verwisselde meermaals van bezitter en van naam, en belandde uiteindelijk op 2 mei 1871 in de handen van een Barsingerhornse ondernemer Mulder. Het schip kreeg tezelfdertijd de naam van het thuisstadje ‘Barsingerhorn’ en voer vrijwel meteen onder leiding van kapitein Simon van der Woude naar Ekenäs/Tammisaari in Zuid-Finland. In 1873 wisselde het schip weer eens van bezitter – vermoedelijk van Dirk Spaans uit Barsingerhorn, zoon van burgemeester Jan Spaans – die Simon van der Woude als kapitein van de genoemde bark van Mulder overnam. In 1886 ging de firma failliet en kocht Simon het schip zelf voor de som van 5.575 gulden op (voor die tijd een aanzienlijk bedrag). Daarna voer het schip nog tot 1893 door, waarna het naar de sloper werd gebracht. Als kapiteins van dit grote barkschip worden genoemd de heer Muysson tot 1 mei 1871, en van toen af S. H. van der Woude, onze Simon dus, zoon van Haije, Simon Haijes van der Woude.

Nu weten we over welk schip het gaat. Ik kreeg via Hans, mijn coorespondent, nog het detail, dat het hier een schip betrof van 613 ton. En flinke schuit dus. De twee eerste namen ervan luidden ‘Josepha Louisa’ en ‘Maria Louisa Antoinette’. De ons al zo bekende naam van 1871 tot 1893 was dan ‘Barsingerhorn’. Minder romantisch misschien dan de voorafgaande namen, maar duidelijk verwijzend naar de stad van de kopers en als je wilt naar de stad van de bruid van kapitein Simon.

Heel interessant is overigens ook de route, die Simon met zijn schip in de loop der jaren langs de Zuid-Finse kust nam. De eerste aanloophaven in het voorjaar 1871 was dus Ekenäs/Tammisaari, daarna volgden Porkala/Porkkala in hetzelfde jaar, en in 1872 Helsingfors/Helsinki. Vanaf 1878 zien we de ‘Barsingerhorn’ dan opduiken in Borgå/Porvoo, voorts in Lovisa/Loviisa, in 1880 weer in Helsinki, en ook in Sibbo/Sipoo en Pernå/Pernaja – twee reizen wel in dat jaar – , in 1882 in Kotka. In 1883 maakte Simon opnieuw drie reizen, een naar Pernaja en twee naar Porvoo, in 1884 weer een naar Porvoo, in 1885 gaat het naar Kotka, in 1887 worden drie reizen vermeld, een naar Helsinki en twee naar Wiborg/Viipuri, in 1888 nog een reis naar Sundsvall aan de Zweedse kust en tenslotte ging de laatste reis in 1890 naar Räfsö. Naar de ligging van de laatste twee plaatsen heb ik wel even moeten zoeken, maar uiteindelijk heb ik bij Porkkala het eiland Räfsö gevonden, dus het schip voer – zoals in 1871 – naar Porkkala. Zo heeft Simon van der Woude met zijn bark, de ‘Barsingerhorn’, in de loop van krap 20 jaar de hele zuidkust van west naar oost naar west genomen en is toen na de ronde perfect te hebben afgemaakt naar het uitgangspunt Porkkala teruggekeerd, daar waar het schip in de herfst van 1871 schipbreuk had geleden en vanwaar het 1890 naar huis in Noord-Holland terugkeerde. Het schip werd toen te oud of moe (ook materiaal kan moe worden) en de in Muntendam geboren Simon was het misschien ook wel geworden – hij was toen al over de vijftig, in die tijd voor een zeeman een respectabele leeftijd! – en de ‘Barsingerhorn’ is al in 1893 naar de sloper gebracht. Omdat een reis gemiddeld een kleine maand of twee duurde, meestal in het voorjaar werd gemaakt –(het mooiste jaargetijde in Finland)– en als er een tweede reis gemaakt werd ook begin herfst –(ook wel een vaak erg mooi jaargetijde in Finland)– moet Simon toch wel in de lange tijd, dat het schip in een Finse haven lossen en laden moest, in de loop der jaren het een en ander van Zuid-Finland gezien en gedaan hebben. Veel van deze activiteit is uiteraard nu niet meer te concretiseren!

 

4. De schipbreuk

Misschien is het interessant mijn verhaal van de schipbreuk in 1871 eens weer te geven met de woorden, die ik Hans van der Woude – mijn trouwe mailcorrespondent en kundig helper bij archiefvragen – heb toegestuurd:

(mail van Petrus aan Hans, 14 september 2006)

“Toen het schip, de ‘Barsingerhorn’, november 1871 bijna echt schipbreuk had geleden, begon het toch vrijwel onverwijld aan de terugweg naar Holland. De ‘Barsingerhorn’ was onder kapitein S. van der Woude al vroeger in het jaar in Ekenäs =Tammisaari geweest.

Deze tweede reis van hetzelfde jaar is in het – wat het weer betreft – altijd gevaarlijke najaar naar Porkala /Porkkala gegaan, de ‘Barsingerhorn’ heeft daar een volle lading zaaghout ingenomen, maar liep toen vast op een (ook bij ervaren loodsen) onbekende onderwaterklip in de smalle uitgang door de scheren heen naar open zee. Het was toen op 9 november 1871 erg koud en stormachtig, ze hadden weinig zicht bij een felle sneeuwjacht. Het schip liep op die klip vast, kreeg echter geen gat in de bodem, kon een gedeelte van z’n houtlast ter plekke in het water lossen, kwam zo uiteindelijk vrij en keerde op eigen kracht terug naar de haven van Porkkala.

Daar is de ‘Barsingerhorn’ vrijwel zeker wat grondiger nagekeken en is toen – ofschoon hier geen krantenbericht van bestaat – met z’n houtlading nog voor de echte winter terug naar de Rede van Texel gevaren. Met een gedeeltelijk nieuwe lading? Misschien wel, misschien niet, maar de 400 ruw gezaagde planken of maststammen die uit het schip het onrustige water in gegooid waren om de boot vrij te maken, konden wellicht later toch ‘gered’ of geborgen worden, want de plaats ter plekke buitengaats was smal en dichtbij. Nou ok, zo of zo, de ‘Barsingerhorn’ kon verder zonder ernstige vaarproblemen naar Holland terugkeren.

Van de aankomst thuis in 1871 op Texel – (of vlak bij het plaatsje Barsingerhorn in de gemeente Niedorp, want in 1871 wordt dit stadje uitdrukkelijk nog als thuishaven aangegeven!) – wordt verder jammergenoeg niets in de kranten vermeld, maar de ‘Barsingerhorn’ maakte al voorjaar 1872 een nieuwe en nu wel correct vermelde reis naar en van Helsingfors – correct dus wat de uitklaring ervan met een aangegeven bestemming van Finland naar Holland betreft. Daarom mijn veronderstelling met bovenvermelde reden, dat de bark nog in 1871 naar Nederland is teruggekeerd. Van Helsinki keert het – zo staat gemeld – naar Holland terug ‘med sågstock’, dus met een lading gezaagd hout.

Dit soort lading wordt keer op keer gedurende de twintig Finse jaren van Simon van der Woude in de berichtgeving gemeld.

Die uitdrukking ‘gezaagd hout’ kan twee dingen betekenen: afgezaagde rechte boomstammen voor scheepsmasten of ruwgezaagde houten planken voor de scheepsbouw. De lading was vrijwel zeker voor een Hollandse scheepswerf bedoeld, de naam Zaandam valt zelfs in een van de latere berichten. Zaandam, het centrum van scheepsbouw tegenover Amsterdam. En Zaandam had al vanaf vroeger tijden regelmatig scheepsvaartverbindingen met Finland, bijvoorbeeld met Hamina en Helsingfors aan de zuidoostkust of met Rauma aan de westkust van Finland.

 

Dit, mijn beste Hans, is het wat het uitgebreider verhaal van de schipbreuk 1871.

 

Er was overigens tijdens het ongeval een ervaren Finse loods aan boord, de olterman/ålderman Maurits Magnus Merus met name, vermoedelijk zweedstalig. (‘oltermanni = ammattikunnan vanhin, ammatinvanhin, de oudste van het loodsgilde). De goed ontwikkelde Finse loodsendienst van toen heeft dit averij-geval meteen erg serieus genomen, ze hebben de onbekende probleemklip nauwkeurig gesitueerd en geregistreerd, zodat zoiets niet een tweede keer zou kunnen voorkomen. Voorzover ik weet is het ook geen tweede keer voorgekomen!

Je ziet, Hans, dit is al een klein, maar wel waar verhaal. Geen fantasieproduct of droomvertelling.

De reis met averij van herfst 1871 was overigens – zoals al vermeld – pas de tweede reis van kapitein Simon van der Woude met zijn in het voorjaar 1871 als ‘Barsingerhorn’ herdoopte schip naar Finland. De eerste reis ging naar Ekenäs/Tammisaari en de tweede naar Porkala/Porkkala! De derde naar Helsingfors/Helsinki in 1872. De reis die erop volgde, vond pas in 1878 plaats en van toen af ging het regelmatig tot 1890 richting Zuid-Finland. Of kapitein van der Woude tussen 1873 en 1877 naar Finland gevaren is, weten we niet, in de berichtgeving is daar verder niets over te vinden. Dus waarschijnlijk niet, wellicht naar elders?”

 

een prachtige scheepskist in het stadsmuseum van Rauma

 

Opmerkingen:

•In een procesverbaal, opgenomen uit de mond van Simon van der Woude, kofferdikapteenen /kofferikapteeni (= kapitein van de koopvaardij), staan nog wat verrassende preciseringen! We hebben lang gezocht naar de voornaam van de kapitein, hier staat hij voor de eerste keer voluit in een handgeschreven zweedstalige tekst vernoemd. Het betreft hier het proces verbaal 118 uit 1871, opgemaakt met de kapitein en te boek staand in Helsinki in het stadsarchief.

•In het rijksarchief van Helsinki wordt voorts vermeld, dat de nauwkeurige plaats van het ongeval bij Träskö was, een eilandje voor (de rede van / het schiereiland van) Porkkala.

•Verder wordt er in het proces verbaal nog vermeld, dat het schip (op de heenweg met ballast en) voor de terugweg met zaaghout (sågstock) geladen was bij het laadstation Pikkala, liggend in de regio Porkkala binnen het douanebereik van de tolkamer van Helsingfors/Helsinki, en dat het schip toen op 6 november naar de rede van Porkkala gevaren is en met de ‘lotsåldermannen’ Merus op 9 november de reis voortzette en toen op een onderwaterklip is gestoten. Dat gebeurde om half twee in de namiddag en ze konden het schip slechts weer vlot krijgen door ¼ deel van de last overboord te zetten. Het schip kwam vervolgens terug naar de rede van Porkkala op 10 november om twee uur in de namiddag, waarna kapitein van der Woude het proces verbaal heeft laten opmaken.

•(deze gegevens heb ik via correspondent Eero gekregen, met een digifoto van het handgeschreven oorspronkelijke document erbij).

5. De lading van het schip de ‘Barsingerhorn’

Dat was dus mijn eerste samenvatting van de schipbreuk met later toegevoegd commentaar.

Als opmerking zou ik hieraan nu willen toevoegen, dat de lading van Finland naar Holland meestal wel uit ruwhouten in Finland gezaagde planken bestaan heeft. Al vanaf ‘gouden’ zeevaarttijden waren er – met Nederlands know how en waarschijnlijk ook Nederlands geld en onder leiding van Nederlandse bouwmeesters – aan de zuidkust van Finland zaagmolens gebouwd, om de lading van de vrachtschepen te effectiveren. Gezaagde planken kunnen uiteraard in veel groter getale goed opgestapeld in schepen getransporteerd worden dan gezaagde stammen. Dat is voorts sneller te behandelen, effectiever en goedkoper te vervoeren, vandaar … En verder … boomstammen voor masten werden uiteraard wel als ruwe stam vervoerd en niet verzaagd. Maar dat is vrijwel zeker niet het hoofdproduct van de ‘Barsingerhorn’ geweest. Dat waren zonder meer ruw gezaagde houten planken, bestemd voor de scheepsbouw in Noord-Holland.

Interessant is hier weer een opmerking die de vader van de buurman van de al genoemde correspondent Hans tegen hem bij hun gesprek over deze zaak maakte:

“Petrus, vanavond trof ik de vader van mijn buurman, die zijn leven lang op het scheepsbevrachtingskantoor Wagenborg in Delfzijl heeft gewerkt. Hij zoekt in oude geschiedenisboeken. Hij wist mij te vertellen dat de turf tot naar Finland en St. Petersburg werd vervoerd. De schepen kwamen met hout terug.” (mail 13.9.06) en “Petrus, de vader van mijn buurman sprak over gezaagde planken” (mail 14.9.06).

Petrus, vanavond trof ik de vader van mijn buurman, die zijn leven lang op het scheepsbevrachtingskantoor Wagenborg in Delfzijl heeft gewerkt. Hij zoekt in oude geschiedenisboeken. Hij wist mij te vertellen dat de turf tot naar Finland en St. Petersburg werd vervoerd. De schepen kwamen met hout terug.” (mail 13.9.06) en “Petrus, de vader van mijn buurman sprak over gezaagde planken” (mail 14.9.06).

Weer even terzijde.

Planken ‘stapelen’, planken opstapelen op een luchtige buitenplaats nadat ze in de zaagmolen op dikte en maat gezaagd zijn of planken opstapelen in het ruim van een schip, dat is een interessante term, voorwaar! En nieuw toen in de 16e en 17e eeuw, een term uit Zaandam en Amsterdam /Holland overgenomen, een term gesmeed omdat Hollanders altijd effectief dachten en dit uiteraard ook in hun taal hebben geuit.

Mijn oudste zoon Markku gebruikte deze zomer, toen hij van Savo terugkwam waar hij en zijn vrouw Satu met het opbouwen van een oude blokhut bezig zijn, het woord ‘taapeli’. Markku en Satu hebben die blokhut van een tante geërfd.Maar nu opeens hoorde ik dat mij opvallende woord uit de mond van mijn eigen zoon: taapeli = houtstapel. Markku had het concreet over de houtstapels van de oude afgebroken blokhut, die eerst ergens anders had gestaan, was afgebroken en nu naar een plaats dichter bij het meer werd vervoerd, maar de planken en balken ervan werden dus vervoerd van stapels hier op stapels daar uiteraard. Goed opgestapeld, zodat ze door de luchttocht gedroogd konden worden en droog konden blijven!

Ik vroeg Markku, waar hij dat woord vandaan had. Hij zei, dat het als bouwterm misschien voor mij wat ouderwets klinkt, maar dat het toch een heel normale bouwterm is. En … in het woordenboek staat het ook zonder meer. En jawel hoor, inderdaad: “taapeli, ristikkäin (kuivumaan) asetettujen lautojen tai muun sahatavaran pino, bijv. lautataapeli!” (taapeli = een stapel planken of ander gezaagd materiaal die kruislings gestapeld zijn om ze te laten drogen, bijvoorbeeld een ‘plankenstapel’, wij zouden zeggen ‘een stapel planken’) Alsjeblieft! Dat woord is dan zeker in de 17e of 18e eeuw via de bouwers van zaagmolens uit Holland of via de vrachtvervoerders à la onze Simon per schip zonder twijfel uit het Nederlands overgenomen! De eerst -s- laten de Finnen uiteraard weg, want twee consonanten aan het begin van een woord lusten ze niet. Niet staapeli dus, maar taapeli!

Interessant nietwaar? Maar dit slechts terzijde gezegd.

Bij het woord ‘turf’ van de vader van de buurman zijn we terechtgekomen bij een wat ernstiger probleem, dat ik nog niet bevredigend heb kunnen oplossen.

De vraag is namelijk, wat de ‘Barsingerhorn’ naar Finland eigenlijk vervoerde bij de heenreis naar Finland, als heenlading dus. Want een leeg schip zou a) gevaarlijk kunnen zijn vanwege instabiliteit bij stormweer en b) is het economisch gezien ook niet zonder meer de beste oplossing, lijkt mij als leek. Een leeg schip op transport kost toch alleen maar geld en brengt niks op. Dat kan niet de bedoeling van de reder zijn. En zeker niet als die reder een Hollander is! Wel weten we, dat de heenlading van schepen naar de Oostzee (en ook naar de verre kolonies) al eeuwenlang een probleem was. Voor echt veel kostbaarder Hollandse waren van toen had de Oostzeebevolking het geld nog niet, en de waren daarvandaan naar Amsterdam of zo waren veelal bulkwaar en die namen veel plaats in en waren wat stoffig, nat of vuil. (graan, teer, hout etc.)

Dus nogmaals de vraag: Wat zat er als lading in de bark ‘Barsingerhorn’ op de heenvaart?

In het Finse materiaal komt in dit opzicht alleen maar het woord ‘ballast’ voor. (ballast/barlast/painolasti). Wat heeft dat kunnen zijn?

Van de ene kant is voldoende ballast echt belangrijk voor de stabiliteit van een groter schip. Zware balken of stenen bijvoorbeeld.

Als je me niet gelooft, vraag je dan maar eens af, waarom het wereldberoemde ‘Wasa’-schip in Stockholm meteen na de tewaterlating kapzeisde en zonk? Heel eenvoudig, omdat het geen of niet voldoende ballast aan boord had! Het kon zonder deze ‘painolasti’ (mooi woord, ‘gewichtslast’) niet goed in evenwicht blijven, kiepte om en verdween onder water. Wel fijn voor ons 21ste-eeuwers misschien, maar niet toentertijd voor Koning Gustav II Adolf en zijn militaire staf in de 17e eeuw. Maar goed, nu is de ‘Wasa’ vrijwel het enige grote (overigens door een Nederlandse bouwmeester gebouwde!) zeventiende-eeuwse schip, dat aldus volledig en prachtig bewaard is gebleven voor het nageslacht. Het lag immers goed geconserveerd van 1618 tot 1960 in het rustige diepe water van de tegen weer en wind beschermde haven van Stockholm. Toen pas werd het opgevist, kreeg een eigen museum en is een van de grote trekpleisters van Stockholm geworden en dat terecht.

Finland wil ook zoiets doen met de ‘Vrouw Maria’, mooi zo, maar dit schip is veel kleiner, ligt veel dieper in open water en het bergen ervan wordt dus wel erg duur, zo niet te duur. De Zweden zijn de Finnen dus ook hierbij weer eens te snel af geweest! We moeten maar zien wat eruit wordt, uit de Vrouw Maria dus. Dit echter weer ter zijde. Nu terug naar de ballast.

Van de andere kant kon een goedgebouwd schip en een verstandig schipper een zwaarder soort bulk in plaats van ballast als te verkopen materiaal meenemen. Want voor de terugweg werd er een zware houtlading geladen, dus ballast genoeg door eigen lading! Het voordeel van genoeg ballast op de heenreis was dan, dat het schip zekerder voer omdat het dieper in het water lag, een ander voordeel was verder, dat er met die bulkwaar in de doelhaven wat geld verdiend kon worden. In ons geval heb ik eerst gedacht aan zware balken of stenen, maar dat naar Finland vervoeren zou niet erg economisch zijn. Dat materiaal hebben ze hier al zat! Dus dacht ik aan bakstenen bijvoorbeeld – een vanouds veelgemaakt product in Nederland – want die goede Hollandse bakstenen kunnen toch overal gebruikt worden, waar gebouwd wordt. En waarom zou er eind negentiende eeuw in Finland niet gebouwd zijn? Een andere mogelijkheid, die bij me bovenkwam was inderdaad turf, een goede energiebron, die ook in Finland gebruikt zou kunnen worden. Ik dacht eraan, omdat Simon van der Woude en zijn familie geboortig was uit Muntendam/Veendam in het centrum van de veenstreken van Groningen. Die turf werd daar uiteraard grotendeels gebruikt in de regio, accoord, maar een gedeelte ervan werd ook per binnenschip naar een Zuiderzeehaven vervoerd en vandaar naar Holland gebracht. Dus waarom niet ook naar de ‘Barsingerhorn’ om mee te nemen als verkoopbare ballast? En via Veendam had Simon zijn hele leven lang voeling gehad met de veenstreek en had er waarschijnlijk ook schipperskontakten. In deze opvatting heeft de opmerking van Hans’ buurman me wat betreft deze ballast-mogelijkheid gesterkt.

Maar goed, het probleem heb ik in ons geval niet kunnen oplossen, omdat er nergens een gegeven over bestaat. Ballast vervoerde de bark op de heenweg zeer zeker en wordt ook heel vaak vernoemd in het Fins materiaal. En die ballast zal toch wel vaak iets ‘bulkachtigs’ geweest moeten zijn, waarmee wat geld verdiend kon worden, bijvoorbeeld … bakstenen of turf. Misschien wel, misschien niet. Verder ben ik jammergenoeg niet gekomen. Met dit antwoord op deze heenladingsvraag moeten we voorlopig tevreden zijn.

6. Salomon of Simon?

Een Zuiderzeehaven, waar onze kapitein gewoond heeft, daar sprak ik net over en dat zou toch kunnen – een stadje als Lemmer bijvoorbeeld?

Om nu een klein voorbeeld ervan te geven, hoe lastig het is, bij zo’n onderzoekje de waarheid van een eigen vermoeden via archieven te vinden, het volgende: Na dagenlang zoeken (bijna als naar een speld in een hooiberg: snor maar eens ene S. van der Woude, geboren rond 1840, in archieven op!) dachten we – correspondent Hans vooral en ik als goede tweede – dat we raak geschoten hadden: Gemeld werd in Friesland “Salomon van der Woude, geb. Lemsterland 14-10-1840, zoon van Mozes van der Woude en Mettje Salomons Blok. Salomon trouwt op 27-4-1873 in Lemsterland Sara de Jong. Zij hebben een dochter Ester, geb. Lemsterland 23-9-1873, en een zoon Abraham, geb. Lemsterland 7-12-1875. Ester trouwt in Amsterdam op 13-8-1902 met Samson Pach, geb. Amsterdam 1878.” Lemsterland is gelijk aan Lemmer, dus een centraal gelegen havenstadje aan de oostkust van de toenmalige Zuiderzee, dat zou wel kunnen, dat klinkt verleidelijk, maar toch … we hadden nog geen beroep van Salomon, want alleen maar het feit dat je in een havenstad woont, levert nog niet het bewijs, dat je ook zeeman bent. En … zeeman zijn past niet zo goed bij een duidelijk Joodse familie. Goed, het geboortejaar van Salomon was 1840, dan is Salomon dus in 1871 oud genoeg, om een gedegen zeemansopleiding met succes achter de rug te kunnen hebben en voorts al enige jaren als matroos en meer ergens in dienst te kunnen zijn geweest. Dat zou best wel zo kunnen zijn. Maar ja … was deze Salomon wel een zeeman? Dat wisten we eerst niet, maar in Amsterdam hebben we gevonden dat hij slager was. Een eerzaam beroep overigens, maar niet zonder meer passend bij dat wat wij zoeken. Hij was van Joodse afkomst, zodat zakenman wellicht ook in aanmerking had kunnen komen. Ik bleef dus wantrouwig, dit kon hem eigenlijk niet zijn, ook al zou je er met wat fantasie een mooi verhaal aan vast kunnen breien om hem passend te maken. We hebben zelfs een gezinskaart van hem in Amsterdam aangevraagd met het al genoemde ‘slagers’-resultaat, ok …

en toen vonden we een dag of twee later Simon van der Woude en werd het ons meteen duidelijk, dat hij de gezochte persoon was en niet Salomon, hoe graag ik het hem ook gegund zou hebben. Dit ter waarschuwing voor hen, die te snel denken de oplossing gevonden te hebben. Je moet altijd de munt een paar keer om en om draaien, hem eens tussen je tanden nemen en er stevig op bijten (zogezeid ‘hem aan de tand voelen’) en dan kijken of de argumenten stand houden. Door het door Eero gevonden document in het archief van de stad Helsinki is Simon ook zonder meer als juist geboekstaafd. Fijn zo.

7.De ‘cv’ (levensbeschrijving) van Simon Haijes

van der Woude

Op 4 november 1839 is in Muntendam in het gezin van Haije Simons van der Woude en zijn vrouw Saartje Branbergen hun eersteling geboren, zoon Simon. In 1841, twee jaar later dus, kreeg het echtpaar een tweede zoon, die de naam Jan kreeg en ook in Muntendam geboren werd.

De vader van Saartje, van beroep schoolonderwijzer, is een klein jaar na de geboorte van Simon gestorven. Oma Branbergen was toen al meer dan zes jaar dood. Moeder Saartje en ook wel vader Haije Simons – zelf toch schoolonderwijzer in Muntendam! – hoopten wellicht op een waardige opvolger-schoolmeester in hun eerste zoon, maar deze wens is niet in vervulling gegaan. Jan de tweede zoon werd wel schoolonderwijzer. Mijn verklaring is, dat Simon – de oudste – meer praktisch gericht was, dat hij al jong het water op wilde, dat hij oom Eildert Jans als idool vereerde en dat hij daarom als zeeman zijn leven ook gestalte gaf. Voorts is het mijn opvatting, dat de tweede zoon Jan de goede theoretische studiekop van de twee jongens was, een vroegrijpe jongen die tot grote tevredenheid van zijn moeder en ter nagedachtenis aan hun toen al overleden vader voor schoolmeester mocht en ook zonder meer wel wilde leren. Na zijn studies werd hij eerst onderwijzer in Petten / Noord-Holland (1866) en zelfs vrij snel daarna hoofdonderwijzer in Barsinghorn (1871), en dat betekende nogal wat in die tijd. Jan speelde in het kleine vaderloze gezin van der Woude tot 1873 de hoofdrol. Pas na zijn trouwen in 1873 begon Simon meer op de voorgrond te treden! Maar goed … de wens van Simon om zeeman te worden en de wens van Jan om schoolmeester te worden zijn eigenlijk van nature uit hun karakter, aanleg en omgeving geboren. En vervolgens … de twee beroepen van de jongens liggen in ieder geval in het verlengde van de beroepen van vader en moeder en hun, misschien meer moeders naaste verwanten. Deze twee appels zijn inderdaad niet ver van de boom gevallen.

 

[Het ‘gevaarlijke’ bij deze ‘verklaring’ is misschien, dat dit ook wel een beetje zo was met mij en mijn bloedeigen tweelingbroer Paul. Paul was geen studiekop, maar hij was enorm handig en is ook gaan varen voor enige jaren als officier bij de Nederlandse koopbaardij op de grote vaart. Peter (ik dus) was de studiekop, ik was letterlijk onhandig met de handen (in ieder geval stukken onhandiger dan mijn tweelingbroer Paul) en dus kreeg ik de kans vlak bij ons thuis op een elitair jezuietencollege – het beroemde Canisius College van Nijmegen, waar Ruud Lubbers schuin achter me zat! – mijn best te doen. Dat deed ik ook wel min of meer en ik werd later zelfs leraar, nee meer nog, ik werd de eerste docent Nederlands in Finland aan de Universiteit van Helsinki. Jaja, dat komt ervan als je verliefd wordt op een Fins meisje en daar gaat wonen en werken als leraar. Het is me toch wat, nietwaar? Haha! Maar de parallelliteit van de tweelingbroers Peter en Paul met Simon en Jan is wel duidelijk, lijkt mij. En ik denk dat ik in mijn interpretatie van de gegevens niet eens zover bezijden de waarheid zit.]

De vader van Simon dus, Haije Simons van der Woude, was zoals al gezegd, schoolonderwijzer in Muntendam. Toen Simon al wat ouder was, is hij echter na een met succes doorlopen uitgebreide lagere school – hij kon uitstekend lezen en schrijven – misschien wel naar de zeevaartschool in Veendam gegaan, maar bewijzen van een einddiploma hebben we daar niet kunnen vinden. Dus misschien ging hij er ook niet naartoe. Het laatste denk ik dat gebeurd is.

Simon Haijes van der Woude woonde tot aan zijn trouwen in 1873 eerst in Muntendam en later in Veendam. Tot 1849 leefde hij met zijn broertje Jan bij beide ouders in hun geboortestadje Muntendam, waar vader Haije Simons in datzelfde jaar stierf. Toen was Simon pas 10 jaar oud en zijn broertje Jan 8 jaar. Moeder Saartje bleef met haar twee zoontjes alleen achter. Ze bleef voorlopig nog in Muntendam wonen en verhuisde pas in 1868 met haar oudste Simon naar Veendam. Zoon Jan was toen al getrouwd en weg van huis, hij was zelfstandig in Petten gaan wonen met vrouw en kinderen – hij kreeg er in de loop der jaren zes, vijf dochters en een zoon. Saartje ging dus in 1868 met Simon bij een van haar twee broers, bij Roelf Jans Branbergen, wagenmaker, in Veendam inwonen. De andere broer van Saartje – oom Eildert Jans, kapitein – woonde er ook in de buurt, geweldig, want hij was van jongsaf aan Simons idool nummer één geweest en was ook wel een soort stille weldoener voor neeflief, die al zo jong zonder vader op de wereld was komen te staan. Eildert Jans was als zeekapitein niet alleen het idool van de jonge Simon, maar Eildert Jans heeft de oudste zoon van zijn zuster vrijwel zeker ook deels opgeleid en deels verdergeholpen bij zijn loopbaan ter zee. Eildert Branbergen-Schipper – een zoon van Eildert Jans, geboren in 1849 – heeft de zeevaartschool van Veendam overigens wel met succes doorlopen en is daarna ook schipper geworden. Simon doorliep vermoedelijk dus niet de zeevaartschool. Uit geldgebrek misschien? We weten het niet precies! Maar bij oom Roelf in de wagenmaker- werkplaats was het gegarandeerd ook interessant mee te werken en bij hem zal de praktisch gerichte Simon zeer zeker tussen neus en lippen door veel fijne kneepjes van het timmermansvak hebben leren beheersen – overigens waren er in de familie wel meer timmerlieden! Simon heeft zo de goede en kwade of moeizame eigenschappen van hout en de mogelijkheden ervan ‘handtastelijk’ bij Roelf in de werkplaats aangevoeld en aangeleerd en dat moet zeker ook van voordeel geweest zijn voor zijn latere beroep als kapitein van de houtvrachtvaarder, de ‘Barsingerhorn’. Neef Simon was wel bij oom Eildert Jans ook alleen al daarom van jongsaf aan in de leer, omdat moeder Saartje, de zus van Eildert, waarschijnlijk na de te vroege dood van haar man Haije geen geld genoeg had om haar zoon Simon op de zeevaartschool te laten studeren. En een bescheiden maar dringend beroep doen op je naaste verwanten was toen gebruikelijk en ongecompliceerd gewoon. Als oudste zoon moest Simon – misschien door de omstandigheden gedwongen – en wilde hij zeker ook al op jeugdige leeftijd de zee op, bijvoorbeeld om het kostgeld voor moeder en jongere broer te verdienen. Oom Eildert zal ook hier wel een handje geholpen hebben. Want twee jongens op school en in de kost zonder eigen verdienste was voor Saartje wel wat te veel. Simon heeft het als oudste kennelijk goed gevonden, dat hij zo’n beetje de kostwinner van de familie moest zijn. Vader was toch al gestorven en zijn jongere broer met z’n studiekop wilde zo graag leren en kreeg dan wat later de kans naar de kweekschool – maar toch … de vriendschapsbanden tussen de oudere en de jongere broer bleven bestaan tot beider voordeel en zegen.

Begin jaren 1860 is Simon van der Woude in militaire dienst geweest. Waarschijnlijk als matroos op de marinebasis van Den Helder, toen al de maritieme zeehaven van het Koninkrijk der Nederlanden. Het was niet voor niets dat Simon als jonggetrouwde in 1873 meteen met zijn bruid naar Den Helder trok en daar tussen oude vrienden en bekenden ging wonen en er zijn ‘Barsingerhorn’ liet registreren, overwinteren en opkalefateren, al heel snel na 1871, toen hij er de kapitein van werd.

Omdat Simon als zeematroos in militaire dienst en in de koopvaardij veel uithuizig was en Jan in 1866 al als jong beginnend schoolmeester naar Petten in Noord-Holland getrokken was, zijn moeder en broer Simon in 1868 naar Veendam verhuisd. Simon heeft na 1868 – toen hij op de grote vaart wat beter verdiende – financieel meer voor zijn moeder kunnen betekenen en woonde in zijn ‘zeevrije’ tijd bij haar in Veendam, totdat hij zelf januari 1873 ging trouwen in Barsingerhorn met Anna Bood, op wie hij verliefd geworden was en met wie hij sedert 1870 verloofd was. Na hun (Simon en Anna’s) trouwen woonden ze samen in Den Helder, maar ik kan me niet voorstellen dat de twee broers ook niet vanaf toen uit liefde voor Saartje financieel voor hun (Jan en Simons) moeder gezorgd zullen hebben!

 

Nog iets nauwkeuriger samengevat het een en ander over broer Jan.

Jan van der Woude is in 1866 getrouwd in Muntendam en verhuisde naar Petten, omdat hij daar als onderwijzer aangesteld werd. Tot 1866 woonde de familie van der Woude (Saartje, Simon en Jan) nog tesamen in Muntendam, zodat de verhuizing van moeder en broer Simon pas daarna heeft plaatsgevonden, vermoedelijk in 1868. Jan werkte als schoolonderwijzer van 1866 tot 1870 in Petten. Hij maakte promotie tot hoofdonderwijzer in Barsingerhorn, waar zijn gezin ook mee naartoe verhuisde. In september 1871 werd daar hun enige zoon Haijo tussen vijf dochters in geboren. Het verhuizen als hoofdonderwijzer naar Barsingerhorn was toentertijd een grote sociale promotie, verder moet het verhuizen of de gebeurtenissen er vlak na iets te maken hebben gehad met de aankoop van de ‘Barsingerhorn’ per 1 mei 1871 door Mulder & Co. Daarom neig ik er sterk toe, dat Jan al in 1870 naar Barsingerhorn is verhuisd. Jan was/werd in dat stadje door zijn officiële functie een respectabel burger. De familie van der Woude en de familie Spaans hebben vriendschap met elkaar gesloten tussen 1871 en 1873. En zo zijn we dan ook bij de timmerman/burgemeester Jan en bij zijn zoon, de houtzaagmolenaar Dirk, terechtgekomen. Oom Simon Spaans, landman en getuige bij het huwelijk van Simon en Anna, was overigens òf een rijke boer (wat in het vruchtbare Noord-Holland/West-Friesland helemaal niet zo verwonderlijk is) òf hij had iets met hout te maken door molenbezit, bosbezit of iets dergelijks. Dat laatste betwijfel ik echter in het polderachtige noorden van het Holland van toen.

Al vanaf 1868 – maar ook wel in de leerjaren ervoor, van jeugdig lichtmatroos tot ervaren zeeman! – was Simon vaak weg van huis op zee, op de grote vaart als serieuze zeeman in praktische opleiding. De liefde voor de zee heeft hij geërfd van de broer van zijn moeder, oom Eildert Jans Branbergen, zeekapitein, bij wie ze dus in de buurt waren gaan wonen. Eildert was een ervaren zeekapitein, die zijn liefde voor de zee overbracht op neef Simon, maar ook op zijn eigen tien jaar jongere zoon Eildert, die wel mocht gaan leren aan de zeemansschool en daarna schipper werd. Voorts zaten er in de familie Van der Woude ook wel enige (binnen)schippers, al was het voornaamste beroep daar tot en met de generatie van Simons vader wel landbouwer of iets wat daarmee te maken hadden – zoals wagenmaker of timmerman – geweest. Ook in de familie Branbergen waren er boeren of landmannen, zoals toen zo fraai gezegd werd.

 

Simons vader, Haije Simons van der Woude was de positieve uitzondering in zijn familie, hij had voor onderwijzer mogen leren! In zijn voetstappen trad zoon Jan.

[Het interessante vind ik hier, dat Haije als oudste mocht gaan leren Mijn eigen vader was als jongste van vele broers en zussen daarentegen degeen die toen mocht gaan studeren. ’t Kan verkeeren, zei Breero!]

 

Vanaf mei 1871 kreeg Simon op nog vrij jonge leeftijd – iets over de dertig – het bevel over de bark ‘Barsingerhorn’, die in 1871 twee keer en in 1872 een keer naar Zuid-Finland voer. Bij de tweede reis van dat jaar beleefde hij bijna een echte schipbreuk vlak voor de Zuid-Finse havenstad Porkkala, maar gelukkig liep alles met een sisser af en kon Simon met zijn schip veilig terugkeren via de Rede van Porkkala naar die van Texel.

Kapitein Simon reisde vandaar telkens na iedere reis eerst naar Barsingerhorn in Westfriesland – waar Jan, z’n getrouwde broer toen woonde en uiteraard ook Anna z’n verloofde! – en vandaar trok hij dan verder over de Zuiderzee naar huis terug, naar zijn oude alleenstaande moeder, bij wie hij nog inwoonde.

Vermoedelijk was Simon – zoals boven al gezegd – nog steeds financieel gedeeltelijk verantwoordelijk voor zijn moeder, die zonder beroep en inkomen in Veendam als weduwe van Haije leefde. In een eigen woning weliswaar, maar toch … Het pensioen van een onderwijzersweduwe zal in die tijd zeker niet overweldigend geweest zijn!

 

In februari 1873, een maand na het burgerlijk huwelijk, trok het jonge echtpaar Simon en Anna Van der Woude-Bood naar Den Helder, om op zichzelf te kunnen wonen in een maritiem stadje dicht bij de thuishaven van de ‘Barsingerhorn’. Simon werd – na zijn leerjaren en zeemanstijd van lichtmatroos tot stuurman – eerst kapitein (1871), toen gezagvoerder (1876) en later bezitter (1886) van de ‘Barsingerhorn’.

Dat Simon zoals we weten officieel op 3 februari in Veendam uitgeschreven werd, is logisch, omdat hij zich toen met Anna zijn vrouw in Den Helder moest inschrijven (begin februari 1873). In Barsingerhorn heeft Simon inderdaad nooit gewoond en hij was daar ook niet ingeschreven.

Vooral van 1878 tot 1890 voer hij – soms wel tot drie keer per jaar – op en neer naar Zuid-Finland, om daar zaaghout op te halen voor de werven in Noord-Holland en zeker later na de jaren 1880 ook voor scheepsbouwers in Zaandam en omgeving. Kapitein Simon van der Woude heeft tussen 1873 en 1886 ook materiaal voor de houtzaagmolen van Dirk Spaans aangevoerd, Dirk als de bezitter (Spaans & Co) van de bark ‘Barsingerhorn’.

Tussen de jaren 1874 en 1887 kregen Simon sr en Anna drie zonen en vier dochters. De jongste, zoon Simon jr, ging evenals zijn vader de scheepvaart in, naar Nederlands-Indië.

 

In de jaren 1890 was de bark ‘Barsingerhorn’ eigenlijk al een afgeleefd schip en het werd in 1893 – zoals het zo beroemde fregatschip de ‘Johanna Maria’ van Arthur van Schendel! – aan de sloper verkocht. Simon bleef toen verder in Den Helder aan wal en verdiende door als ‘geldschieter’ –(een soort bankiersactiviteit van geld uitlenen tegen rente)– aan de visafslag -(een soort beurs van aan- en verkoop van verse vis)- in Den Helder. Een respectabele baan dus, verwijzend naar het feit, dat kapitein Simon met zijn Finse vaarten goed geld verdiend had en meer dan genoeg ervan bezat om het tegen rente uit te lenen en zo zelf aan te spekken. Op 23 juni 1913 stierf Simon van der Woude op 74jarige leeftijd, nadat zijn vrouw Anna hem al in 1909 ontvallen was.

Interessant is voor mij was ook de sociale klim binnen de familie van der Woude in de loop van drie of meer generaties, zeker ook mogelijk gemaakt door het beetje meer welvaart van telkens, zoals over het algemeen een volgende generatie dat meestal als cadeau meekrijgt van de voorafgaande generatie.

Stamvader Heijo Simens van der Woude uit de 18e eeuw was schoenmaker; grootvader Simon Haijes van de Woude werd landbouwer in Veendam, nadat de veengronden aldaar afgegraven waren; zijn oudste zoon Haije Simons van der Woude mocht daarentegen al naar de kweekschool en werd schoolonderwijzer en diens zoon Jan schopte het zelfs tot hoofdonderwijzer. Overigens … de vader van zijn moeder, Saartje Branbergen, was ook al onderwijzer, en ook wel daarom mocht haar tweede zoon Jan – de jongere broer van Simon – ook meester worden, hij werd zelfs hoofdonderwijzer en dat in Barsingerhorn! Jan had dus – zoals zijn vader (en grootvader Jan Eilderts Branbergen van moeders kant) – in de derde generatie weer de kans gekregen, op de kweekschool te leren en er zelfs de hoofdacte bij te halen en dat is zonder meer meer! Zijn oudere broer Simon Haijes ging vermoedelijk door omstrandigheden en ook wel op eigen wens niet naar de zeemansschool in Veendam, maar in ieder geval genoot hij onder voogdij en begeleiding van oom Eildert Jans na een degelijke gewone lagere-schoolopleiding een goede en praktische zeemansopleiding, misschien op een turfschip in Groningens veengebieden om de zeevaartbeginselen onder de knie te krijgen en daarna dan verder en hogerop op een Zuiderzeeschip of nog meer? Zulke vragen zijn jammergenoeg concreet niet meer te beantwoorden.

 

Dankzij z’n hang naar zee, zijn aanleg, z’n handigheid en praktische zeemanszin werd Simon reeds als jongeman van dertig kapitein van de ‘Barsingerhorn’, toen die door kooplieden van het stadje Barsingerhorn aangekocht was – eerst door Mulder (& Co) in 1871 en daarna in 1873 door D. Spaans (& Co) – beide partijen uit Barsingerhorn en beide goed bekend aan de familie Van der Woude, vooral vermoed ik aan broer Jan, de hoofdonderwijzer van Barsingerhorn, een eerbaar beroep toentertijd in een Hollandse stad.

 

Een bijzonderheid is het wel, dat Dirk Spaans, houtzaagmolenaar (!), zoon was van de burgemeester van Barsingerhorn.

Een andere bijzonderheid is voorts, dat Simon Spaans, landman, getuige was bij het huwelijk van Simon en Anna. Simon Spaans was oom van Dirk, die op zijn beurt een zoon was van Jan, timmerman en burgemeester van Barsingerhorn.

Zulke details bieden interessante perspectieven!

Door Simons goede, efficiente en snelle manier van handelen op zee – ook in moeilijke situaties bij storm en averij, zoals bleek tijdens de sneeuwstorm in de herfst 1871 voor Porkkala – werd hij al in 1873 of 1876 (hier lopen de gegeven feiten wat uiteen) gezagvoerder van het barkschip de ‘Barsingerhorn’ en hij had in 1886 kennelijk al zoveel geld verdiend en gespaard, dat hij de failliete ‘Barsingerhorn’ zelf kon opkopen en er nog tot 1893 mee kon doorvaren. Aan handel met Finland kan je kennelijk rijk worden!

 

Tussen 1878 en 1890 voer kapitein Simon Haijos van der Wouden vrijwel jaarlijks op de Oostzee naar Zuid-Finland en vandaar terug naar Noord-Holland, naar de Rede van Texel of de haven van Den Helder, het Nieuwediep.

 

8. De huwelijksakte van januari 1873

De burgerlijke huwelijksacte van Simon van der Woude en Anna Bood is overigens wel zo prachtig, dat ik die in zijn geheel hier citeer. Bovendien worden daar dan nog enige andere zaken duidelijker!

“Heden, den veertienden Januarij Achttienhonderd Drie en Zeventig, zijn voor ons ondergeteekende, Ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente Barsingerhorn e.a. in het huis derzelve gemeente verschenen ten einde een huwelijk aan te gaan,

Heden, den veertienden Januarij Achttienhonderd Drie en Zeventig, zijn voor ons ondergeteekende, Ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente Barsingerhorn e.a. in het huis derzelve gemeente verschenen ten einde een huwelijk aan te gaan,

Simon van der Woude,jonkman, van beroep gezagvoerder, oud drieendertig jaren, geboren te Muntendam en wonende te Veendam, meerderjarige zoon van Haije Simons van der Woude, overleden, en van Saartje Jans Branbergen, zonder beroep, wonende te Veendam

jonkman, van beroep gezagvoerder, oud drieendertig jaren, geboren te Muntendam en wonende te Veendam, meerderjarige zoon van Haije Simons van der Woude, overleden, en van Saartje Jans Branbergen, zonder beroep, wonende te Veendam

Anna Cornelia Petronella Bood, jongedochter, zonder beroep, oud drieentwintig jaren, geboren en wonende in deze gemeente, meerderjarige dochter van Cornelis Jacobs Bood, van beroep koopman, wonende in deze gemeente, en van Christina Kwast, overleden.

, jongedochter, zonder beroep, oud drieentwintig jaren, geboren en wonende in deze gemeente, meerderjarige dochter van Cornelis Jacobs Bood, van beroep koopman, wonende in deze gemeente, en van Christina Kwast, overleden.

En hebben zij tot dat einde aan ons voorgelegd, vooreerst: de akten waaruit blijkt, datde huwelijksafkondigingen in de gemeente Veendam zonder stuiting zijn doorgegaan.

(extract van de geboorteakte van bruid en bruidegom, van de overlijdensacte van Christina Kwast, moeder der bruid en:)

Certificaat van voldoening, door den bruidegom, aan de Nationale Militie.

De bij de wet gevorderde huwelijksafkondigingen hadden alhier, zonder stuiting plaats op de tweeentwintigsten en negenentwintigsten December achttienhonderdtweeenzeventig.

De vader van de bruid, hierbij tegenwoordig, verklaart zijne toestemming tot dit huwelijk te geven.

Waarna wij hun hebben afgevraagd, of zij elkander aannamen tot echtgenooten, en getrouwelijk al de pligten zullen vervullen, welke door de Wet aan den huwelijken staat verbonden zijn; hetwelk door hen uitdrukkelijk met Ja, beantwoord zijnde, hebben wij in naam der Wet uitspraak gedaan, dat zij door het huwelijk zijn vereenigd. In tegenwoordigheid van:

Jan van der Woude, oud dertig jaren, van beroep hoofdonderwijzer; Simon Spaans, oud vijfenvijftig jaren, van beroep landman; Cornelis Muller Corneliszoon, oud zesenvijftig jaren, van beroep gemeentesecretaris en Pieter Stuurman, oud vierentwintig jaren, van beroep kantoorbediende; allen in deze gemeente woonachtig, de eerstgenoemde broeder van den bruidegom en de overigen bekenden der comparanten.

En is hiervan door ons opgemaakt deze akte, welke na voorlezing door ons de comparanten, den vader der bruid en de getuigen is onderteekend …..

(verder volgen de handtekening van de ambtenaar voornoemd, vervolgens die van de bruidegom (als S.H. Van der Woude) en bruid zelf, dan die van de vader van de bruid, en voorts die van de vier getuigen)

Een paar zaken zijn hier vooral opvallend en interessant:

•Begin jaren 1860 is Simon van der Woude in militaire dienst geweest. Wel als zeematroos, Den Helder was toen al de maritieme zeehaven van het Koninkrijk der Nederlanden.

•De eerste getuige bij Simons huwelijk is zijn jongere broer Jan, die kennelijk ook de moeder vertegenwoordigt. Zou zij te ziek of te oud geweest zijn, om bij het huwelijk van haar oudste zoon erbij te zijn? Een andere verklaring is, dat de moeder het niet eens was met het huwelijk van haar oudste zoon en daarom niet aanwezig was. Of was het haar onmogelijk te komen vanwege het slechte weer en de ijsgang op de Zuiderzee? We weten het niet!

•De tweede getuige heet Simon Spaans, misschien ook een van de kopers (D.Spaans & Co) van de Barsingerhorn in 1873? Hierbij een mail van Hans: “Petrus, ik vond nog een saillant detail.
> Een van de getuigen bij het huwelijk (1873) van Simon van der Woude was
Simon Spaans. Hij is geb. Barsingerhorn ca. 1817, zoon van Jan Jansz
> Spaans en Grietje de Jong.
Deze Simon Spaans blijkt een oom te zijn van Dirk Spaans, houtzaagmolenaar,
> geb. Barsingerhorn 31-9-1838, die in 1873 eigenaar werd van het schip de
> Barsingerhorn. Het beroep van houtzaagmolenaar is zeer interessant.”

•De derde getuige heet Cornelis Muller, misschien wel identiek met een van de kopers van de Barsingerhorn in 1871? (H. Mulder & Co). Een sluitend antwoord hebben we niet gevonden.

•Interessant is het overigens wel, dat een landman (toch wel een grondbezitter én grondgebruiker, en dat in het vruchtbare Noord-Holland, daar word je rijk van!) en een gemeentesecretaris, beide al op leeftijd, toentertijd in Noord-Holland zoveel geld konden sparen, dat ze er een barkschip van de grootte van 613 ton (ongeveer 350 ‘lasten’) mee konden kopen! Want zo goedkoop kan die niet geweest zijn! Een zeevaardige forse driemaster!

•Om precies te zijn, het Noordelijke Scheepvaartmuseum in Groningen gaf ons de volgende gegevens:

•Van de bark BARSINGERHORN heb ik voor u de volgende gegevens gevonden:

Gebouwd in 1857 als JOSEPHA LOUISA te Capelle a/d IJssel voor G.S. Pieters & Co te Rotterdam; 613 ton

1862 verkocht aan ’t Hoen, Hudig & Co te Rotterdam

1863 aan L. ’t Hoen & Co te Rotterdam, herdoopt MARIA LOUISA ANTOINETTE

1871 2 mei aan H. Mulder & Co te Barsingerhorn, herdoopt BARSINGERHORN

1873 aan D. Spaan(s) & Co te Barsingerhorn

1886 26 januari geveild te Den Helder voor ƒ5575,- aan S.H. van der Woude te Nieuwediep en in 1893 verkocht voor de sloop

•Uit het document kunnen we concluderen, dat de voorletter van Spaans bij de aankoop van de bark 1873 hier niet zonder meer overeenkomt met die van de getuige boven, maar dat probleem heeft correspondent Hans al opgelost.

•Voorts is de naam van Cornelis Muller met een andere voorletter en zonder de -d- als in Mulder geschreven. Misschien aan andere familienaam, misschien een schrijffout? We weten het niet.

•Toch zal de familienaam Spaans 2x elkaar wel twee keer dekken, een andere voorletter komt uiteraard vaker voor, want … door verschillende voorletters kunnen er (zoals blijkbaar in ons geval) andere leden van dezelfde familie bedoeld zijn, bijvoorbeeld directe familieleden en dit blijkt blijkens de opmerkingen van correspondent Hans inderdaad het geval te zijn, mooi zo!

•Houden we het er nu verder voorlopig maar op, dat Muller en Mulder niet identiek zijn.

•De bruid was blijkens document bij haar trouwen moederloos, de bruidegom vaderloos.

•Getuigen bij het burgerlijk huwelijk van Simon en Anna waren: [schoonvader Cornelis Jacobzs Bood, koopman, schipper en vader van de bruid]; !. Simon Spaans, de landman, [een oom van Dirk Spaans, de koper 1873 van de ‘Barsingerhorn’; Dirk, de zoon van Jan Spaans, timmerman en burgemeester van Barsingerhorn]; 2. Cornelis Muller [wel of niet = Mulder van H.Mulder & Co?]; 3. Pieter Stuurman en last but not least: 4. Simons jongere broer Jan van der Woude, hoofdonderwijzer. Zij vieren tesamen vormden in Barsingerhorn kennelijk een bekenden- of misschien zelfs een vriendenkring. Kapitein Simon van der Woude en zijn vrouw Anna werden daarin opgenomen of behoorden er al toe.

•Nog een gegeven van correspondent Hans: > “Een andere getuige bij het huwelijk van Simon van >der Woude in 1873 was Pieter Stuurman, toen kantoorbediende. Deze Pieter Stuurman is geb.
> Barsingerhorn ca. 1848, zoon van Simon Stuurman en Trijntje de Witt. Hij
> trouwt op 21-5-1880 in Barsingerhorn met Anna Catharina Wilhelmina
> Buthfer, geb. Herbergen (Pruissen) ca. 1861, dochter van Hermann Heinrich
> Buthfer en Anna Margarethe Adelheid Bönker. Dan is hij inmiddels
> gemeentesecretaris.”

•Mijn gemailde conclusie aan correspondent Hans luidde: “Met dank Hans, nu zijn de vier getuigen bij het huwelijk min of meer in de verf gezet. We weten nu iets meer van hen af en het lijkt me dat dat het gewicht van onze Simon alleen maar verhoogt. Jan van der Woude, zijn hoofdonderwijzende broer, Simon Spaans, landman en oom van Dirk, een belangrijk man in de molenaarsbranche in Barsingerhorn, Cornelis Muller, misschien verwant met de koper(s) Mulder van 1871 van de bark, van toen af ‘Barsingerhorn’ genaamd en ten slotte Pieter Stuurman, kantoorbediende en later gemeentesecretaris. De getuigen horen zonder meer bij ons verhaal!

•Uit het document kunnen we concluderen, dat de voorletter van Spaans bij de aankoop van de bark 1873 hier niet zonder meer overeenkomt met die van de getuige boven, maar dat probleem heeft correspondent Hans al opgelost.

•Voorts is de naam van Cornelis Muller met een andere voorletter en zonder de -d- als in Mulder geschreven. Misschien aan andere familienaam, misschien een schrijffout? We weten het niet.

•Toch zal de familienaam Spaans 2x elkaar wel twee keer dekken, een andere voorletter komt uiteraard vaker voor, want … door verschillende voorletters kunnen er (zoals blijkbaar in ons geval) andere leden van dezelfde familie bedoeld zijn, bijvoorbeeld directe familieleden en dit blijkt blijkens de opmerkingen van correspondent Hans inderdaad het geval te zijn, mooi zo!

•Houden we het er nu verder voorlopig maar op, dat Muller en Mulder niet identiek zijn.

•De bruid was blijkens document bij haar trouwen moederloos, de bruidegom vaderloos.

•Getuigen bij het burgerlijk huwelijk van Simon en Anna waren: [schoonvader Cornelis Jacobzs Bood, koopman, schipper en vader van de bruid]; !. Simon Spaans, de landman, [een oom van Dirk Spaans, de koper 1873 van de ‘Barsingerhorn’; Dirk, de zoon van Jan Spaans, timmerman en burgemeester van Barsingerhorn]; 2. Cornelis Muller [wel of niet = Mulder van H.Mulder & Co?]; 3. Pieter Stuurman en last but not least: 4. Simons jongere broer Jan van der Woude, hoofdonderwijzer. Zij vieren tesamen vormden in Barsingerhorn kennelijk een bekenden- of misschien zelfs een vriendenkring. Kapitein Simon van der Woude en zijn vrouw Anna werden daarin opgenomen of behoorden er al toe.

•Nog een gegeven van correspondent Hans: > “Een andere getuige bij het huwelijk van Simon van >der Woude in 1873 was Pieter Stuurman, toen kantoorbediende. Deze Pieter Stuurman is geb.
> Barsingerhorn ca. 1848, zoon van Simon Stuurman en Trijntje de Witt. Hij
> trouwt op 21-5-1880 in Barsingerhorn met Anna Catharina Wilhelmina
> Buthfer, geb. Herbergen (Pruissen) ca. 1861, dochter van Hermann Heinrich
> Buthfer en Anna Margarethe Adelheid Bönker. Dan is hij inmiddels
> gemeentesecretaris.”

•Mijn gemailde conclusie aan correspondent Hans luidde: “Met dank Hans, nu zijn de vier getuigen bij het huwelijk min of meer in de verf gezet. We weten nu iets meer van hen af en het lijkt me dat dat het gewicht van onze Simon alleen maar verhoogt. Jan van der Woude, zijn hoofdonderwijzende broer, Simon Spaans, landman en oom van Dirk, een belangrijk man in de molenaarsbranche in Barsingerhorn, Cornelis Muller, misschien verwant met de koper(s) Mulder van 1871 van de bark, van toen af ‘Barsingerhorn’ genaamd en ten slotte Pieter Stuurman, kantoorbediende en later gemeentesecretaris. De getuigen horen zonder meer bij ons verhaal!

9. Een wat gedetailleerdere reisbeschrijving

van de Barsingerhorn

tussen 1871 en 1890.

(Dit op basis van de gegevens uit Finse (zweeds. En finstalige) kranten, die ik via Eero Rantalaiho ontving. Dit was het eigenlijke uitgangspunt van de hele verdere zoektocht!)
Dit op basis van de gegevens uit Finse (zweeds. En finstalige) kranten, die ik via Eero Rantalaiho ontving. Dit was het eigenlijke uitgangspunt van de hele verdere zoektocht!)

Als vooraf nog een tweede inleiding:

Ik heb er nu eerst behoefte aan, in een bepaald opzicht een lijst te schetsen rondom de resultaten van dit onderzoekje, dat in de loop van vele weken en met oprechte medewerking van meerdere mensen in Finland en Nederland gegroeid is. Het is echt verheugend, hoe spontaan ik geholpen en gestimuleerd ben bij zulk vrij moeizaam speurwerk door Eero, Henriette, Hans en zijn correspondenten in Nederland. Het is na vele weken intensieve bezigheid met ons thema een beetje zo, dat je om een beeld, wat zich begint af te tekenen – steeds scherper en duidelijker en steeds meer ook op gewone en echte feiten gebaseerd – een mooie en passende lijst wilt maken om de tekening die al geschetst voor je geest staat met een raam te omgrenzen of te omkaderen en zo aan het leespubliek voor te stellen.

Deze korte tweede inleiding is wellicht wat subjectief gekleurd en wat romantisch geformuleerd – ik weet het heus wel! – maar ze geeft toch ook een algemeen en geldend, inleidend beeld, dat duidelijk gebaseerd is op heel wat onomstootbare feiten en op een zo eerlijk mogelijke empathie voor het thema vanuit mijn persoon, die zich probeert in te denken in de levensavonturen van kapitein Simon van der Woude en zijn bark ‘Barsingerhorn’ tegen het einde van de negentiende eeuw.

Een soort kader is heus nodig om de betekenis van ware gebeurtenissen te kunnen inkleuren in een totaalschets en zo een geheel van een zeemansleven in zijn relatie met zowel Nederland/Noord-Holland en Zuid-Finland op te roepen, zo als het naar alle waarschijnlijkheid geweest is of geweest kan zijn.

Dit is pas levende historie. Want daarbij hebben we toch niet alleen te maken met veel zakelijke en koele gegevens die logisch en correct op een rijtje gezet kunnen worden. Ook dat moet inderdaad zonder meer en precies gebeuren, dat wel, het pakt echter als zodanig niet het wezenlijke van de zaak. We hebben te maken met feiten uit het leven van een historische Nederlander die een relatie heeft opgebouwd met Finland, een ver land achter de Oostzee en die thuis in Nederland ook een eigen familieleven heeft geleefd, dat hem ook boeide en verbond met zijn directe omgeving, eerst in Zuid-Groningen en later in Noord-Holland.

Simon had thuis zijn vrouw Anna en later ook hun beider zeven kinderen en dat opbouwen van hun gezinnetje zal niet zonder problemen verlopen zijn.

Simon trok als kapitein en broodwinner van het jonge gezin telkens en voor lange tijd met zijn bark de ‘Barsingerhorn’ weg – voor heel wat weken achtereen en regelmatig zelfs voor vele maanden per jaar – om het nodige geld voor zijn familie te verdienen en een toekomst voor zich, zijn vrouw, zijn dochters en zonen op te bouwen. Zijn vrouw Anna kon zich ermee verzoenen, want ook zij kwam uit een schippergezin en kende dit spel van samenzijn en afscheid. In dit opbouwen van een soliede gezinsbasis schijnt hij goed geslaagd te zijn, want in 1886 kon hij het schip, waaraan hij voorzeker zeer gehecht was, voor zichzelf kopen, toen de bezitters van toen in financiële problemen waren geraakt of te oud waren geworden.

Dit verhaal is dat van een typisch Hollandse carrière van een zee- of koopman uit het Nederland van toen, van vroeger dus en ook nog wel een beetje van nu!

Simon trok weg – van, maar vooral ook voor zijn geliefden! – naar een kuststreek die wel mooi was maar ook gevaarlijk. De Finse zuidkust was al eeuwenlang berucht om zijn moeilijke bevaarbaarheid. En waarom trok hij toch daarnaartoe? Om er handel te drijven, om er zakelijke relaties aan te knopen en te onderhouden, om ontbrekend materiaal heen en weer te transporteren, materiaal bijvoorbeeld, dat in het Holland van de scheepsbouw en aanverwante industrie noodzakelijk maar ook slechts beperkt ter plekke aanwezig was, want aan goed sterk Scandinavisch hout (en bijvoorbeeld kwalitatief hoogwaardig teer), daaraan was Holland toen niet meer zo rijk. Wel bezaten de Nederlanden de tradtionele, theoretisch en praktische kennis van vele technieken – ook al waren de basismaterialen ervoor thuis erg krap geworden. Met poldergras, koeien en kaas kun je geen schepen, molens, dijken of wat dan ook bouwen. Maar wel betalen en dan bouwen.

Dus dat wat Simon als werk deed – vooral houtwaar van Finland naar Nederland vervoeren – was goed voor zijn vaderland, was door ruime verdiensten goed voor zijn familie en gezin, was dus zowel voor zijn eigen als voor een volgende generatie een goede business.

Opmerkelijk vind ik altijd, dat foto’s van zeemannen uit die oude tijden een beeld geven van stoere, door wind en weer en werk geharde mensen met weliswaar wat ruwe en verweerde gezichten, maar toch ook met ogen die indrukwekkend en persoonlijk, met een vaste en open blik naar ons toe kijkend, van een nuchtere kijk op zaken en een zékere beroepstrots glinsterend. Deze zeemannen droegen in hun binnenste een warm hart voor de medemens, voor de makkers op de boot, voor moeder de vrouw en hun kinderen thuis, voor vrienden en familieleden (de familiebanden van toen waren zeer hecht) etc. En zeker ook mannen met een grote gevoeligheid voor hun omgeving, hier in hun Holland zich echt thuis voelend en ook wel een beetje daar op die verre en mooie kust van Zuid-Finland – zo bekend en toch zo vreemd, maar wel steeds bekender en geliefder wordend!

Eerst maakte kapitein Simon van der Woude en zijn bemanning voorjaar 1871 kennis met het idyllische Ekenäs/Tammisaari en later in de herfst met Porkala/Porkkala …

– jaja, dat tot voor kort nog zo historisch beladen schiereiland bij Kirkkonummi – waar Simon dan tijdens de terugreis naar huis via averij en stormweer zo rechtstreeks geconfronteerd werd met de grilligheid van het weer en de onberekenbaarheid van de gevaarlijke klippen bij de scheren voor zuidwest Finland. Hij leed bijna ernstige schipbreuk, maar door zijn snelle optreden en samenwerking met een ervaren loods aan boord wist hij het ergste te vermijden. Een deel van de lading ging verloren, maar via de haven Porkkala kon hij korte tijd later weer terugkeren naar Nederland. Hij gaf hij het niet op wat varen naar Finland betreft en keerde het jaar daarop naar Zuid-Finlands kust terug en deed zaken in Helsingfors/Helsinki.

Nu nog een afsluitende opmerking bij de beginperiode 1871/1872.

Het verhaal zelf van de schipbreuk werd al eerder verteld. Het eerste Finse krantenbericht erover (en over de ‘Barsingerhorn’ en haar kapitein Simon van der Woude) is meteen al interesse wekkend en de aandacht vragend. Het wordt gedateerd op 28.08.1871 in de ‘Åbo Underrätelser’ nr 132. Daar staat letterlijk: “Köpenhamn, aug.18 … Barsingerhorn, v.d.Woude, fr. Ekenäs t. Barsingerhorn.” In de Kamer voor Koop(zee)handel is het schip de ‘Barsingerhorn’ aangegeven als gaande van Ekenäs naar Barsingerhorn. Kopenhagen vanuit de Oostzee gezien voor Helsingör aan de Deense kant en Helsinborg aan de Zweedse kant van de Sont, waar al eeuwenlang tol betaald moest worden voor doorgang naar bestemmingen rond de Oostzee. Deze flessenhals tussen de Noordzee en de Oostzee, eerst het Kattegat en dan door de Sont heen (of omgekeerd) naar of weg uit de Oostzee is berucht vanwege veel oorlog en ruzie tussen Denemarken en Zweden en heeft uiteraard daarom ook veel met Nederland te maken gehad, was toch de handel op de Oostzee voor de Nederlanden vanouds heel belangrijk en dus die toldrempel ook. Tolgelden gaan van de verdiensten af en op het punt van winst waren de Hollanders altijd des duivels zo precies. In 1871 wordt als thuishaven nog Barsingerhorn aangegeven, het schip was op 1 mei daar aan koopman Mulder, aldaar wonend, verkocht. Al in het jaar daarop wordt als thuishaven Texel aangegeven en later dan ook Nieuwediep. Maar zoals al gezegd, betekent dit dat het schip via de Rede van Texel naar en van Finland voer en dat het geregistreerd stond inde haven van Den Helder, het Nieuwediep. Best mogelijk overigens, dat Nieuwediep ook als haven van eerste vertrek en laatste aankomst gebruikt werd. Waar de ‘Barsingerhorn’ uiteindelijk dus lag in stille tijden.

Dan volgen er enige jaren van werk elders (van 1873-1877).

Waarom Simon in die jaren niet naar Finland gegaan is, is een open vraag zonder antwoord tot nu toe. Toch stel ik het me zo voor, dat er in de loop van deze jaren een soort heimwee naar dat verre land aan het einde van de Oostzee ontstaan is, want hoe is het anders te verklaren, dat Simon vanaf 1878 tot 1890 zo’n duidelijke Finlandganger zo niet Finlandfan geworden is. Jaar in jaar uit trekt hij ernaartoe of wordt hij ernaartoe getrokken, zou ik er wellicht aan willen toevoegen. Voor dit heimwee van Simon heb ik inderdaad geen bewijzen. Vanaf 1878 werd er dus ook weer een zakelijke basis gevonden, om met succes de reis naar het Noorden aan te vatten. Toen begon de meer dan twaalfjarige trektocht van kapitein Simon van der Woude met zijn bark ‘Barsingerhorn’ naar Zuid-Finland, van Porkkala naar Wiborg en terug.

In 1878 maakte de ‘Barsingerhorn’ twee reizen naar Finland.

De eerste van 27 april tot 22 juni 1879 van Texel naar Porvoo, meer gegevens zijn er niet. De tweede reis begon in Ymuiden op 8 juli, betrof houtvaart, en aangegeven wordt slechts ‘naar Finland’.

In 1879 wordt er maar één afvaart van Texel naar Loviisa gemeld op 17 mei.. Verder ontbreken er over dat jaar gegevens.

In 1880 is de vangst veel ruimer. In dit jaar heeft kapitein van der Woude drie reizen gemaakt naar Finland.

De eerste keervertrok de ‘Barsingerhorn’ op 22 april naar Sibbowiken/(= de inham/baai van) Sipoo, op dertig april wordt de bark ingeklaard in Helsinki waar Sipoo naast ligt; hier wordt dan aan toegevoegd, dat het schip van Niewdiep (zo geschreven) komt. Dus – zoals boven al gezegd – is de thuishaven van de bark officieel Nieuwdiep, de uiteindelijke afvaarthaven of Rede is meestal die van Texel; verder wordt hier als lading op de heenvaart ‘ballast’ aangegeven, ik heb boven er al iets over gezegd wat dat wellicht zou kunnen betekenen. Uitgeklaard werd het schip in Helsingfors (d.w.z. dat het in- en uitklaringsbureau van de haven van Sipoo in Helsinki was, op 22 mei met als lading ‘trälast’ = houtlast en als doel ‘till Holland’, ‘naar Holland’ aangegeven). Op 5 juni is kapitein van der Woude met zijn schip teruggekeerd op Texel. De reis duurde dus zes weken en twee dagen, het gemiddelde van de reizen tesamen ligt inderdaad rond zes tot acht weken per reis!

De tweede keervertrok de ‘Barsingerhorn’ op 14 juni vanuit Texel, als doel van de reis wordt aangegeven ‘Pernoviken’ (de baai van Pernå/Pernaja) de geboortplaats van de Finse Agricola. Op 24 juli wordt uitdrukkelijk vermeld ‘Sundet passerat’, de Sont gepasseerd (d.w.z. dat de Oostzeevaart-tol betaald is!) en uit de andere gegevens moeten we opmaken, dat dit gebeurde op weg van Pernå naar Nieuwediep, dus op de terugweg naar Nederland. Op 3 augustus wordt in het Fins aangegeven, dat de ‘Barsingerhorn’, v.d.Woude, Pernonlahdesta (= komend van de baai van Perno) thuis is aangekomen. De reis duurde dit keer wat langer, iets meer dan zeven weken. De reden daarvan kan zijn: het oponthoud in de haven Pernå of het voorkomen van storm, tegenwind of windstilte onderweg. Overigens is acht weken voor een reis nog een normale lengte!

De derde keervertrok de ‘Barsingerhorn’ op 14 augustus naar Finland, weer naar Pernowiken (nu zo geschreven). Op 6 oktober wordt het schip terug thuis gemeld. Deze reis duurde 8 en een halve week, een vrij lange reis dus. In de herfst kan men zich dat voorstellen, herfststormen en slecht weer. Ook kan het zijn dat het oponthoud in de Finse doelhaven langer was dan gepland. Hoe dan ook, opvallend is het dat de ‘Barsingerhorn’ dit jaar twee keer naar Pernå ging, om houtwaar af te halen. Het betrof hier kennelijk een grote bestelling vanuit Holland. Dat zal kapitein van der Woude geen windeieren gelegd hebben!

Opvallend aan de Rede van Texel is, dat er tussen 13 en 17 augustus maar liefst 7 of meer schepen van of naar Zuid-Finland vertrekken of aankomen! Dat wil dus ook wel zeggen, dat de Oostzeevaarders voornamelijk van daaruit of via daar vertrokken en daar ook weer op de terugweg arriveerden.Met klinkende kapiteinsnamen als Ekamp, (v.d.Woude), Zeven, Draijer, Jacobsen (hé, een Deen?), Tensma, Scharberg de Vries, van Wijk, Kuipers etc. Nou ja, wat verwachten we anders van de aloude VOC-Rede van Texel. Daar hebben ook altijd de schepen naar de Oost op gunstige winden gewacht voor ze vertrokken. Daar kwamen ze ook weer aan op de terugweg. De Zuiderzee was voor zulke schepen immers te gevaarlijk en de havens daar aan de westkust vooral vaak te ondiep. Verder relativeert de lijst van oostzeevaart-kapiteins ook de bij mij opkomende gedachte, dat Simon van der Woude een grote uitzondering was met zijn vaarten naar Finland. Nee, dat was hij niet. Er waren schippers genoeg die daarnaartoe gingen, maar … ten eerste is het voor ons interessant dat de kapitein ‘Van der Woude’ heette en ten tweede is het wel frappant, dat hij het maar liefst bijna twintig jaar volhield, naar Finland te varen. Dat is iets bijzonders en getuigt van volharding, sympathie met het doelland Finland en wellicht ook nog wel eens iets anders. Wat ? Dat laat ik hier liever in het midden!

•Nog een extra opmerking bij dit ‘gezegende’ vrachtjaar 1880 wat de ‘Barsingerhorn’ en haar kapitein Simon van der Woude betreft.. De naam van de kapitein wordt hier in de vele berichten die we erover hebben op vele manieren geschreven. S. van der Woude (correct dus), S. vander Woude, v.d.Wouden, v.d. Wende, w.d.Woude, von der Weiden, von der Waude en zo. Ze maken er dus soms maar wat van, maar fout te interpreteren is het nauwelijks! Dus dat is in dit geval het probleem eigenlijk niet.Dat ligt meer op het terrein van het ” ‘Wie?Wat?Waar? ” !

In 1881 wordt er in het mij ter hand gestelde materiaal geen reis naar Finland vermeld.

De eerste keervertrok de ‘Barsingerhorn’ op 22 april naar Sibbowiken/(= de inham/baai van) Sipoo, op dertig april wordt de bark ingeklaard in Helsinki waar Sipoo naast ligt; hier wordt dan aan toegevoegd, dat het schip van Niewdiep (zo geschreven) komt. Dus – zoals boven al gezegd – is de thuishaven van de bark officieel Nieuwdiep, de uiteindelijke afvaarthaven of Rede is meestal die van Texel; verder wordt hier als lading op de heenvaart ‘ballast’ aangegeven, ik heb boven er al iets over gezegd wat dat wellicht zou kunnen betekenen. Uitgeklaard werd het schip in Helsingfors (d.w.z. dat het in- en uitklaringsbureau van de haven van Sipoo in Helsinki was, op 22 mei met als lading ‘trälast’ = houtlast en als doel ‘till Holland’, ‘naar Holland’ aangegeven). Op 5 juni is kapitein van der Woude met zijn schip teruggekeerd op Texel. De reis duurde dus zes weken en twee dagen, het gemiddelde van de reizen tesamen ligt inderdaad rond zes tot acht weken per reis!

De tweede keervertrok de ‘Barsingerhorn’ op 14 juni vanuit Texel, als doel van de reis wordt aangegeven ‘Pernoviken’ (de baai van Pernå/Pernaja) de geboortplaats van de Finse Agricola. Op 24 juli wordt uitdrukkelijk vermeld ‘Sundet passerat’, de Sont gepasseerd (d.w.z. dat de Oostzeevaart-tol betaald is!) en uit de andere gegevens moeten we opmaken, dat dit gebeurde op weg van Pernå naar Nieuwediep, dus op de terugweg naar Nederland. Op 3 augustus wordt in het Fins aangegeven, dat de ‘Barsingerhorn’, v.d.Woude, Pernonlahdesta (= komend van de baai van Perno) thuis is aangekomen. De reis duurde dit keer wat langer, iets meer dan zeven weken. De reden daarvan kan zijn: het oponthoud in de haven Pernå of het voorkomen van storm, tegenwind of windstilte onderweg. Overigens is acht weken voor een reis nog een normale lengte!

De derde keervertrok de ‘Barsingerhorn’ op 14 augustus naar Finland, weer naar Pernowiken (nu zo geschreven). Op 6 oktober wordt het schip terug thuis gemeld. Deze reis duurde 8 en een halve week, een vrij lange reis dus. In de herfst kan men zich dat voorstellen, herfststormen en slecht weer. Ook kan het zijn dat het oponthoud in de Finse doelhaven langer was dan gepland. Hoe dan ook, opvallend is het dat de ‘Barsingerhorn’ dit jaar twee keer naar Pernå ging, om houtwaar af te halen. Het betrof hier kennelijk een grote bestelling vanuit Holland. Dat zal kapitein van der Woude geen windeieren gelegd hebben!

Opvallend aan de Rede van Texel is, dat er tussen 13 en 17 augustus maar liefst 7 of meer schepen van of naar Zuid-Finland vertrekken of aankomen! Dat wil dus ook wel zeggen, dat de Oostzeevaarders voornamelijk van daaruit of via daar vertrokken en daar ook weer op de terugweg arriveerden.Met klinkende kapiteinsnamen als Ekamp, (v.d.Woude), Zeven, Draijer, Jacobsen (hé, een Deen?), Tensma, Scharberg de Vries, van Wijk, Kuipers etc. Nou ja, wat verwachten we anders van de aloude VOC-Rede van Texel. Daar hebben ook altijd de schepen naar de Oost op gunstige winden gewacht voor ze vertrokken. Daar kwamen ze ook weer aan op de terugweg. De Zuiderzee was voor zulke schepen immers te gevaarlijk en de havens daar aan de westkust vooral vaak te ondiep. Verder relativeert de lijst van oostzeevaart-kapiteins ook de bij mij opkomende gedachte, dat Simon van der Woude een grote uitzondering was met zijn vaarten naar Finland. Nee, dat was hij niet. Er waren schippers genoeg die daarnaartoe gingen, maar … ten eerste is het voor ons interessant dat de kapitein ‘Van der Woude’ heette en ten tweede is het wel frappant, dat hij het maar liefst bijna twintig jaar volhield, naar Finland te varen. Dat is iets bijzonders en getuigt van volharding, sympathie met het doelland Finland en wellicht ook nog wel eens iets anders. Wat ? Dat laat ik hier liever in het midden!

•Nog een extra opmerking bij dit ‘gezegende’ vrachtjaar 1880 wat de ‘Barsingerhorn’ en haar kapitein Simon van der Woude betreft.. De naam van de kapitein wordt hier in de vele berichten die we erover hebben op vele manieren geschreven. S. van der Woude (correct dus), S. vander Woude, v.d.Wouden, v.d. Wende, w.d.Woude, von der Weiden, von der Waude en zo. Ze maken er dus soms maar wat van, maar fout te interpreteren is het nauwelijks! Dus dat is in dit geval het probleem eigenlijk niet.Dat ligt meer op het terrein van het ” ‘Wie?Wat?Waar? ” !

In 1881 wordt er in het mij ter hand gestelde materiaal geen reis naar Finland vermeld.

In 1882 maakt de ‘Barsingerhorn’ maar één reis naar Finland.

.

Kapitein van der Woude en zijn bemanning vetrekken van Nieuwediep (staat hier een keer juist aangegeven) naar Kotka op 13 april. Het schip keert op 12 juni van deze reis naar Nieuwe Diep (staat hier nu zo aangegeven) terug. Over de lading verder geen gegevens, maar het zal wel weer met de hoogste waarschijnlijkheid een lading ruw zaaghout geweest zijn. In Kotka en omgeving was er wat dat betreft voldoende voorhanden. En als kleine bijzonderheid … van Hamina/Frederikshavn – niet zo heel ver van Kotka gelegen! – wordt de bouw van een zaagmolen begin 18e eeuw gemeld. Dus de buurt is daar niet alleen rijk aan goed hout voor de Hollandse scheepsbouw, maar bezit zelfs (mmerdere) door Nederlanders gebouwde zaagmolens; die van Hamina werd vanuit Zaandam gebouwd, zodat we ons niet te lang kopzorgen hoeven te maken, wie de bestellers van al dat hout in Hamina, Perno of Kotka geweest kunnen zijn.

We schrijven nu het jaar 1883. Weer een ‘gezegend’ jaar met drie reizen.

De eerste reisvertrekt om de een of andere reden vrij laat, op 7 mei, vanuit Nieuwediep. Richting Pernoviken/Pernå (ook nu als Pärnåviken geschreven!, zeer juist lijkt me). Op 1 juli is de ‘Barsingerhorn’ in Nieuwe Diep terug, na een reis van bijna acht weken.

De tweede reisgaat richting Borgå/Porvoo, vertrek op 10 juli. Op 5 september is kapitein van der Woude met zijn bemanning terug in Nieuwediep. De reis duurde acht weken en een dag!

De derde reisgaat nogmaals naar Borgå/Porvoo. En wel van Nieuwediep op 15 september. Terug thuis is de ‘Barsingerhorn’ op 10 november, nu na een reis van precies acht weken.

•Alles bij elkaar was Simon van der Woude dit jaar iets meer dan 24 weken weg van huis, krap een half jaar dus. Dat moet in die tijd zwaar geweest zijn, voor de kapitein zelf uiteraard en zijn bemanning, maar zeker ook voor het thuisfront, voor vrouw Anna en kinderen. Het gezinsleven werd in die tijden nog wel eens denk ik zwaar op de proef gesteld.

•Dat overigens vanaf 1880 vrijwel altijd Nieuwediep als vertrek- en aankomsthaven wordt vermeld, zie ik ook wel zo, dat de tijd weg van huis zo mogelijk per reis met een paar dagen verkort wordt. Het kan ook zijn, dat kapitein Simon van der Woude soms Nieuwediep als thuishaven opgaf, soms Texel. Ik weet het niet.

De eerste reisvertrekt om de een of andere reden vrij laat, op 7 mei, vanuit Nieuwediep. Richting Pernoviken/Pernå (ook nu als Pärnåviken geschreven!, zeer juist lijkt me). Op 1 juli is de ‘Barsingerhorn’ in Nieuwe Diep terug, na een reis van bijna acht weken.

De tweede reisgaat richting Borgå/Porvoo, vertrek op 10 juli. Op 5 september is kapitein van der Woude met zijn bemanning terug in Nieuwediep. De reis duurde acht weken en een dag!

De derde reisgaat nogmaals naar Borgå/Porvoo. En wel van Nieuwediep op 15 september. Terug thuis is de ‘Barsingerhorn’ op 10 november, nu na een reis van precies acht weken.

•Alles bij elkaar was Simon van der Woude dit jaar iets meer dan 24 weken weg van huis, krap een half jaar dus. Dat moet in die tijd zwaar geweest zijn, voor de kapitein zelf uiteraard en zijn bemanning, maar zeker ook voor het thuisfront, voor vrouw Anna en kinderen. Het gezinsleven werd in die tijden nog wel eens denk ik zwaar op de proef gesteld.

•Dat overigens vanaf 1880 vrijwel altijd Nieuwediep als vertrek- en aankomsthaven wordt vermeld, zie ik ook wel zo, dat de tijd weg van huis zo mogelijk per reis met een paar dagen verkort wordt. Het kan ook zijn, dat kapitein Simon van der Woude soms Nieuwediep als thuishaven opgaf, soms Texel. Ik weet het niet.

In 1884 gaat de ‘Barsingerhorn’ op 29 april op pad, dit keer weer eens naar Borgå/Porvoo.

De inklaring van het schip in Porvoo wordt nu eens precies vermeld, in de Åbo Tidning van 26 mei. De datum ervan van inklaring is niet helemaal duidelijk, maar moet wel 13 mei zijn. Op 20 juni wordt in dezelfde krant de uitklaring vermeld, dit keer op de datum 5 juni, zodat we moeten constateren, dat het schip meer dan drie weken in de haven van Porvoo heeft gelegen. Zo veel tijd min of meer had men toentertijd kennelijk nodig om een schip van deze grootte (613 ton) te ontladen, schoon te maken en te beladen voor de thuisvaart. De heenlading was dus misschien turf of bakstenen (zoals boven al beredeneerd), de teruglading was ruw gezaagd hout (planken en misschien wat masten). Omdat de kapitein zeker niet meehielp bij het uit- en inladen, is het interessant je af te vragen, wat hij zoal met zijn hogere bemanningofficieren in die tijd uitspookte, sorry deed? Ik weet het echt niet, maar in de omgeving van Porvoo was er zeer zeker allerhand te beleven. En zo schuw en ongeletterd zullen stevige Hollandse zeemannen van de hogere klasse niet geweest zijn. Hier zou fantasie misschien geboden zijn, maar ik doe daar nu liever niet aan mee. De Hollandse zeelieden van de ‘Barsingerhorn’ zullen hun tijd heus wel goed besteed hebben en zeker ook contacten hebben gelegd met mensen uit hun omgeving, met collega’s kapitein, stuurman of koopman en ook wel met anderen. Op 23 juni is Simon van der Woude dan weer in Nieuwediep terug, na een reis van bijna acht weken.

Over 1885 is niet veel nieuws te melden. Dit keer ging het naar Kotka, afvaart te Nieuwediep op 21 mei – weer nogal laat dit jaar – en terugkeer op 10 juli. Dik zeven weken waren ze onderweg.

In 1886 wordt in mijn materiaal niets vermeld. Eigenlijk geen wonder, als we bedenken, dat Simon van der Woude op 1 januari van dit jaar de ‘Barsingerhorn’ voor zichzelf heeft gekocht. De laatste jaren had hij goed verdiend en was dus in staat het geld voor deze aankoop van vijfeneenhalf duizend gulden op te brengen. Ik vermoed zelfs, dat Simon van der Woude zijn schip een grondige ‘opkalefater’beurt gegeven heeft, dat kost tijd en geld. Maar daardoor wordt het al wat oudere schip weer echt zeewaardig en meer te vertrouwen.

1887 werd weer een belangrijk zakenjaar.

De eerste reis van het jaar gaat van Nieuwediep naar Wiborg en terug. De vertrrekdatum en datum van terukomst worden dit keer in mijn materiaal niet vermeld, misschien wel omdat Simon nu niet alleen gezagvoerder in andermans dienst is maar ook bezitter van de boot? Hoe het ook zij, datum van vertrek en aankomst zijn mij niet bekend. Wel wordt de uitklaring op 27 mei in Wiborg gemeld, met de letterlijke mededeling: “(den 27 Maj.) … holländska barksk. Barsingerhorn, kapt. S. von der Waude, till Neuvediep, trävaror.” (dus: 27 mei, het Hollands barkschip Barsingerhorn onder kapitein S. van der Woude, op weg naar Nieuwediep met houtmateriaal). Spelling en schrijfwijze is oud-Duits, niet te verwonderen in deze oude Hanzestad. Bij uitklaring wordt de doelhaven van de terugreis aangegeven, dus in dit geval Nieuwediep, de scheepslading wordt met houtwaar voldoende gepreciseerd. Als de normale reis een dag of acht duurt en het oponthoud in de Finse haven een week of drie, dan duurde deze reis van ongeveer 25 april tot 5 juni. Ongeveer een week of zes. Precieser kan hier niet gemeld worden.

•Voor de tweede reis ontbreken ook hierbij vertrek- en aankomstdatum, de inklaring -nu in Helsingfors, wordt gedateerd op 6 juli in deze bewoordingen: “holländska barkskeppet Barsingerhorn, S. van der Woude, fr. Nieuwediep, barlast.” Alles dus correct geschreven, de lading vanuit Nederland wordt zoals al vaker met ‘barlast=ballast’ aangegeven. De uitklaring volgt dan op 26 juli richting Nieuwediep, met als aangegeven lading ‘trälast, weer houtwaar, dus accoord. Deze reis was ongeveer van 27 juni tot 4 augustus. Precieser kan het hier niet aangegeven worden. Ook weer een kleine zes weken.

•Weer ontbreken er bij deze derde reis van hhet jaar 1887 vertrek- en aankomstgegevens. Bij de inklaring op 7 oktober wordt nu vermeld, dat het schip met ‘ballast/painolasti) komt van Nieuwe Diep/Neuwe Diep (het is nog st eeds moeilijk voor de Wiborger douane, deze naam goed te schrijven) en dat de kapitein S. von der Woude (bijna goed! Ofschoon … ook in het Fins vermeld als S. von der Vaude, nou ja) heet. Interessant is wel, dat hier een firma met name genoemd wordt, waarmee Simon handel drijft, Egerton Hubbart & C:o, een houtzagerij in Wiborg. De uitklaring hebben we alleen in een Fins bericht: “26 p. hollant. Parkki Barsingerhorn, S. von der Vaude, Nieuvediep’iin, puutawaraa” (op 26 oktober uitgeklaard (ulosmenneitä) … de Hollandse bark B., onder kapitein S.v.d.Woude, met houtwaar). Deze reis duurde dus ongeveer van 28 september tot 1 novenber, een week of vijf, dit ging dus vrij snel, vermoedelijk was uit- en inlading beter geregeld.

•Opvallend is dus, dat de reisduur korter was, drie keer. Ik kan dat alleen maar verklaren met het feit, dat Simon van der Woude nu zelf voor alles verantwoordelijk is, dat zijn schip opgeknapt is en de alles sneller kan verlopen. Overigens, in dit jaar werd het derde kind, zoon Simon geboren!

De eerste reis van het jaar gaat van Nieuwediep naar Wiborg en terug. De vertrrekdatum en datum van terukomst worden dit keer in mijn materiaal niet vermeld, misschien wel omdat Simon nu niet alleen gezagvoerder in andermans dienst is maar ook bezitter van de boot? Hoe het ook zij, datum van vertrek en aankomst zijn mij niet bekend. Wel wordt de uitklaring op 27 mei in Wiborg gemeld, met de letterlijke mededeling: “(den 27 Maj.) … holländska barksk. Barsingerhorn, kapt. S. von der Waude, till Neuvediep, trävaror.” (dus: 27 mei, het Hollands barkschip Barsingerhorn onder kapitein S. van der Woude, op weg naar Nieuwediep met houtmateriaal). Spelling en schrijfwijze is oud-Duits, niet te verwonderen in deze oude Hanzestad. Bij uitklaring wordt de doelhaven van de terugreis aangegeven, dus in dit geval Nieuwediep, de scheepslading wordt met houtwaar voldoende gepreciseerd. Als de normale reis een dag of acht duurt en het oponthoud in de Finse haven een week of drie, dan duurde deze reis van ongeveer 25 april tot 5 juni. Ongeveer een week of zes. Precieser kan hier niet gemeld worden.

•Voor de tweede reis ontbreken ook hierbij vertrek- en aankomstdatum, de inklaring -nu in Helsingfors, wordt gedateerd op 6 juli in deze bewoordingen: “holländska barkskeppet Barsingerhorn, S. van der Woude, fr. Nieuwediep, barlast.” Alles dus correct geschreven, de lading vanuit Nederland wordt zoals al vaker met ‘barlast=ballast’ aangegeven. De uitklaring volgt dan op 26 juli richting Nieuwediep, met als aangegeven lading ‘trälast, weer houtwaar, dus accoord. Deze reis was ongeveer van 27 juni tot 4 augustus. Precieser kan het hier niet aangegeven worden. Ook weer een kleine zes weken.

•Weer ontbreken er bij deze derde reis van hhet jaar 1887 vertrek- en aankomstgegevens. Bij de inklaring op 7 oktober wordt nu vermeld, dat het schip met ‘ballast/painolasti) komt van Nieuwe Diep/Neuwe Diep (het is nog st eeds moeilijk voor de Wiborger douane, deze naam goed te schrijven) en dat de kapitein S. von der Woude (bijna goed! Ofschoon … ook in het Fins vermeld als S. von der Vaude, nou ja) heet. Interessant is wel, dat hier een firma met name genoemd wordt, waarmee Simon handel drijft, Egerton Hubbart & C:o, een houtzagerij in Wiborg. De uitklaring hebben we alleen in een Fins bericht: “26 p. hollant. Parkki Barsingerhorn, S. von der Vaude, Nieuvediep’iin, puutawaraa” (op 26 oktober uitgeklaard (ulosmenneitä) … de Hollandse bark B., onder kapitein S.v.d.Woude, met houtwaar). Deze reis duurde dus ongeveer van 28 september tot 1 novenber, een week of vijf, dit ging dus vrij snel, vermoedelijk was uit- en inlading beter geregeld.

•Opvallend is dus, dat de reisduur korter was, drie keer. Ik kan dat alleen maar verklaren met het feit, dat Simon van der Woude nu zelf voor alles verantwoordelijk is, dat zijn schip opgeknapt is en de alles sneller kan verlopen. Overigens, in dit jaar werd het derde kind, zoon Simon geboren!

De rest van het materiaal waarover ik via Eero de beschikking heb gekregen, is erg kort.

In 1888 wordt er nog een reis vermeld naar Sundsvall, maar dat is niet in Finland maar in Zweden. Sundsvall ligt aan de Zweedse kant van de Botnische Golf. Op 15 mei is kapitein van der Woude met de ‘Barsingerhorn’ daarnaartoe vertrokken. Verder wordt er over deze reis hier niets vermeld. Simon had kennelijk nieuwe of hernieuwde kontakten in Zweden opgedaan.

In 1889 wordt er geen enkele reis vermeld. Hierbij is nu op te merken, dat het best mogelijk is, dat Simon van der Woude al vroeger (ik denk nu aan de jaren 1873 – 1877) bijvoorbeeld met Zweden kontakt heeft gehad en nu in 1888 weer. Maar dat soort zakelijke kontakten met bijbehorende reizen hoeft uiteraard niet in Finland in- of uitgeklaard te worden. Dit bericht uit 1888 is vermoedelijk daarom ook zeer kort en komt voorts uit de Sundsvall Tidning, een plaatselijke Zweedse krant, hoort daarom niet tot het door mij bedoelde en onderzochte materiaal.

Afsluitend nu het jaar 1890.

De laatste reis die gemeld wordt vanuit Nieuwediep voert ons naar Räfsö. Simon van der Woude is met zijn schip vanuit Nieuwediep op 23 april vertrokken, op 11 juni is de ‘Barsingerhorn’ dan op de terugweg naar Noord-Holland Helsingör (tegenover Helsingborg, bij Kopenhagen, de tolplaats aan de Sont) gepasseerd, betaalt de verschuldigde tolgelden en wordt daar gemeld als komende van Räfsö en gaande naar Zaandam; en in Ymuiden wordt de terugkomst van de bark ten slotte geregistreerd op 22 juni. Räfsö is een eiland ten oosten van de Porkkalanniemi, dus bij de haven van Porkala/Porkkala.

De kring van Simons Finland-reizen is nu gesloten, een van de eerste doelhavens in Zuid-Finland in 1871 was immers Porkkala, daar heeft hij schipbreuk geleden zonder ernstige averij en in 1890 wordt nu hetzelfde Porkkala voor het laatst aangedaan door Simon van der Woude met zijn barkschip de ‘Barsingerhorn’. Verder zwijgt het Finse materiaal, aankomende en uitgaande schepen in Zuid-Finland betreffend.

Kerava, 30 september 2006

Dit is de tweede versie van het onderzoeksbericht.

Drs. Peter Starmans

lehtori


De Nederlandsche Ambulance in Finland, 1940

Zuster Maquelin, gediplomeerd verpleegster, hield na haar terugkomst uit Finland naar Nederland in september 1940 meerdere lezingen in den lande – door de Duitsers toen boosaardig bezet. Dit waren voordrachten over de belevenissen van de ‘Nederlandsche Ambulance’ in Finland van 21 maart tot 8 september van dat jaar. De eerste zin van haar tekst luidde: “Ik zal u spreken over de Hollandsche Ambulance naar Finland.” Omdat het officiele verslag van het ‘Nederlandsche Roode Kruis’ – en ook de andere verslagen erover – het woord ‘Hollandsch’ liever niet gebruiken, zal ik me hierbij maar aansluiten.

Zuster Maquelin maakte deel uit van het medische team van ongeveer dertig personen die deze Ambulance bevolkt hebben (leider Dr. Meihuizen, verder 3 chirurgen, 3 artsen, 1 administrateur en 19 zusters, een huishoudelijke assistente, een tolk en een chauffeur-monteur). De Nederlandsche Ambulance – medische hulp aan het lijdende volk in oorlogsnood, aan Finland dus, om de nood ervan in zijn strijd tegen de overmacht, de SU, enigszins weliswaar maar ook vakkundig te lenigen; dit aangeboden en financieel mogelijk gemaakt door het Nederlandse volk. Deze ambulance omvatte overigens veel meer dan alleen een medisch team, het bestond ook uit materiaal, bedden, operatietafels, medicamenten, voedsel en zelfs een ambulanceauto.

Het Nederlandse Rode Kruis had al eerder naar (oorlogs)noodlijdende volken medisch hulp gezonden, naar Ethiopië bijvoorbeeld in de jaren dertig, maar zo’n operatie moest wel financieel mogelijk gemaakt worden door privé-schenkingen en werd dan pas officieel goedgekeurd.

had al eerder naar (oorlogs)noodlijdende volken medisch hulp gezonden, naar Ethiopië bijvoorbeeld in de jaren dertig, maar zo’n operatie moest wel financieel mogelijk gemaakt worden door privé-schenkingen en werd dan pas officieel goedgekeurd.

De voorzitter van de Finsch-Nederlandsche Vereeniging 1939 was de consul voor Finland in Den Haag, de heer A.J.Th. van der Vlugt. Hij en zijn bestuur wilden concreet iets doen voor Finland, ze wilden op allerhand manieren een hoop geld inzamelen in Nederland en ze zijn daarin zo goed geslaagd, dat de uitzending van een ambulance in deze grootte mogelijk gemaakt werd. Het is een geweldige prestatie van de Finsch-Nederlandsche Vereeniging die al sedert 1923 bestond, geweest.

Een voorbeeld van zo’n succesrijk initiatief is het lepeltje dat hierbij als foto wordt afgedrukt Ik heb het thuis bij de erfenis van mijn vader gevonden Dat zilveren lepeltje moet toen door mijn ouders in 1939 gekocht zijn voor de inzameling van de genoemde vereniging voor die ambulance. Rond de Finse vlag staat erop geschreven: “Gedenk het dappere Finsche volk”. Wij woonden in Nijmegen, dus de inzameling van heel veel geld voor een ambulance naar Finland werd ook daar in de provincie intensief bedreven, in welke vorm weet ik uiteraard niet meer, ik was toen pas net geboren. En mijn ouders kan ik het niet meer vragen, want die leven al lang niet meer. Jaja, het westen van Europa leefde toen mee met de dappere strijd in Karelië, met de Winteroorlog tussen Finland en Rusland 1939/1940.

Toen de ambulance vakkundig was uitgerust en alles in kannen en kruiken was, werd de tussenvrede (op 12 maart 1940) ondertekend, maar Finland wilde dolgraag dat de ambulance toch zou komen, om gewonde soldaten uit de manhaftige strijd zo vakkundig en liefdevol mogelijk een kans op een gezond nieuw leven te bieden.

Ook al staat de genoemde voordracht van zuster Maquelin wel wat al te vol van eigen avonturen en van algemeen gepraat over Finland, en al wordt er jammergenoeg wat te weinig ingegaan op de eigenlijke leniging van de nood – bijvoorbeeld in het oorlogshospitaal van Vierumäki – toch moet deze ‘Ambulance-operatie’ ook als humaan zeer geslaagd worden bestempeld. Dat blijkt uit het laatste kwart van de tekst duidelijk. Daar komt zelfs de zanglust en de humor ondanks gebrek bij de Finse zwaargewonde soldaat naar boven. En ook wel iets van hun ‘sisu’: “In de gangen en zalen is het ook stil. Men begint iets van Finlands kracht te begrijpen, als men geen enkele klacht uit al deze bedden hoort. Als zij maar eenigszins kunnen, helpen zij zichzelf en ook anderen.” Bij het afscheid op het station van Helsinki wordt het Nederlandse team “uitgeleide gedaan door Finsche doktoren, zusters en velen van onze jongens(jaja, ‘onze jongens’! pst) Bloemen worden ons op de jas gespeld, handen worden geschud en men roept de Hollandsche ambulance toe: ‘Kytos paljon Nekkemin.’ Zelfs een beetje wat gebrekkig Fins hadden ze in die korte tijd geleerd!

Hoeveel van de Nederlandse deelnemers of deelneemsters het land later weergezien hebben, weet ik natuurlijk niet, wel weet ik dat in deze korte tijd banden voor het leven zijn ontstaan. In het verslag van dokter Meihuizen staat op 11 juni: “Te Helsinki wordt het huwelijk voltrokken van Dr. J.A.C.Schepel en mejuffrouw R.E.Salonen. Aanwezig zijn de tijdelijk-zaakgelastigde Mr. C.W.A. Baron van Haersolte, de wnd. consul-generaal K.A.M. Spaens, alsmede een deputatie van drie artsen en zes zusters der Nederlandsche ambulance.” Taal van toen, titulatuur van toen, dat wel, maar toch … de realiteit was hier een verderdragende liefdesvonk tussen een Nederlandse chirurg van het ambulanceteam en een Finsche zuster van het oorlogsziekenhuis. En van meneer Adriaan de Ruijter, administrateur en tolk, weten we ook, dat hij later met een Finse getrouwd is, na de oorlog. Mevrouw de Ruijter leefde in 1998 nog en gaf in Aviisi een leuk interview. En deze Finse vrouw heeft meneer de Ruijter heus in deze periode wat beter leren kennen! En of het bij deze twee gebleven is, is me niet bekend. Ik vermoed eigenlijk van niet! Dus ondanks de zwaarte van het werk, ondanks de nood rondom, ondanks de taalproblemen etc., de communicatie klikte en droeg vruchten, fijn zo!

Een erg indrukwekkend verslag over de tijd van het team in Finland vond ik dat van Dr. A.Colaco Belmonte, ook in Nederland in 1940 gepubliceerd. Deze specialist was een rasechte vakman en schrijft met grote kennis van zaken over de chirurgische problemen bij oorlogsgewonden. Hij was ook als arts vooruitdenkend en origineel, stelde onderzoek voor om beter en effectiever de oorlogsnood te kunnen lenigen. En dat al in 1940, toen WO II pas op gang was gekomen. Maar eerlijk gezegd vond ik die vakkundige uiteenzettingen van hem niet zo bijster boeiend. Belmonte was echter ook psychologisch begaafd, humaan in zijn benadering van de patienten en collega’s – de zusters inbegrepen – en dat doet goed en is niet zonder meer vanzelfsprekend bij specialisten. Hij had ook oog voor de positieve kanten van hun eigen inzet, hij schrijft zelfs: “In vergelijking tot wat wij overal in Finland gezien hebben, was de hulp, die wij boden stellig zeer prompt en zeker ook van een superieure techniek.” Maar ook lees ik er vlak voor: “Ze (=wij artsen.pst) kunnen eenstemmig en zonder chauvinisme verklaren, dat er in het groote land (=Finland) geen tweede ploeg zusters te vinden geweest is, als onze twintig gediplomeerde verpleegsters.” En toch is dat ‘zonder chauvinisme’ echt wel waar, want ook Belmonte is het volmondig eens met de algemene bewondering van de Lotta’s in Finland bijvoorbeeld, hij heeft menig intensief vakgesprek gevoerd met Finse collega’s ter lering beider, hij was positief verrast door de zindelijkheid van de Finnen, die zich vaak wassen, die een sauna genieten waar mogelijk, en vooral ook: die in moeilijkheden zo rustig blijven. Hij schrijft dat hij in een spannende situatie als repliek van Finse kant kreeg: “… maar alleen nerveuse mensen hebben haast, ‘een begrip, dat niet door God is geschapen’ (zoals Finse zusters hem dat zeiden.pst)”. De Finse kritiek op af en toe wat drukdoende Nederlandse verpleegsters en dokters is hier echt duidelijk te bespeuren. En die kritiek werd zelfs enigszins geaccepteerd! Belmonte zag verder tot zijn verbazing heus wel, dat Finland ondanks de oorlog en de ellende voorwaar geen epidemieën kende, een gevolg van de winterkou misschien, maar zeker ook een positief gevolg van Finse hygiene, concludeert hij.

Zowel Belmonte als ook anderen vonden het opvallend, dat in het Finland van toen zo weinig groente gegeten werd. Dat konden ze dan van de Nederlanders echt wel leren! Ik denk wel dat de Finnen dat snel en goed geleerd hebben, maar dat er nu nog steeds andere landen zijn, die wat dat betreft van ons Nederlanders nog wel het een en ander kunnen leren.

Nu een klein tussenberichtje. Toen ik kort geleden eens het grote boek bij de ‘Olympiade 1952 Helsinki’ doorbladerde, vond ik op de laatste bladzijde iets heel opvallends: “(Lahjoituksia): … HOLLANTI, Central Bureau of Horticulture and Auctions in the Netherlands (Haag); the Dutch Vegetables and Fruit Exporters Association (Haag): Hedelmiä ja vihanneksia.” Zo wilde Nederland Finland niet met groente en fruit omkopen, maar het bevriende land nog in 1952 tijdens die heerlijke en verzoenende Olympische spelen iets schenken, dat sportlieden en mensen in Suomi nog zo hard nodig hadden (en nog veel te weinig consumeerden): groente en fruit!.

Van de andere kant prijst Bemonte de gezondheid van bessen, die in Finland in zo vele soorten en smaken voorkomen en natuurlijk in allerhand vorm gegeten worden. Een ander opvallend punt van vriendschappelijke confrontatie was de campagne die de Nederlandse zuster iin Vierumäki begonnen, om de al beterende soldaten bij goed weer het terras op te rijden om van frisse lucht en de zon te genieten. Zelfs in de ziekenzalen werden de dubbele ramen regelmatig opengezet, aanvankelijk tot ontsteltenis van de patienten en de aanwezige Finse collega’s. Maar de Nederlandse zusters zetten door en dit werkte op allerhand manieren en langdurig tot nu toe zeer positief. Dit was in Finland bijv. bij de verzorging van zieken niet zonder meer nieuw hoor, en buitenlucht in de zomer in het zomerhuisje aan het water en de bossen eromheen was geen taboe, maar het werd in huis en ziekenhuis gegarandeerd nog niet algemeen als zonder meer gezond goedgevonden en gepraktiseerd. Zeker niet als het wat kouder of echt koud was, in herfst, winter of voorjaar. Arvo Ylpö heeft dit – wat verzorging van pasgeboren baby’s en kinderen betreft – jarenlang uitdrukkelijk moeten propageren, voor het uiteindelijk echt gebeurde: ‘Kleed kinderen niet te warm aan, breng ze naar buiten en lucht je huis regelmatig door de ramen open te zetten, ook in de koude winter!!!’.

Om nu weer bij de Nederlandsche ambulance terug te keren. Het werk van deze ge-engageerde mensen werd zeer geprezen en tot in de hoogste kringen gewaardeerd. Op 13 mei lees ik in het verslag van Meihuizen: “Kolonel Prof. Dr. Suolahti rijkt namens den maarschalk Mannerheim het ‘vrijheidskruis’ uit aan de artsen en de ‘dapperheidsmedaille’ aan de zusters der Nederlandsche ambulance; onderscheidingen, welke door allen op hoogen prijs worden gesteld.” Nogal logisch, want dat was een grote eer met Finse oorlogshelden en Finse Lotta’s op een lijn te worden gesteld door de door Jan en alleman aanbeden maarschalk Mannerheim, de redder van het Finse volk. En op 5 september, vlak voor het afscheid, staat er: “Leider en directrice genieten de eer ontvangen te worden door maarschalk C.G.E. Baron Mannerheim. Mede namens het Finsche volk betuigt de maarschalk zijn erkentelijkheid voor de groote sympathie en voor den daadwerkelijken steun van de Nederlandsche natie ondervonden en spreekt hierbij woorden van lof en waardeering voor het uitnemende werk der ambulance.” Zo was het, nee zo is het!

Afsluitend als citaat een paar woorden van Dr. Schepel. “Moeilijkheden met de taal deden zich dan ook eigenlijk niet voor, iedereen deed zijn best al zijn talenkennis te combineeren en zoo werd altijd wel een verstaanbare oplossing gevonden. … Over deze verpleging niets dan lof! De samenwerking tusschen de Nederlamndsche, Finsche en ook enkele Amerikaanse zusters was uitstekend en er werd met de grootste toewijding gewerkt.” Jammer dat Schepel het als vakman niet zo eens was met de Deense collega’s, want die waren er samen met Zweedse ook, en zeer ge-engageerd. Nou ja, perfect is niets op deze wereld!

Terug in Nederland werd het team door leden van het hoofdbestuur van het Roode Kruis en de bestuursleden van de Finsch-Nederlandsche Vereeniging welkom geheten, niet zo uitbundig weliswaar, want … “Veel was er hier te lande sinds het vertrek op 21 Maart veranderd.” Jaja, de bezetting en alle ellende die eruit voortvloeide was al begonnen.

P.S.

Nog een opmerking over de historie van de Nederlandse Vereniging in Finland.

Als ik de verslagen van deze ambulance goed gelezen heb, is het initiatief van deze campagne vooral van meneer Theo van der Vlugt en zijn bestuur uitgegaan. Ze waren er uitdrukkelijk de hele tijd bij, bij de voorbereiding, bij het vertrek en bij de terugkomst van het team. Ook in Stockholm wordt uitdrukkelijk de aanwezigheid van de Zweedsch-Hollandsche Vereeniging vermeld, maar in Helsinki wordt noch bij aankomst noch bij vertrek melding gemaakt van een al bestaande Nederlandse vereniging. Wel is meneer Spaens als consul overal bij! En … zou die vereniging toen al officieel bestaan hebben, dan zou dat zeker naar voren gehaald zijn, want het initiatief van de hele expeditie lag toch bij de Finsch-Nederlandsche Vereeniging in Den Haag. Dan zou een eventuele zustervereniging in Helsinki zeker genoemd zijn, zoals ook die in Stockholm.

Ik zie nu het ontstaan van een Nederlandse Vereniging in Finland zo, dat wnd. consul-generaal Spaens, directeur van Philips, vanaf 1938 Nederlanders in Helsinki af en toe bij elkaar haalde om bijvoorbeeld Sinterklaas te vieren of wat dan ook. Iets later (na 1940) kwam Rob de Caluwé er als actief persoon bij. In 1945 werd consul Theo van der Vlugt officieel Gezant voor Nederland in Helsinki tot aan zijn dood in 1954. Zo kan ik me na de oorlog een meer een serieuse oprichting van een vereniging voorstellen, naar het voorbeeld van die in Nederland, waar meneer van der Vlugt als bestuurslid en voorzitter jarenlange ervaring had. De heer Spaens hoorde er zeker bij, de Philipscantine had bijvoorbeeld tot ver in de jaren zeventig voor ons Nederlanders in Finland een grote betekenis, en over de rol van pater Robert de Caluwé hoef ik hier eigenlijk niets meer te zeggen, die is vanzelfsprekend geweest van 1940 af.

Maar goed, in 1938 kwamen Nederlanders al rond consul Spaens bijeen in hotel Seurahuone tegenover het station. Dat wel, dus was dit misschien dan de inofficiele geboorte van een latere Nederlandse vereniging? Of Nederlanders zich al vroeger bij elkaar thuisgevoeld hebben en af en toe iets samen vierden, is niet meer bekend. Over het algemeen is ons uit de eerste jaren van de Nederlandse vereniging tot ongeveer 1975 jammergenoeg inderdaad vrijwel niets bekend. Wat kunnen we daar nu nog aan doen? Het zij zo!

Peter Starmans

lehtori

 

wat literatuur:

1. E.C. Schut (ed), De ambulance van het Nederlandse Rode Kruis naar Finland, Publicatie van de Vereniging Nederland – Finland, Amsterdam 1992.

(samengesteld door E.C. Schut ter gelegenheid van de tentoonstelling “Finland in Nederland”, december 1992, in de universiteitsbibliotheek van Amsterdam)

2, Aviisi 1998, nummer 2, Nederlandse ambulance te Vierumäki, door Rune Frants en Evert Schut, in het Nederlands en het Fins, ge-illistreerd, met aansluitend een interview met mevrouw de Ruyter-Jacobsson.

3. Kirsi Kukkurainen/YLE (ed), Suuret Suomalaiset, Otava 2004. Daarin een hoofdstukje over Arvo Ylpö door Anto Leikola.

4. IX Olympiakisat Helsingissä 1952, järjestelytoimikunnan virallinen kertomus, WSOY 1955


Hakkapäälle

Op zaterdag 13 mei 2006 hield de NViF, afd. Länsi-Uusimaa, een bijeenkomst in Virkkala aan de Koninklijke handelsweg tussen Bergen, Stockholm, Turku en Wiborg (en verder…). Het feest was georganiseerd door Henriette van der Woude, ze had het goed gedaan en ook voor een hartig natje en een smakelijk droogje gezorgd. Wim van der Kooij, die er ook was en met ons volksdanste dat het een lieve lust was, had zijn Duitse vriend Detlev Pleiss -een half in Finland, half in Duitsland wonende historicus- uitgenodigd een praatje voor ons te komen houden over een Finse militaire ruitertroep die in 1633 Brabant en Limburg had bezocht.

De bijnaam van die Finse soldatencompagnie was op z’n Duits ‘Hakkapeliter’, op z’n Nederlands ‘Hakkapelieten’. Adriaan van der Hoeven van de UvG schrijft: “Dat de Finnen voor het merendeel Luthers zijn, komt doordat Gustaaf I Wasa in de eerste helft van de 16de eeuw brak met de Paus en koos voor de Reformatie. Dat Zweden zich in de eeuw daarop tot een grote Europese mogendheid kon ontwikkelen, was mede te danken aan Finse belastinggelden en Finse soldaten. Vol ontzag spraken hun tegenstanders van de hakapeliten, een bijnaam afgeleid van de kreet die ze uitten als ze ten aanval gingen: hakkaa päälle, sla erop! Een aantal van hen vocht nog als huurling voor Frederik Hendrik.” Dat laatste blijft wat vaag en kan ik nu in discussie met Detlev Pleiss wat nader preciseren.

Hakkapelieten’ (-houwdegens-) waren vooreerst legendarische, Zweeds-Finse ruitercompagnies uit de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Ze waren in het Europa van toen beroemd en werden vooral bewonderd om hun discipline, vechtlust, getraindheid, doortastendheid en zo. In de loop van de oorlog werden ze steeds meer legendair, dus beroemd zo niet berucht vanwege hun in het gevecht bewezen moed en gemotiveerd stoer doorzettingsvermogen (‘sisu’ bij wijze van spreken!). Moedige soldaten in het Zweedse leger waren ze – uit het machtige Zweden van toen, als beschermende en actief ondersteunende evangelische ‘peetoom’ van de overige protestants-lutherse, nog vrijwel uitsluitend Duitse landen. Ze vochten gezamenlijk tegen de dreigende en door velen gehate katholieke landen als Italië of Spanje, met de Keizer van het Heilige Roomse Rijk in Wenen en de Paus in Rome. Gustav II Adolf deed wel van harte mee aan deze ‘godsdienst’-strijd, om zijn eigen Koninkrijk Zweden verder uit te breiden tot een onbetwiste Europese grootmacht, het liefst tot aan de Rijn!

DSC00065smallDe soldateske ‘Hakkapelieten’ schreeuwden “Hakkaa päälle!”, telkens als ze zich in de strijd wierpen, om zichzelf moed in te spreken voor het komende gevecht van man tegen man, te paard of te voet. ‘Sla ze de kop in!’ lijkt me hier een juiste agressieve vertaling van hun gevechtsroep.

De krijgsroem van deze troep soldaten uit het noorden, verbonden met panische angst ervoor en gruwelverhalen erover, leefde onder het germaanse volk in ballades en geruchten. Het focuspunt ervan werd in de loop van de oorlog meer en meer toegespitst op de befaamde en succesvolle Finse ruitercompagnie o.l.v. Torsten Stahlhandschuh(Stallhans/a) uit Porvoo/Borgå –een geboren zweedstalige Fin- en zijn vooral uit zuidwest Finland bijeengegaarde manschap. Stahlhandschuh heeft, eerst onder Gustav II Adolf en na diens dood (eind 1632 te Lützen) onder Axel Oxenstierna (Rijkskanselier van Zweden) een glanzende carrière in het Zweedse leger in Duitsland gemaakt.

Deze ‘Stalen Hans’ was een ware mannetjesputter, door zijn soldaten op handen gedragen, hij was de onbetwiste en hoogbegaafde leider van zijn ruitercompagnie. Hij was ook een met ’n aureool van gezonde hardheid en eerlijke godsdienstzin (-goed Luthers dus!-) omringd. Voorts was hij uiterst communicatief en veeleisend, voor zichzelf maar ook voor zijn soldaten, en dat is me toch wat, nietwaar?

De mythische, bijna heidense sagenkrans rond deze troep soldaten werd gesymboliseerd in de steeds in bericht en lied terugkerende woordcombinatie ‘Finnen en Lappen’. De Laplanders waren in die tijd inderdaad nog maar nauwelijks be/gekend en heel vaag gedefinieerd, ze waren dus vooral ‘sagenumwoben’ (‘ in sagen gebaad’?pst). Misschien ook nu nog wel, denk maar aan de faam van iemand als Andreas Alariesto, de Lapse schilder van oude en hooginteressante Laplandse tradities. De eerdere woordcombinatie ‘Zweden en Finnen’ was tijdens de 30jarige Oorlog al gauw ‘out’. De in Duitsland binnengedrongen en de Duitse landen verwoestende Zweden werden al ras gehaat en veracht, de Finnen (en Laplanders dus) uit dat angstaanjagende Zweedse leger daarentegen werden bewonderd, gevreesd en via een soort mythe tot een groep ‘Lordi’s’ omgevormd (‘Der Teufel lass sich kratzen. Der Schwed hat Finlendische … Hund, spritzen Feuer wie die Katzen.’, citeert Detlev Pleiss uit een ‘Flugschrift aus Aschersleben’ 1631). (‘De Duvel laat zich krabben. De Zweden hebben Finse honden die vuur spugen als katten.’)

Maar de vraag is hier nu, wat deze Finse ‘Hakkapelieten’-elitetroep van het Zweeds-Duitse leger met de historie van Nederland te maken heeft gehad?

Op zich eigenlijk niks, maar onze Frederik Hendrik had al jarenlang bij Zweedse diplomaten in Den Haag en elders over hun elitetroepen gehoord en had erop aangedrongen, dit onderdeel van het Zweedse leger eens te mogen huren voor een maand of wat, om zo mogelijk op deze manier een beslissende slag tegen de Spanjaarden uit te kunnen voeren.

En toen in 1633 een groot deel van het ‘evangelische’ Zweedse/Duitse leger in Nederduitsland opereerde, was dit misschien een passende gelegenheid, aan deze wens van de prins tegemoet te komen. Gustav II Adolf was november 1632 in Lützen in de strijd gevallen, Axel Oxenstierna had toen het oppercommando van de Zweeds/Duitse strijdkrachten als ‘Oberdirektor des Evangelischen Bundes’ op zich genomen, de oorlog was nu even in wat rustiger vaarwater gekomen en zijn leger had behoefte aan geld en gezonde voeding. Vandaar dat hij en zijn collega’s de ruiterij (-o.a. de Finse-) wel voor twee maanden aan de prins van Oranja wilden uitlenen (-tegen stevige betaling uiteraard!-) om Frederik Hendrik zo vanuit het nu wat minder door de oorlog geteisterde Brabant en Limburg de kans te geven, een beslissende slag richting Brussel met de Spanjaarden en hun medestrijders te slaan.

Een korte opmerking nu terzijde. Prins Frederik Hendrik was een echte zoon van Willem van Oranje, de tolerante Zwijger, en eigenlijk wilde hij naar Brussel, om de Spanjaarden daar weg te jagen, dus ook wel om de verloren 10 Nederlandse provincies weer bij de zeven succesrijke Nederlanden van het Noorden te voegen. Dit wisten de Hollandse regenten eigenlijk ook wel, maar zij voelden er om regilieuze en economische redenen niet meer zo heel erg veel voor. Het Zuiden was zo katholiek en met de havens en de zeevaart in het Noorden ging het nu zó goed, dat ze liever de concurrentie uit het Zuiden niet meer terug wilden halen. Daarom was de samenwerking tussen de Prins van Oranje en vooral de Staten van Holland -maar ook wel de Staten-Generaal- niet zonder meer optimaal. Ook al werd Frederik Hendrik als veldheer ten zeerste bewonderd en bejubeld, door vriend en vijand.

Maar goed, Prins Frederik Hendrik en de Staten-Generaal gingen wat de hulptroepen uit het Zweedse leger betreft toch akkoord. De leiding van het Zweeds/Duitse leger in Nederduitsland liet nu haar ruiterij –met aan de kop ervan de Finse stoottroepen en ruiters o.l.v. Stahlhandschuh!– naar Wesel aan de noordzijde van de Rijn trekken. Daar staken ze dan via de schipbrug naar de zuidkant van de Rijn over, richting ’s Hertogenbosch, dat in 1629 na een roemrijke belegering in handen van de ‘stedenbedwinger’ Frederik Hendrik was gevallen. In het achterhoofd van de willige Zweedse leiding stak zeker ook nog de ‘aloude’ Gustav II Adolf-wensdroom, de Rijn als grens te bezetten en voor de Zweden veilig te stellen! De Rijn was toch ooit ook de grens van het Romeinse Rijk met het Germaanse geweest? Een magische en toch verdedigbare grens dus! Gustav II Adolf wilde daarom zo graag de noordkant van de Rijn veroveren en zo een nieuwe grens vastleggen tussen het Zweedse Rijk en de rest van Europa, het katholieke Zuiden laten we maar algemeen zeggen. Samenwerking met de machtige ‘Republiek der Zeven Provinciën/Nederlanden’ bood nu wellicht na twee mislukte mogelijkheden een nieuwe kans, deze wensdroom van een groot Zweeds Rijk toch weer een stap nader bij de verwerkelijking te brengen. Het liep echter anders.

De veldtocht eind 1633 van de Zweeds/Duitse ruiters -met op kop de ‘Hakkapelieten’ uit Finland- kriskras door Staats-Brabant en Limburg, tegen de Spaanse troepen richting Brussel (-als centrum van het katholieke Spaanse Rijk in het noorden-) mislukte volkomen.

Misschien door het barslechte weer, misschien door de in het vrije veld onzekere leiding van de prins, misschien ook door de onwil van Spaanse zijde, nu een open veldslag te leveren, maar misschien ook wel door demotivering van bijvoorbeeld de Finse elitetroepen, de ‘Hakkapelieten’. En bij dat laatste is wel wat op te merken.

De soldaten was goed geld als loon voor werken beloofd, ruim genoeg om te leven en ook om wat voor later over te houden, maar de Generale Staten van de Republiekwaren erg langzaam bij het uitbetalen van deze schuld, ze aarzelden veel te veel.

En dat betekende demotivatie van de gewone soldaat en dan ook plundering door man en paard van de Finse Compagnie -en niet alleen door hen hoor, maar ook door de andere soldaten uit Zweden en Hessen. En dat als wraak voor het geleden ‘onrecht’. Die gewone soldaat moest toch zelf ook (ervan) leven en had daarom geen medelijden met de mooie en welvarende streken waar ze doorheen trokken of met de weldoorvoede boeren, boerenmeiden en stedelingen die daar woonden.

En … plundering betekende toentertijd verwoesting, verkrachting, vernieling en ander onrecht, dat wel, maar … waarom betaalden de Staten niet ‘cash’, oftewel snel en contant, zoals was afgesproken, toen ze de hulptroepen in dienst namen. En verder … zulk gedrag was bij de toenmalige oorlogsvoering normaal. Maar nogmaals … waarom aarzelden die Hollanders zo lang met de uitbetaling?

Misschien wel vanwege onze niet zo positieve, maar toch wel traditioneel typisch ‘hollandse’ eigenschappen als overleg, spaarzaamheid of zelfs gierigheid. Per slot waren de Zeven Provinciën zelf al min of meer veiliggesteld en leefden ze in welvaart buiten het strijdgewoel van die wilde jaren in Westeuropa om. Bovendien wilden ze ook wel graag, dat woeste huursoldaten buiten hun eigen grenzen -dus liever in de wingewesten of generaliteitslanden Brabant en Limburg bijvoorbeeld!- hun ‘republikaanse vrijheid’ op bredere basis veilig zouden stellen, maar dan zonder er zelf direct onder te hoeven lijden. Maar … er goed voor betalen, snel en in klinkende munt, nee dat deden ze niet zo graag of niet zo van harte, ofschoon ze het geld daarvoor heus wel bezaten. Nou goed, dit is maar een mogelijke en misschien ook wel een eigengereide verklaring, ik weet het.

In het onderhavige geval betaalden ze in ieder geval veel te langzaam, zodat het wel tot onnodig plunderen moest komen. Soldaten zijn geen fijne burgers of welvarende boeren, maar volkse en wat ruwe soldaten, die geld willen zien, of anders …‘hakkaa päälle’!!! Overigens … op zich stonden de gedisiplineerde troepen van Stahlhandschuhtoentertijd erom bekend, niet méér te plunderen en te vernietigen -met man en paard, dat wel- dan strikt noodzakelijk was. ‘Strikt noodzakelijk’ was toen uiteraard met een korreltje zout te nemen en … ‘uitzonderingen daargelaten’ (-zoals in Limburg misschien-) want oorlogvoering was in die woeste tijden niet zo heel erg beschaafd en fijn naar onze moderne smaak. Overigens … is het vandaag de dag dan zonder meer dan wel beter en humaner?

Omdat ik geboren lijk Finnen te willen verdedigen, geef ik ter verontschuldiging van het uitbuitende wangedrag van de soldateska van Fins/Zweeds/Duitse origine nog het volgende te bedenken. Begin oktober 1633 hadden de soldaten bij Visé/Wiset -zuidelijk van Maastricht, stroomopwaarts aan de Maas gelegen- drie dagen hard gewerkt om een scheepsbrug te bouwen over de rivier. Het materiaal en ook de proviand kwamen uit de stad Liège/Luik. Die toen inderdaad ook met bezetting bedreigde stad wilde niet meer van harte meewerken en liet het al snel wat voedselaanvoer voor de Zweeds-Duitse troepen betreft afweten. Is het dan verwonderlijk, dat die soldaten boos en beledigd richting stad en omgeving trekken om daar -nogal hardhandig uiteraard- bij boeren en boerinnen en anderen aan hun trekken te komen? Want zonder afdoende betaling hard te moeten werken en niet verzorgd te worden met stevig voedsel, dat werkt frustrerend. Zo waren die eenvoudige knullen nu eenmaal! Verder is het maar de vraag of het gebied daar in de buurt van Luik wel zo Staats en niet eerder Spaans was. In het laatste geval dus ‘gebied van de vijand’ en dat mag je toch wel uitbuiten en plunderen, nietwaar? Denk maar eens aan de stad Duinkerken en hun zeerovers! En heeft de grote Hollandse rechtsgeleerde Hugo de Groot ook niet gezegd, dat je de schepen van de vijand mag kapen, tenminste in tijd van oorlog? En, mijn beste lezer, dat kapen ter zee van toentertijd leek toch wel vermepte veel op plunderen van het platteland. Dus waarom dan niet het vette, vijandige land aan de Maas bij Luik kapen of plunderen, zeker als die rijke en zo welvarende stad Luik en ook anderen niet mee wilden werken? ‘Foei toch!’ of nu net ‘juist zo!’, ik weet het niet meer.

Maar goed, ook de Finse ‘hakkapelieten’ zijn toen stout geweest, toegegeven, maar zeker niet extreem voor die tijden, en toen ze eenmaal hun geld echt zouden krijgen op onvoorwaardelijke prinselijke belofte -als ze maar zo snel mogelijk teruggingen de Rijn over naar huis- toen werden ze poeslief en gingen braaf (-nou ja braaf …-) in Büderich/Wesel aan de samenloop van de Lippe en de Rijn hun geld ophalen en weg waren ze, op mars naar het noordoosten, met hun rug naar de Nederlanden. Zo liep de ‘verkering’ van de Finse ruiters met het Staatse leger o.l.v. Prins Frederik Hendrik met een sissertje af. Veel heeft de prins overigens aan die ruiters echter niet gehad, maar ja … dat was heus niet hun schuld, geloof me nou. Veel plezier heeft ook de Zweedse Rijkskanselier Axel Oxenstierna er niet aan beleefd. Van toen af hebben de Zweden hun wensdroom van de Rijn als grens van hun Europees Zweedse Rijk maar opgegeven. Goed zo, lijkt me!

In het boek van Pirjo Poutanen ‘Hämeen Härkätiellä” (‘op de ossenbaan van Häme’) lees ik op bladzijde 114: “Hakkapeliittatapahtuma on vietetty Tammelassa Mustialan vanhassa puistossa jo 1970-luvun lopulta lähtien. Tapahtumalla kunniotetaan 1630-luvulla 30-vuotiseen sotaan lähteneitä taistelioita.” (‘Al vanaf de jaren zeventig van de afgelopen eeuw wordt in het oude park van Mustiala in Tammela het Hakkapelieten-evenement gevierd. Hiermee worden de soldaten geëerd, die in de jaren dertig van de 17e eeuw de 30jarige oorlog introkken.’) Zo zie je maar, vergeten zijn de Finnen het nog steeds niet. En ik moet hierbij natuurlijk ook meteen denken aan de uitnodiging van onze Jos voor de ‘Hakkapeliitta in Tammela’ op 5 augustus. Een gezellige markt met alles erom en eraan. Daar zal hij zeker wel een of andere foto van hebben!

Kerava, 30 juni 2006

Peter Starmans

lehtori


Begin van de Nederlandse Vereniging in Finland 07.01.1937

DEEL 1: eerst wat algemener

Op het jubileumfeest van onze vereniging op 17 november 2012 in de Nederlandse residentie wierp onze nieuwe ambassadeur, Henk Swarttouw, in zijn vriendelijk en weldoordacht welkomstwoord een verrassende vraag in de ronde van een vijftigtal toeluisterende Nederlanders: ”Weet u, geacht publiek, waarom de Nederlandse Vereniging in Finland eigenlijk precies op 7 januari 1937 is gesticht?” Een hooginteressante en verrassende vraag, dat wel! Maar nog verrassender, (en voor sommigen zelfs beschamend, ik geef het toe ;-), was de reactie van het publiek: niemand van de toehoorders kon het juiste antwoord geven.

Het initiatief voor een nieuwe vereniging is inderdaad in januari 1937 genomen en de club werd begin februari 1937 officieel gesticht, OK, maar waarom precies op 7 januari? De aap kwam gelukkig al snel uit de mouw van de nieuwe Nederlandse ambassadeur, de vertegenwoordiger van de Koningin der Nederlanden in Finland, meneer Henk Swarttouw: op 7 januari 1937 stapten Prinses Juliana en Prins Bernhard namelijk in het huwelijksbootje. Op die doorluchtige avond van de zevende januari 1937 was er in de ruimtes van het Nederlands gezantschap of in de woning van meneer Huender, consul van Nederland in Finland, een feestelijke bijeenkomst, waarbij in ieder geval de heer Spaens van Philips aanwezig was en zeker ook nog wel een paar andere in Helsinki wonende en werkende Nederlanders in hogere posities.

Op 7 januari 1937 zijn prinses Juliana en prins Bernhard dus getrouwd. Natuurlijk, dat weet toch iedereen :-). Een leuk filmpje van een minuut of elf à twaalf van deze gebeurtenis in Den Haag is te vinden op YouTube: ”De huwelijksdag van Prinses Juliana en Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld”. En … als de lezer/es een goede tekst of mooie foto’s bij deze Haagse gebeurtenis zoekt, kan hij/zij bijvoorbeeld en voorbeeldig terecht op de site van van het Koninklijk Huis of op die van de Koninklijke Bibliotheek.

De koninklijke familie had in die jaren overigens zeker een grote symbolische betekenis. Centraal stond uiteraard Koningin Wilhelmina en daarom werd Koninginnedag op 31 augustus zo mogelijk uitbundig gevierd; direct naast Wilhelmina stond haar latere troonopvolgster Prinses Juliana met haar man Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld (de toen al populaire prins, met later dan de symbolische anjer in het knoopsgat van zijn revers, als sympathiek bewijs van zijn pro-Nederlanderschap tijdens de oorlog); al gauw kwam daar op 31 januari 1938 als eerstgeborene Beatrix bij (de prinses van de ballonnen in Kärsämäki, wacht maar af 🙂 en op 5 augustus 1939 als tweede dochter prinses Irene. Het vieren van de verjaardagen van hen allen stond als vanzelfsprekend regelmatig en centraal op het programma van de ‘Nederlandsche Vereeniging’ in die dagen. En terecht, toen dus al.

De ‘Nederlandsche Vereeniging’ in Finland was principieel wel bedoeld als vereniging van de bijeengebrachte belangengroep van Nederlanders, die toen in Finland woonden. De eerste ledenlijst van 1 december 1938 voert 38 namen op (archiefdocument 025). We zien er namen van zakenmensen met als primus Koen Spaens van Philips en voorts van heel wat vertegenwoordigers van de katholieke kerk o.l.v. bisschop Gulielmus Cobben. Namen van diplomaten als die van H.M. Gezant Baron van Nagell ontbreken echter. Wilden zij toen liever niet als lid van een officiële Nederlandse vereniging in het buitenland geregistreerd worden of wilden ze alleen maar zo veel mogelijk op de achtergond blijven? Een antwoord heb ik niet, maar Baron van Nagell droeg de vereniging in ieder geval jarenlang een warm hart toe. De naam van Dr. W. Huender, de eerste voorzitter van de vereniging, ontbreekt hier ook, maar hij was toen al uit Finland vertrokken, nadat hij door de ledenvergadering van 1938 tot Eere-Voorzitter benoemd was.

Deel 2: wat preciesere gegevens voor de liefhebber van historie

Omdat het begin van onze NViF nog steeds wat onscherp omlijnd is, hier ter aanvulling voor de liefhebber van historie een paar nadere preciseringen. Die komen grotendeels uit het archief van de vereniging en enigermate uit het internet.

Op 7 januari 1937 besloot een ‘voorloopig comité’ in een bijeenkomst ter gelegenheid van het huwelijk van Prinses Juliana en Prins Bernhard bij de Nederlandse Gezant Baron van Nagell (in Stockholm) of de Nederlandse consul in Finland Dr. Huender een nieuwe vereniging op te richten. Op 28 januari 1937 schreef K. Spaens namens het ‘voorloopig comité’ een brief aan alle Nederlanders in Finland en nodigde hen uit, begin februari ter vergadering te komen. Op 4 februari volgde toen de bijeenkomst en daarmee de oprichting van de ʻNederlandsche Vereenigingʼ (in Finland) en daarbij werd het eerste bestuur benoemd. Doc.001 van ons archief luidt zo: Helsingfors, den 26 Januari 1937. L.S. Naar aanleiding van onze bijeenkomst op 7 Januari, waarbij tot oprichting van de Nederlandsche Vereeniging werd besloten, stelt het voorloopig comité zich voor, op Donderdag 4 Februari om 20 uur bijeen te komen in lokaal n° 4 van ”Handelsgillet”, Kaserngatan n° 23. Op de aanwezigheid bij deze bijeenkomst van U en Uwe dames, stellen wij hoogen prijs. (…). Namens het voorloopig comité, K.Spaens”. En doc.006 gaat hierop verder:”Helsingfors, den 3 april 1937. L.S. Hierbij doe ik U toekomen een kort verslag van de eerste bijeenkomst van de Nederlandsche Vereeniging op 4 Februari 1937. Verslag: Dr. Huender opende de bijeenkomst en heette alle leden hartelijk welkom. Hij verheugde zich er over, dat met eenige uitzonderingen alle Nederlanders aanwezig waren, en sprak de hoop uit, dat ook voor de toekomst alle leden even voltallig en met hetzelfde enthusiasme zouden verschijnen. Hierna werd de voordracht van het bestuur bij acclamatie aangenomen: Dr. W. Huender (Voorzitter), H.D. Stelwagen (Vice-Voorzitter), K. Spaens (Secretaris-Penningmeester), Mevr. Huender, Mevr. Palmberg. Het aantal bijeenkomsten werd voorlopig op vier per jaar vastgesteld, te weten, in Januari, April, Augustus en December. Dit sluit natuurlijk niet uit, dat dit aantal bij voldoende interesse vermeerderd kan worden. De secretaris ontvangt hierover gaarne Uwe voorstellen en zal na overleg met het bestuur dan zoo spoedig mogelijk hierop terug komen. Hiermede was het officieele gedeelte afgeloopen en werd de rest van den avond in gezellig tezamenzijn doorgebracht. (…) De Secretaris-Penningm. K. Spaens”.

Een eerste vraag hierbij is wel: Wie was Dr. W. Huender?

Uit het archief van de vereniging krijgen we een nog wat onvolledig antwoord. Op 18 juni 1937 ondertekent de heer Huender een brief aan het Bestuur van het Algemeen Nederlandsch Verbond als ʻVoorzitter, Dr. W. Huender, Consul Generaal der Nederlandenʼ. Daarmee weten we dus zijn status in Finland in 1937/1938. Als secretaris van de vernoemde brief ondertekende tevens ”K. Spaens, Directeur Finska A/B.Philips” (doc.013). Huender werd op 4 februari 1937 tot eerste ʻVoorzitter van de Nederlandsche Vereeniging in Finlandʼ gekozen. Hij trad op 10 februari 1938 als voorzitter terug, omdat hij naar elders geroepen werd. De aftredende voorzitter, Dr. W. Huender,wordt dan de eerste ʻEere-Voorzitterʼ, en K. Spaens wordt tijdens dezelfde vergadering gekozen tot de tweede ʻVoorzitter van de Nederlandsche Vereeniging in Finlandʼ (doc.017). Uit doc.025 blijkt, dat Huender eerst spoedig erna naar Bergen in Nederland is gegaan.

De volgende info komt uit: http://journals.cambridge.org. Vanuit Nederland is de heer Huender waarschijnlijk al snel (weer?) naar Nederlands-Indië vertrokken. Dr. W. Huender heeft, wordt ons bericht, jarenlange ervaring in koloniale, consulaire en diplomatieke dienst voor Nederland in het buitenland opgedaan. Vóór de oorlog was hij in Manila, waar hij door de Japanners geïnterneerd werd; hij, zijn vrouw en zijn kinderen kwamen toen naar Londen met het eerste schip, dat diplomaten in het voorjaar 1943 naar Engeland heeft gebracht. Het wanneer en de omstandigheden van deze op zich interessante info worden echter verder niet nader gepreciseerd. Verder gegevens van zijn persoon zijn: Dr. W. Huender, doctor in de politieke wetenschappen van Leiden; hij is assistent-resident in Nederlands-Indië geweest en is later in buitenlandse Nederlandse diplomatieke dienst gegaan. De schrijver van dit artikel schat, dat het assistent-residentschap in Nederlands-Indië in de jaren dertig heeft plaatsgevonden, wellicht voordat hij als Consul Generaal naar Finland kwam of misschien tussen zijn consulschap in Finland tot 1938 en zijn terugkeer naar Europa in 1943). Jammer genoeg weten we niet, wanneer W. Huender geboren is. Na Finland is hij kennelijk (weer?) naar Nederlands-Indië gegaan, om daar voor de Nederlandse belangen te werken. In 1943 is hij dan chef van het kabinet van de Secretaris Generaal van het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken (in Londen) geworden. Hij werd aldaar ook benoemd tot lid van het interim-comité van het Internationale Instituut in Londen (of Cambridge), dat verantwoordelijk was voor de ”International Discussion Meetings”, een belangrijk internationaal discussieforum van het toenmalige Europese centrum Londen. Het thema van een van die meetings op 24 februari 1943 was: ”Training Courses for Service in the Netherlands East Indies”, ingeleid door Dr. W. Huender als vertegenwoordiger van het Nederlands Bestuur in Londen. Deze lezing is gedeeltelijk op internet te vinden en gaat over de planning van de scholing voor dienst in het Nederlands-Indië na de oorlog. Was hij daarom al in 1938 vanuit Finland naar Nederland teruggeroepen? Misschien wel, maar goed, vragen zullen er altijd wel blijven bestaan; toch hebben we nu al vrij veel informatie over Dr. W. Huender bij elkaar gevonden. Wat Finland betreft kunnen we hier samenvatten: hij was in 1937 Nederlands Consul Generaal in Finland, door het Ministerie van B.Z. aldaar benoemd, en hij werd op 4 februari 1937 de eerste voorzitter van de ʻNederlandsche Vereenigingʼ in Finland. In 1938 is hij uit Finland naar elders vertrokken.

Nu zijn we dus weer terug bij de NViF. In het algemeen heb ik al gezegd, dat Oranje voor de vereniging een grote rol speelde. Voor de derde bijeenkomst van de jonge vereniging in 1937 worden de leden bijvoorbeeld als volgt uitgenodigd: ”Het Bestuur der Nederlandsche Vereeniging stelt zich voor op 31 Augustus 1937, ter gelegenheid van de viering van den verjaardag van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, hare leden een middagmaaltijd aan te bieden in een der zalen van Hotel Torni te Helsinki des avonds te 19 uur.” (doc.014). De vereniging was in die jaren expliciet oranjegezind, wat in die moeilijke tijden van zoeken naar eigen identiteit en naar onderlinge steun van (door grote buurlanden) bedreigde kleine landen als Nederland en Finland wellicht vanzelfsprekend was. Zoals boven dus al gezegd: centraal voor Nederlanders (in het buitenland) stond Koningin Wilhelmina en haar Koninginnedag op 31 augustus; in waardeschaal direct ernaast stond haar latere troonopvolgster Prinses Juliana met haar man Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld; gevolgd op 31 januari 1938 door prinses Beatrix en op 5 augustus 1939 door prinses Irene. Het vieren hiervan stond regelmatig en nadrukkelijk op het programma van de vereniging. Dat ook nu nog wel enigszins, maar toch had het vieren van Oranje in die tijd een andere kleur dan nu wellicht. In het archief van de NViF vinden we uit begin 1941 een wat onduidelijk document (doc.047, een typoscript van een lang telegram, zonder datum echter). Het ging daarbij over uitdrukkelijk trouwbetoon aan de Koningin op 31 augustus, maar tevens en tegelijkertijd over het vieren van de dag van de vrijheid. Particulier initiatief in Londen stond erachter; met name worden genoemd Unilever, Philips, Brenninkmeyer e.a. Aan het eind van het telegram wordt dan de afzender van het telegram vermeld: ”(stop) eerevoorzitter Nederlandsch gezant (stop)”. Dat kan alleen maar Baron van Nagell uit Stockholm zijn. Baron van Nagell was namelijk al op 8 december 1938 tot ʻEere-Voorzitter der Vereenigingʼ benoemd. Dus het ging in dit telegram ook om een verzoek van de Nederlandse gezant aan de ʻNederlandsche Vereeniging in Finlandʼ, om mee te doen met dit initiatief en dus de Koninginnedag te vieren als ”Neerlands vrijheidsdag, Netherlands Day of Freedom”. De initiatiefnemers van dit initiatief verbleven in Londen. Het begin van het telegram is het duidelijkst: ”Van particuliere zijde is een plan om (bij) gelegenheid Koninginneverjaardag op grootsche wijze spontaan trouw doen bewijzen door Nederlandsche onderdanen geheele wereld onder aandacht regering gebracht (stop) regering plan tegenover zeer sympathiek (stop) reeds gevormd voorloopig comité zal zich telegrafisch tot U wenden verzoekende ten Uwent vorming particuliere ondercomités stimuleeren. …”. (Sorry, beste lezer/es, maar dit is een prachtvoorbeeld van diplomatieke telegramstijl ;-). Hoe dit toen verder gelopen is, blijkt jammer genoeg uit het verdere schaarse archief niet meer. Maar de centrale plaats van Oranje en het verlangen naar vrijheid van het toen al bezette Nederland in binnen- en buitenland is hier overduidelijk in verwoord.

Interessant hierbij is tenslotte nog, dat doc.043 op 1 februari 1941 aan Baron van Haersolte via het Gezantschap der Nederlanden in Helsingfors gestuurd werd. Deze baron werd al eerder vermeld op de achterzijde van de ledenlijst 1/1 van 1939 (doc.040). De vraag is nu, wie deze baron is, want Baron van Nagell is zeker tot 31 januari 1941 nog H.M. Gezant der Nederlanden in Zweden en Finland, met als vestigingsplaats Stockholm (doc.048). Is Baron van Haersolte dan de opvolger geworden van Baron van Nagell per 31 januari 1941, zoals in het commentaar van het archief verondersteld wordt? Heel onwaarschijnlijk, want op de presentielijst van de bijeenkomst in hotel Torni van 31.01.1941 worden de heer en mevrouw Van Haersolte als aanwezig aangegeven zonder bijvoeging van enige status en het telegram van Spaens vanuit Stockholm van dezelfde dag werd ondertekend door Baron van Nagell. Dit document luidt als volgt: (tijdstip 31 januari 1941, gericht aan de ‘Legation Hollande’, Helsinki): = VAN SPAENS VOOR NEDERLANDSCHE VEREENIGING KAN TOT ZIJN SPIJT NIET AANWEZIG ZIJN DOCH WENST U ALLEN EEN AANGENAME AVOND LEVE DE KONINGIN LEVE VRIJ NEDERLAND = NAGELL”. Na dit telegram van januari 1941 zwijgt het archief van de NViF verder tot september 1945 in alle talen. Was Koen Spaens als voorzitter van de ʻNederlandsche Vereenigingʼ toen in Stockholm bij de gezant, om de zaak rond de vrijheidsdag met hem te bespreken? Waarschijnlijk JA! Maar verder doe ik er hier maar beter met het archief het zwijgen aan toe.

Deel 3: algemene afsluiting

Overigens komen de namen van geen van de twee laatstgenoemde baronnen voor op de ledenlijst van de vereniging van januari 1941 (doc.46), maar wel bijvoorbeeld de namen van de heer en mevrouw Nikolai en Saga van Gilse van der Pals (zie ons nieuwe boek ʻCulturele banden van Finland met Nederlandʼ) en ook die van het echtpaar Spaens; en verder verschijnt de naam van bisschop Gulielmus Cobben; maar bijvoorbeeld niet die van Rob of Armand de Caluwé, waarover we uitgebreid geschreven hebben (bijvoorbeeld in het boek ʻFins-Nederlandse relaties – vroeger en nuʼ van 2010 en in de Finse vertaling ervan). De twee De Caluwés, als ʻpaterʼ en ʻpastoorʼ hier betiteld, dus pater Rob en pastoor Armand de Caluwé, waren echter wel aanwezig op de bijeenkomst in hotel Torni van 31 januari 1941 (doc.042), waarover we al gesproken hebben. Wat was dat dus eigenlijk voor een bijeenkomst? Het juiste antwoord moet ik de lezer/es schuldig blijven. Dit alles roept weer allerhand andere vragen op. Maar … omdat de vragen vaag zijn en de schriftelijke gegevens ter oplossing van de vragen schaars tot nihil, zijn er ook nauwelijks zekere antwoorden te geven. Dat is vaak het probleem van iedere historicus ;-), daar moet hij zich dan maar bij neerleggen.

Eind goed ‒ al goed: misschien was dit lange verhaal toch een lichtgevende adstructie bij de hooginteressante vraag tijdens het jubileumfeest van ambassadeur Henk Swarttouw, waar we in dit artikeltje van uit zijn gegaan :-).

Kerava, 26 december 2012.

Peter Starmans, lehtori